Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-12-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5856, 17/00002

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-12-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5856, 17/00002

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21 december 2017
Datum publicatie
25 januari 2018
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2017:5856
Formele relaties
Zaaknummer
17/00002

Inhoudsindicatie

BPM. Ingevoerde auto met kilometerstand 303 en geen gebruikssporen is een nieuwe auto. Geen schending unierechtelijk verdedigingsbeginsel.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00002

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 december 2016, nummer BRE 14/7245, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 13 maart 2014, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.481 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag). Voorts is bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 39 in rekening gebracht. De naheffingsaanslag en beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 30 oktober 2014 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 25 oktober 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [B] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door mevrouw [C] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [D] , de heer [E] en mevrouw [F] .

1.6.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft op [datum 2] 2013 een personenauto van het merk [automerk] , type [type] , met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto), gekocht van [G] in Duitsland. De auto heeft een datum eerste toelating van [datum 1] 2013 en is op Duits kenteken gesteld ten name van [H] , de eigenaar van [G] . De factuur betreffende de aankoop van de auto is gedagtekend [datum 2] 2013 en vermeldt een aankoopprijs van € 41.200. Daarbij is tevens vermeld dat de auto een ‘Gebrauchtwagen’ betreft.

2.3.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van de auto in Nederland op 9 april 2013 aangifte BPM gedaan. De auto had toen een kilometerstand van 303. Bij de controle door de RDW zijn geen gebruikssporen geconstateerd. De auto is met een trailer naar Nederland vervoerd.

2.4.

De aangifte vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 9.074. Belanghebbende is er hierbij van uitgegaan dat de auto een gebruikte auto als bedoeld in artikel 10 Wet BPM betreft. Belanghebbende heeft de bruto‑BPM en de verschuldigde BPM als volgt berekend:

Netto catalogusprijs € 48.896

Bruto BPM op basis van CO2-uitstoot 199 g/km € 14.357

Historische nieuwprijs € 73.520

Inkoopwaarde volgens koerslijst € 46.459

Afschrijving € 27.061 = 36,8%

Afschrijving BPM 36,8% x € 14.357 € 5.283-/-

Te betalen BPM € 9.074.

2.5.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat te weinig BPM op aangifte is betaald (namelijk € 8.876 in plaats van het aangegeven bedrag van € 9.074) en omdat de Inspecteur de auto als nieuw en ongebruikt beschouwt. De verschuldigde BPM bedraagt volgens de Inspecteur dan ook € 14.357; voor het verschil van € 14.357 -/- € 8.876 = € 5.481 is de naheffingsaanslag opgelegd.

2.6.

In de vooraankondiging van de naheffingsaanslag van 1 oktober 2013 is het volgende opgenomen:

“(…)

Als u het met mijn voornemen om deze naheffingsaanslag op te leggen niet eens bent, verzoek ik u voor 16-10-2013, (bij voorkeur schriftelijk) te reageren. (…). Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag kan ik nog rekening houden met uw opmerkingen. Als ik voor 16-10-2013 van u geen reactie heb ontvangen, zal ik overgaan tot het opleggen van de naheffingsaanslag.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de auto aan te merken als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM?

II. Is het verdedigingsbeginsel geschonden doordat de Inspecteur belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag niet mondeling heeft gehoord?

III. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

IV. Heeft belanghebbende, bij een gegrond (hoger) beroep, recht op een rentevergoeding over de door haar betaalde griffierechten?

V. Heeft belanghebbende, bij een gegrond (hoger) beroep, recht op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en proceskosten?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moet worden beantwoord.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Niet in geschil is, dat bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente en voorts tot toekenning van een immateriële schadevergoeding, een integrale (proces)kostenvergoeding en vergoeding van de betaalde griffierechten met rente.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

5 Beslissing