Home

Gerechtshof Amsterdam, 25-02-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:501, 200.128.834/01

Gerechtshof Amsterdam, 25-02-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:501, 200.128.834/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25 februari 2014
Datum publicatie
25 februari 2014
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2014:501
Formele relaties
Zaaknummer
200.128.834/01

Inhoudsindicatie

KB-Lux zaken. De civiele kamer van het hof beslist dat een dwangsom kan worden opgelegd aan personen van wie vermoed wordt dat zij een rekening aanhouden of hebben aangehouden bij de Kredietbank Luxembourg en die weigeren hierover informatie te verstrekken aan de Belastingdienst. De dwangsom kan oplopen op € 500.000,—. Aan de veroordeling wordt de voorwaarde verbonden dat de verkregen informatie alleen mag worden gebruikt voor heffingsdoeleinden en niet voor een procedure waarin een ‘criminal charge’ aan de orde is.

In dit verband beslist het hof dat zowel mondelinge als schriftelijke informatie (inclusief kopieën van bankafschriften en andere bescheiden) die in deze situatie door de Staat wordt verkregen, als “wilsafhankelijk materiaal’ moet worden aangemerkt.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.128.834/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/538773 / KG ZA 13-363 HJ/SvE

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 februari 2014

inzake

1 [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal appel,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. drs. S. Bharatsingh te Hilversum,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal appel,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] (dan wel[appellant sub 1] voor appellant sub 1) en de Staat.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 29 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2013, gewezen tussen de Staat als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [appellanten] als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Ter voorbereiding op het pleidooi hebben beide partijen bij akte nog nadere stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 januari 2013 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Bharatsingh voornoemd en de Staat door mr. Wisman voornoemd. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben in het principaal appel geconcludeerd - kort samengevat - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de Staat niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen dan wel die vorderingen zal afwijzen, in beide gevallen met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

De Staat heeft in het principaal appel geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

In het incidenteel appel heeft de Staat geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de vermeerderde vordering van de Staat, uitvoerbaar bij voorraad, en afwijzing van de gehele vordering van [appellanten], beide met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

In het incidenteel appel hebben [appellanten] geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het deze zaak gewezen vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Waar nodig aangevuld met andere, tussen partijen vaststaande feiten, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

De Belastingdienst heeft bij brief van 27 oktober 2000 van de Belgische autoriteiten fotokopieën van afgedrukte microfiches verstrekt gekregen. Deze microfiches zijn afkomstig uit de interne administratie van de KB-Luxbank te Luxemburg en hadden betrekking op Nederlandse ingezetenen. Op de betreffende microfiches zijn saldi vermeld op rekeningen bij de KB-Luxbank per 31 januari 1994.

2.2

Artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG geeft de mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten van lidstaten om op het gebied van de directe belastingen gegevens te verstrekken aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat.

2.3

De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar de op de kopieën van de microfiches vermelde personen en de vermelde saldi. Dit onderzoek staat bekend als het Rekeningenproject.

2.4

Op de onder 2.1 bedoelde kopieën van microfiches is tweemaal als rekeninghouder vermeld 'Johannes[appellant sub 1]-[appellant sub 2]', eenmaal met een saldo van f 100,13 en eenmaal met een saldo van f 375.173,67.

2.5

Aan de hand van de kopieën van de microfiches heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Van deze identificaties zijn processen-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject opgemaakt. Het proces-verbaal van identificatie met betrekking tot [appellanten] is gedateerd op 13 februari 2006.

2.6

Het met betrekking tot [appellanten] opgemaakte proces-verbaal bevat een algemene uiteenzetting van de wijze waarop het identificatieonderzoek is verricht en vermeldt als resultaat van het onderzoek ten aanzien van [appellanten] het volgende:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[voornaam] [appellant sub 1] [achternaam appellant sub 2] .

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: "[voornaam][appellant sub 1], gehuwd met mw. [appellant sub 2].

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij[appellant sub 1] de partner is van [appellant sub 2]. Dit is [voorletters][appellant sub 1], geboren op 23-07-1950 met sofinummer (...), gehuwd met [voorletter]. [appellant sub 2], geboren op 29-11-1950 met sofinummer (...).

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van [voorletters] [appellant sub 1] is: Johannes.

5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per 11 maart 1968.

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [voorletters][appellant sub 1] gehuwd met [voorletter] [appellant sub 2], als enige als enige rekeninghouder van de KB Lux rekening (...) in aanmerking."

"

2.7

[appellanten] zijn als één van de rekeninghouders meermalen aangeschreven, voor de eerste keer in 2002, met het verzoek dan wel de sommatie om opgave te doen van (het verloop van) de door hen aangehouden buitenlandse bankrekening(en). Daarbij is hen gevraagd op het formulier 'Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen(en)' (hierna: het formulier 'Verklaring') in te vullen welke buitenlandse bankrekeningen zij na 31 januari 2004 hebben aangehouden dan wel nog aanhouden. Voorts is hen gevraagd opgaaf te doen van buitenlandse bankrekeningen(en) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier 'Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)' (hierna: het formulier 'Opgaaf').

2.8

[appellanten] hebben tot op heden ontkend over buitenlandse banktegoeden te beschikken.

2.9

De Belastingdienst heeft aan[appellant sub 1] navorderingsaanslagen Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) voor de jaren 1990 tot en met 2000 alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting (VB) over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegd. Voorts zijn over deze periode meerdere boetebeschikkingen opgelegd.

2.10

De belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam heeft in een uitspraak van 25 november 2010 beslissingen genomen ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen. Ten aanzien van de identificatie van[appellant sub 1] is in de uitspraak het volgende overwogen:

“5.1. Van het door de Belastingdienst verrichte onderzoek naar de identiteit van de houder van de onder 3.1. vermelde rekening(en) is proces-verbaal opgemaakt. Blijkens dit proces-verbaal komt slechts belanghebbende en zijn echtgenote als rekeninghouder in aanmerking. Nu het Hof de in het proces-verbaal beschreven methode van onderzoek betrouwbaar acht, heeft de inspecteur met het overleggen van het proces-verbaal voldoende aannemelijk gemaakt dat ook in dit geval sprake is van een juiste identificatie.

5.2.1.

Op grond van de gegevens van houders van rekeningen die in het kader van het Rekeningenproject de voor hen bevoegde inspecteurs van de Belastingdienst volledige inzage hebben gegeven in het verloop van deze rekeningen (de meewerkers) is het Hof tot het vermoeden gekomen dat belanghebbende gedurende de gehele door de inspecteur in aanmerking genomen periode houder was van de onder 3.1 vermelde rekening(en) bij de KB-Luxbank.

5.2.2.

De griffier heeft de gemachtigde bij brief van 6 december 2007 van dit vermoeden op de hoogte gebracht en hem in de gelegenheid gesteld om het vermoeden te weerleggen dan wel om het Hof alsnog informatie te verschaffen omtrent de inkomsten uit voormelde bankrekening(en) en de omvang van de tegoeden in elk van de tot die periode behorende jaren en de saldi van die rekening(en) op 1 januari van elk van die jaren.

5.2.3.De gemachtigde heeft op de voormelde brief van de griffier van 6 december 2007 gereageerd bij brief van 8 januari 2008. (…)

5.2.4

Nu de gemachtigde het door het Hof geuite vermoeden niet heeft weerlegd, gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende gedurende de door de inspecteur gestelde periode rekeningen heeft aangehouden bij de KB-Luxbank. (…)”[appellant sub 1]

2.11

[appellant sub 1] heeft van deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft voor wat betreft de boetebeschikkingen de uitspraak van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof 's-Gravenhage ter verdere afdoening, zulks onder verwijzing naar HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324. Voor het overige is de uitspraak van 25 november 2010 in stand gelaten. Door het gerechtshof 's Gravenhage is nog niet beslist op het beroep.

2.12

Over de jaren 2009 en 2010 heeft de inspecteur jegens [appellanten] beschikkingen uitgevaardigd op de voet van art. 52a AWR, zogenoemde informatiebeschikkingen. Hierover zijn nog bezwaar- en beroepsprocedures aanhangig.

3 Beoordeling

4 Beslissing