Home

Rechtbank Den Haag, 07-08-2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11043, 12/6267 12/6270

Rechtbank Den Haag, 07-08-2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11043, 12/6267 12/6270

Inhoudsindicatie

Bpm. Immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De termijn die is gebruikt voor het motiveren van het bezwaar en voor de beslissing of kon worden ingestemd met een vaststellingsovereenkomst, is daarbij aan eiser toegerekend.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/6267 en SGR 12/6270

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2013 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

Procesverloop

Eiser heeft in januari 2011 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) op aangifte voldaan. Met dagtekening 10 januari 2011 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 juni 2012 het bezwaar tegen de voldoening op aangifte en de naheffingsaanslag gegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [B]. Namens verweerder is verschenen [C], bijgestaan door [D].

Ter zitting zijn tevens de beroepen behandeld die door de gemachtigde zijn ingediend met de zaaknummers: SGR 12/6060, SGR 12/6064, SGR 12/6095, SGR 12/6097, SGR 12/6155, SGR 12/6167, SGR 12/5967, SGR 12/5969, SGR 12/6224, SGR 12/6262, SGR 12/6263, SGR 12/6271, SGR 12/6272, SGR 12/6274, SGR 12/6277, SGR 12/6281, SGR 12/6282, SGR 12/6283, SGR 12/6284, SGR 12/7098 en SGR 12/7550.

Eiser heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend die in afschrift is verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota uitgereikt aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser heeft in januari 2011 aangifte Bpm (de aangifte) gedaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk Audi, type A4 Avant 2.0 TDI Pro L. bns. (de registratie) voor een bedrag van € 5.865.

2.

Met dagtekening 10 januari 2011 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag Bpm opgelegd ten bedrage van € 276 omdat volgens hem de verschuldigde belasting € 6.141 bedraagt. Aan eiser is een betaalbericht uitgereikt voor dit bedrag van € 6.141.

3.

Op of omstreeks 11 januari 2011 heeft eiser het bedrag van € 6.141 voldaan.

4.

Eiser heeft in één geschrift, ingekomen bij verweerder op 7 februari 2011, bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte en tegen de naheffingsaanslag.

5.

Verweerder heeft bij de uitspraken op bezwaar, met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393 terzake van de voldoening op aangifte een teruggaaf verleend van € 980. Verweerder heeft daarbij een bedrag van € 39 aan heffingsrente vergoed en een kostenvergoeding voor het bezwaar toegekend van € 54,50. Ter zake van de naheffingsaanslag heeft verweerder geen teruggaaf verleend en een kostenvergoeding voor het bezwaar toegekend van € 54,50.

6.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat het niet verlenen van een teruggaaf op de naheffingsaanslag terwijl het bezwaar tegen die aanslag wel gegrond is verklaard, een administratieve vergissing is en dat alsnog een teruggaaf van 12% van de nageheven belasting moet worden verleend.

Geschil7.Tussen partijen is de hoogte van de ter zake van de registratie verschuldigde belasting in geschil. Voorts is het bedrag van de heffingsrente en de kostenvergoeding voor bezwaar in geschil.Verder stelt eiser dat nu ten tijde van onderhavige uitspraken de redelijke termijn is overschreden verweerder veroordeeld moet worden tot immateriële schadevergoeding.

8.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is de naheffingsaanslag op te leggen voordat de registratie heeft plaatsgevonden. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd en de verschuldigde belasting dient te worden vastgesteld op € 4.885. Ten aanzien van de kostenvergoeding voor bezwaar stelt eiser primair dat verweerder de werkelijke kosten van bezwaar dient te vergoeden en subsidiair dat de kostenvergoeding ten onrechte is gematigd. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag, rentevergoeding over de teveel betaalde belasting en veroordeling van verweerder in de werkelijke kosten van bezwaar en beroep.

9.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep inzake de voldoening op aangifte. Gezien hetgeen is vermeld onder 6, concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep inzake de naheffingsaanslag, een teruggaaf van € 33 (12% van € 276) en vergoeding van heffingsrente over dat bedrag.

10.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

De naheffingsaanslag

11.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 juni 2013, nr. 12/00400, LJN BY1258, het volgende overwogen:

“4.5. Uit de hiervoor in 4.3 en 4.4 beschreven systematiek – in het bijzonder het voorschrift dat de aangifte gepaard moet gaan met het betalen van het verschuldigde bedrag aan BPM – vloeit voort dat de BPM voor de registratie van een voertuig wordt verschuldigd bij het doen van de aangifte en het gelijktijdig daarmee betalen van het aangegeven bedrag. Daardoor is sprake van ‘belasting die op aangifte behoort te worden voldaan’ in de zin van artikel 20, lid 1, AWR. Daaraan doet niet af dat het belastbare feit (de registratie) waarop de aangifte ziet, zich eerst nadien voordoet.

Dit brengt mee dat, ingeval met het oog op het in artikel 1, lid 2, van de Wet BPM omschreven belastbare feit (registratie in het kentekenregister) aangifte is gedaan en het bedrag van de aangifte is voldaan, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan naheffen voor zover het bedrag dat is betaald minder is dan het bedrag dat behoorde te zijn betaald, ook reeds voordat de registratie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daaraan doet niet af dat, zoals in dit geval, de belanghebbende het bedrag van de aangifte niet daadwerkelijk bij het doen van de aangifte heeft betaald, maar met toestemming van de belastingdienst op een later tijdstip”.

Het standpunt van eiser dat verweerder de naheffingsaanslag niet heeft mogen opleggen treft, gezien dit arrest, geen doel.

12.

Wel is de aanslag op een te hoog bedrag vastgesteld en is, gezien de verklaring van verweerder aangehaald onder 6, ten onrechte bij de uitspraak op bezwaar feitelijk geen teruggaaf verleend. Het beroep dient daarom in zoverre gegrond te worden verklaard en de teruggaaf moet worden vastgesteld op € 33. Eiser heeft geen gronden aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat een hogere teruggaaf moet worden verleend.

De verschuldigde belasting

13.

Eiser heeft voor wat betreft het bedrag dat op de aangifte is vermeld en betaald in bezwaar verzocht om een teruggaaf van € 749. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar een bedrag van € 980 teruggegeven zodat geheel aan het bezwaar is tegemoet gekomen. Gesteld noch gebleken is dat ter zake van de voldoening op aangifte een hogere teruggaaf had moeten worden verleend.

Heffingsrente

14.

Volgens artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel d, sub 2º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt bij een teruggaaf van Bpm heffingsrente vergoed over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van dagtekening van het afschrift van de uitspraak waaruit de teruggaaf blijkt. Gesteld noch gebleken is dat verweerder ter zake van de teruggaaf van € 980 een lager bedrag aan heffingsrente heeft vergoed dan op grond van deze wettelijke bepaling verschuldigd is.

Wel dient verweerder nog heffingsrente te vergoeden over de teruggaaf van € 33 vermeld onder 12.

Kostenvergoeding in bezwaar

15.

Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is grond indien verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).

16.

Uit het onder 11 aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt dat verweerder de naheffingsaanslag heeft kunnen en mogen opleggen, zodat geen sprake is van een beschikking die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012 is van later datum dan de naheffingsaanslag, zodat verweerder daarmee bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen rekening heeft kunnen houden. Dat verweerder ondanks de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag heeft verzuimd daadwerkelijk een teruggaaf te verlenen, leidt niet tot een ander oordeel omdat de rechtbank aannemelijk acht dat de teruggaaf per abuis achterwege is gebleven. In de beslissing op bezwaar staat immers met zoveel woorden vermeld dat aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen en er wordt in verband daarmee een kostenvergoeding toegekend.

Voor wat betreft de voldoening op aangifte geldt dat deze plaatsvindt op initiatief van de belanghebbende en dat daarbij geen sprake is van een besluit door verweerder. De stelling van eiser dat verweerder de werkelijke kosten van het bezwaar dient te vergoeden, treft daarom geen doel.

17.

Verweerder heeft in beide uitspraken op bezwaar een kostenvergoeding toegekend van € 54,50, dus in totaal een bedrag van € 109. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gemachtigde diverse identieke of nagenoeg identieke bezwaarschriften heeft ingediend die moeten worden aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat sprake is van samenhangende bezwaarschriften. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, nr. 10/00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415. Strikte toepassing van artikel 3 van het Besluit en de bij het Besluit behorende bijlage leidt echter, gezien de grote hoeveelheid samenhangende bezwaarschriften, tot een zodanig lage vergoeding per bezwaarschrift dat daarmee geen recht wordt gedaan aan doel en strekking van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft daarom met de toekenning van een kostenvergoeding van in totaal € 109 deze vergoeding niet op een te laag bedrag vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat in het voorliggende geval slechts één bezwaarschrift is ingediend.

18.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep inzake de naheffingsaanslag gegrond te worden verklaard en het beroep inzake de voldoening op aangifte ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten beroep

19.

Nu het beroep inzake de naheffingsaanslag gegrond is verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van het beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de werkelijke kosten van het beroep. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder met de uitspraak op bezwaar bedoeld een teruggaaf te verlenen en is die teruggaaf slechts per abuis achterwege gebleven. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat in het beroepschrift hierover in het geheel geen gronden zijn opgenomen en de omissie eerst ter zitting door de rechtbank aan de orde is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is in ieder geval voor wat betreft de op deze zitting behandelde zaken sprake van samenhang als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Een strikte toepassing van het Besluit en de daarbij behorende bijlage zou echter in een zodanig lage proceskostenvergoeding resulteren dat geen recht wordt gedaan aan doel en strekking van artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor beroep daarom met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit vast op € 300.

Schadevergoeding

20.

Eiser heeft in zijn pleitnota aangevoerd dat het Europese recht meebrengt dat verweerder de schade moet vergoeden die ontstaat door met het Europese recht strijdige regelgeving. Andere schade dan de proceskosten heeft eiser daarbij niet vermeld. Aangezien de vergoeding van proceskosten uitputtend en exclusief is geregeld in artikel 8:75 van de Awb wordt aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb niet toegekomen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

Immateriële schadevergoeding

21.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, beslist dat ook in belastingzaken een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

22.

In het onderhavige geval heeft verweerder het (pro forma) bezwaarschrift ontvangen op 7 februari 2011. Tussen 7 februari 2011 en heden, 7 augustus 2013, is een periode van twee en een half jaar verstreken zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met 6 maanden welke geheel moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank dient een termijn van ongeveer drie en een halve maand aan eiser te worden toegerekend, zodat aanleiding is een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen van € 500 (€ 500 per overschrijding van een half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond). De rechtbank heeft daartoe het volgende in overweging genomen.

23.

De termijn die eiser heeft genomen voor de motivering van het bezwaar en het beroep dient voor rekening van eiser te blijven. Eiser heeft het bezwaar op 9 maart 2011, dus 1 maand en 2 dagen na indiening daarvan, gemotiveerd. Het pro forma beroepschrift is ingediend op 31 juli 2012 en op 25 augustus 2012, dus 25 dagen later, gemotiveerd. In totaal dient daarom in ieder geval een termijn van ruim twee maanden voor rekening van eiser te blijven. Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat de gemachtigde met verweerder op 17 februari 2012 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarin onder meer het volgende vermeld:

"Netcar, en alle belanghebbenden die op aangifte of op naheffingsaanslag bpm hebben betaald en die via Netcar partij zijn bij deze vaststellingsovereenkomst (voor alle namen (…), wordt verwezen naar de bijlage),

(...)

De nadere uitwerking van deze overeenkomst vindt plaats in de bijlage. Daarom wordt deze overeenkomst gesloten onder de ontbindende voorwaarde dat partijen uiterlijk 1 april 2012 elkaar over en weer duidelijkheid hebben verschaft over de elementen in die bijlage, zoals de namen en adressen van de klanten, de bezwaar- en beroepsprocedures en de bpm-bedragen in geschil. Daartoe dient deze bijlage uiterlijk 1 april 2012 door beide partijen voor akkoord ondertekend te zijn."

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de gemachtigde na 17 februari 2012 heeft geïnventariseerd welke klanten daadwerkelijk akkoord zouden gaan met de overeenkomst en dat die inventarisatie heeft geduurd tot 25 mei 2012. De gemachtigde heeft dus de gehele termijn die in de vaststellingsovereenkomst is afgesproken, te weten de periode tussen 17 februari 2012 en 1 april 2012, gebruikt. Ook deze periode van ruim zes weken dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiser te komen.

Beslissing

Rechtsmiddel