Home

Rechtbank Gelderland, 22-12-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:7823, AWB - 14 _ 5229

Rechtbank Gelderland, 22-12-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:7823, AWB - 14 _ 5229

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22 december 2015
Datum publicatie
28 december 2015
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2015:7823
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5229

Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/5229

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikkingen krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [A-straat 1] (1e, 2e en 3e verdieping) en [A-straat 2] , [A-straat 3] en [A-straat 4] , te [Q] , per waardepeildatum 1 januari 2012, vastgesteld voor het kalenderjaar 2013. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelasting bekend gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2014 de waarden en de daarop gebaseerde aanslagen verminderd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar tevens een kostenvergoeding van € 423 toegekend aan eiseres.

Eiseres heeft tegen de beslissing inzake de toegekende kostenvergoeding bij brief van 31 juli 2014, ontvangen door de rechtbank op 1 augustus 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaken. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde. In de bezwaarfase heeft op 22 mei 2014 een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens deze hoorzitting zijn in totaal 262 objecten (vermeld op 17 aanslagbiljetten) besproken, waaronder onderhavige objecten. De hoorzitting duurde 60 minuten. De gemachtigde van eiseres was tevens de gemachtigde in de andere zaken. De gemachtigde heeft zich op de hoorzitting laten bijstaan door een taxateur. Van 74 objecten, waaronder de objecten van eiseres, verdeeld over 13 aanslagbiljetten, is de WOZ-waarde verlaagd.

2. Verweerder heeft aan eiseres een kostenvergoeding toegekend van € 423. Dit bedrag bestaat uit € 243 voor het indienen van het bezwaarschrift en € 180 voor het bijwonen van de hoorzitting (berekend op basis van een vergoeding van € 30 per gegrond object).

Geschil

3. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder de kostenvergoeding met betrekking tot de hoorzitting tot een juist bedrag heeft vastgesteld. Eiseres stelt dat de vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting moet worden vastgesteld op € 243. Verweerder vindt een bedrag van € 30 per gegrond object redelijk. Daarnaast is in geschil of verweerder terecht geen deskundigenvergoeding voor het verschijnen van de taxateur van gemachtigde ter hoorzitting heeft verstrekt.

Beoordeling van het geschil

Algemeen

4. Artikel 1, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) bepaalt - voor zover hier van belang - dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij de hoogte aan de hand van de bijlage bij het Bpb wordt vastgesteld. Artikel 2, derde lid, van het Bpb bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is opgenomen dat samenhangende zaken voor de toepassing van het Bpb als één zaak moeten worden beschouwd.

Aantal (samenhangende) zaken

5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013: LJN BZ6822) geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en het Bpb sprake is van één bezwaar, indien het bezwaar is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. De omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft, kan wel een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak. Gelet hierop zijn ter hoorzitting 17 zaken behandeld, waarvan er 13 (waaronder de zaak van eiseres) gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Voor de beoordeling van het geschil moet daarom van 13 gelijktijdig behandelde zaken worden uitgegaan.

6. Vervolgens moet worden beoordeeld of de 13 zaken op grond van de samenhangregeling van het tweede lid van artikel 3 van het Bpb in afwijking van voornoemd uitgangspunt als één zaak moeten worden beschouwd. Hierbij is van belang dat op 1 januari 2015 de samenhangregeling is gewijzigd (verruimd) en dat met ingang van die datum de in het Bpb opgenomen tarieven zijn gewijzigd. Voor de vraag of de in 2014 of 2015 geldende tekst van het Bpb van toepassing is, is het overgangsrecht bij de wijziging van het Bpb van belang. Het overgangsrecht van de nieuwe samenhangregeling is opgenomen in artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014, Staatsblad 2014, 411). Dit artikel luidt:

“Het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat luidde voor 1 januari 2015 blijft van toepassing op een voor die datum bekendgemaakte beslissing op een bezwaar of administratief beroep en op een voor die datum bekendgemaakte uitspraak van een bestuursrechter. In afwijking van de eerste volzin geldt het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals het ingevolge dit besluit is komen te luiden indien de bestuursrechter een beslissing op bezwaar of administratief beroep of een uitspraak van een bestuursrechter vernietigt en daarbij een partij veroordeelt in de kosten van bezwaar, administratief beroep of beroep bij de bestuursrechter waarop vóór 1 januari 2015 is beslist of uitspraak is gedaan”

7. Gelet op het overgangsrecht is de nieuwe samenhangregeling en zijn de nieuwe tarieven in de onderhavige zaak uitsluitend van toepassing indien de rechtbank de beslissing van verweerder vernietigt en hem daarbij veroordeelt in de kosten die eiseres heeft gemaakt.

8. De rechtbank is van oordeel dat de 13 ter hoorzitting behandelde zaken niet als samenhangende zaken in de zin van het Bpb, zoals dat vanaf 1 januari 2015 luidt, kunnen worden aangemerkt. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat het in bezwaar ging om in totaal 262 niet vergelijkbare objecten (zowel woningen als andere objecten) met verschillende kenmerken als ligging, bouw en onderhoudstoestand, waarvoor telkens een individuele beoordeling nodig was. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat sprake is van zaken waarvoor de door de rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn.

Matiging wegens bijzondere omstandigheden

9. Uit de nota van toelichting bij het Bpb volgt dat artikel 2, derde lid, van het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. In die gevallen kan een bestuursorgaan of de rechter de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen. Daarbij mag geen afbreuk worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten, aldus de toelichting. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast (in dezelfde zin het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415).

10. De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraken van 4 juni 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:2676 en ECLI:NL:GHAMS:2015:2678) heeft beslist dat in geval tijdens een hoorzitting 15 objecten worden besproken geen aanleiding bestaat de in het Bpb opgenomen vergoedingen te matigen. Op 12 juni 2015 bevestigde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:1539) de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 23 oktober 2014(ECLI:NL:GHAMS:2014:4775) dat in geval tijdens een hoorzitting 164 objecten worden besproken wel aanleiding bestaat de vergoeding te matigen tot € 30 per gegrond bezwaar. In zijn uitspraak van 14 juli 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3073) besliste het gerechtshof Amsterdam dat in een situatie van 25 ter hoorzitting behandelde en gegrond verklaarde bezwaarschriften geen aanleiding was van de forfaitaire bedragen af te wijken. In zijn uitspraak van 4 augustus 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3761) oordeelde dit gerechtshof dat in een geval van 81 gelijktijdig behandelde en gegrond verklaarde zaken wel aanleiding was de vergoeding voor de hoorzitting tot € 30 per zaak te beperken. Tevens wijst de rechtbank op de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2794) en 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2990), waarbij in zaken betreffende de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen werd beslist dat het vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem in die zaken zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.

11. Volgens verweerder is sprake van bijzondere omstandigheden die beperking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Verweerder wijst erop dat de hoorzitting 60 minuten heeft geduurd, dat 262 WOZ-objecten zijn besproken en dat van 74 objecten, waaronder het object van eiseres, de waarde is verlaagd. Vergoeding volgens de forfaitaire regels pakt volgens verweerder onrechtvaardig uit en om die reden heeft verweerder een vergoeding van € 30 per gegrond object voor de hoorzitting redelijk geacht. Verweerder is er bij de vaststelling van het bedrag per object ervan uitgegaan dat de voorbereidingstijd voor de hoorzitting gemiddeld genomen 15 tot 20 minuten per zaak/bezwaar heeft geduurd. Eiseres heeft aangevoerd dat voor afwijking van de bedragen van het Bpb geen aanleiding is omdat sprake is geweest van de bespreking met verweerder van 262 niet vergelijkbare objecten met verschillende kenmerken als ligging, bouw en onderhoudstoestand. Voor al deze objecten heeft eiseres de hoorzitting moeten voorbereiden. Sinds 2014 verzendt verweerder voor aanvang van de hoorzitting geen concept van de voorgenomen uitspraak op bezwaar meer, zodat de standpunten van verweerder vooraf niet bekend zijn. Daarnaast heeft eiseres erop gewezen dat de korte tijd voor de hoorzitting wordt veroorzaakt doordat de gemeente strakke regie voert. Volgens eiseres hoort de betreffende ambtenaar slechts aan wat door de gemachtigde wordt aangevoerd maar vindt er geen volwaardige uitwisseling van standpunten plaats. Van de hoorzitting worden door verweerder geluidsopnamen gemaakt welke door verweerder (mede) worden gebruikt ten behoeve van de uitspraak op bezwaar.

12. De rechtbank overweegt dat uit de omstandigheid dat naar aanleiding van de behandeling van de bezwaarschriften uiteindelijk 13 zaken gegrond zijn verklaard, voortvloeit dat verweerder op grond van de forfaitaire regeling van het Bpb voor de behandeling ter hoorzitting in beginsel in totaal een vergoeding van € 3.172 (13 zaken x 1 punt x € 244) is verschuldigd. Hiervan is € 244 aan de onderhavige zaak toe te rekenen. Gelet op de omstandigheid dat de wetgever bewust een forfaitaire regeling heeft getroffen waarin ten aanzien van de hoorzitting geen differentiatie naar de daarmee gemoeide tijd is opgenomen (ook niet bij de wijziging per 1 januari 2015), dat afwijkingen van het forfait volgens de wetgever terughoudend moeten worden toegepast en de hiervoor genoemde jurisprudentie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat een vergoeding volgens het forfait van € 3.172 voor de 13 zaken gezamenlijk in het onderhavige geval leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat de gezamenlijke behandeling van meerdere zaken ter hoorzitting weliswaar enerzijds voor de gemachtigde een besparing van reistijd oplevert en dat de hoorzitting slechts zeer kort heeft geduurd, maar anderzijds dat die korte tijdsduur door de strakke regie van verweerder wordt veroorzaakt. Daarnaast ging het bij die hoorzitting om verschillende objecten met ieder zijn eigen kenmerken en is aannemelijk dat de gemachtigde zich voor iedere zaak en ieder object afzonderlijk op de hoorzitting heeft moeten voorbereiden. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte de vergoeding voor de hoorzitting beperkt tot € 180. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat onderhavige zaak als zwaar moet worden aangemerkt. Weliswaar is sprake van een uitspraak op bezwaar ten aanzien van zes objecten, maar dit gegeven is in onderhavige zaak op zichzelf bezien en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat van de gemiddelde wegingsfactor moet worden afgeweken. De rechtbank stelt de vergoeding voor de hoorzitting derhalve op basis van de thans geldende tarieven van het Bpb vast op € 244 (1 punt, wegingsfactor 1).

Kostenvergoeding bijwonen hoorzitting door taxateur

13. In beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij uitspraak van deze rechtbank van 29 januari 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:464) betreffende een zaak van dezelfde gemachtigde reeds € 90,75 inclusief 21% btw is toegekend als vergoeding voor het bijwonen van de gehele hoorzitting van 22 mei 2014 door dezelfde taxateur en dat hierom een kostenvergoeding voor de taxateur in onderhavige zaak niet op zijn plaats is. Gelet op hetgeen in de hiervoor genoemde uitspraak is overwogen, acht de rechtbank de reeds toegekende vergoeding van € 90,75 toereikend en ziet de rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van dit punt af te wijken van de hiervoor genoemde uitspraak. Het beroep van eiser op een nadere deskundigenvergoeding faalt dan ook.

Conclusie

14. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Eiseres heeft recht op een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van € 488 (bezwaarschrift € 244, hoorzitting € 244), zodat aan hem na aftrek van het reeds door verweerder toegekende bedrag van € 423 nog een bedrag van € 65 toekomt.

Kostenvergoeding beroep

15. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 490 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 490, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting en een wegingsfactor 0,5 nu het geschil in beroep slechts de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar betreft). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding in bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in bezwaar ten bedrage van € 488;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 490;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr.drs O.D. Heitling. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 december 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.