Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19-11-2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8811, 12/00353 LEE

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19-11-2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8811, 12/00353 LEE

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19 november 2013
Datum publicatie
6 december 2013
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2013:8811
Formele relaties
Zaaknummer
12/00353 LEE

Inhoudsindicatie

Watersysteemheffing.

Duiding perceel: ‘ongebouwd overig’ of ‘natuurterrein’?

Uitspraak

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 12/00353

uitspraakdatum: 19 november 2013

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van de

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 oktober 2012, nummer Awb 11/679 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Lococensus (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2009 tot een bedrag van € 195,43 aangeslagen in de watersysteemheffing ongebouwd voor het perceel [01] (hierna: het perceel) naar het tarief voor “ongebouwd overig” (€ 41,47/ha).

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2011 de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep met nummer Awb 11/679 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede de overige stukken die partijen het Hof hebben doen toekomen.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende[...] (beheerder perceel), bijgestaan door [...], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [...], bijgestaan door[...] (werkzaam voor[A]).

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het perceel heeft een oppervlakte van 4.71.25 ha. Belanghebbende is sinds 1999 eigenaresse van het perceel. Het perceel wordt beheerd volgens het beheertype “Kruiden- en faunarijk grasland”. Tussen 1999 en 2012 bevindt het perceel zich in een overgangsperiode. De drainage is onklaar gemaakt, zodat de gewasgroei vertraagt en de kansen voor de flora en fauna passend bij het natuurdoel worden vergroot. In de overgangsperiode vindt elk jaar begrazing plaats met maximaal 1,5 grootvee-eenheid (gve) tot en met juni en 3 gve daarna. Ook vindt in de overgangsperiode bemesting plaats met ruige stalmest. Langs de randen van het perceel is struweel geplant en het raster is 10 meter teruggeplaatst. Het perceel wordt verpacht aan een agrariër die, met inachtneming van bovenstaande beperkingen, de gewassen maait, het perceel bemest en laat begrazen door de toegestane hoeveelheid vee. De beperkingen maken dat het perceel nog voor 38 percent agrarisch productief is, met andere woorden, door de beperkingen veroorzaakt door het beheer als kruiden- en faunarijk grasland heeft het perceel 62 percent van zijn vermogen tot agrarische productie verloren.

2.2

De Verordening op de watersysteemheffing 2009 van het waterschap Regge en Dinkel (hierna: de Verordening) bepaalt onder meer het volgende:

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

(…)

f. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;

g. ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

(…)”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is enkel de vraag of de heffingsambtenaar het perceel terecht heeft aangeslagen als “ongebouwd overig”, en niet, zoals belanghebbende bepleit, als natuurterrein.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en verlaging van de aanslag tot een bedrag van € 10,23.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing