Home

Rechtbank Gelderland, 31-12-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8112, AWB - 15 _ 620,15_621

Rechtbank Gelderland, 31-12-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8112, AWB - 15 _ 620,15_621

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31 december 2015
Datum publicatie
31 december 2015
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2015:8112
Zaaknummer
AWB - 15 _ 620,15_621

Inhoudsindicatie

Artikel 3 Wet belasting zware motorrijtuigen (BZM). Uitsluitend bestemd voor goederenvervoer over de weg. Algemene bestemming vrachtauto met zandstraalinstallatie.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/620 en AWB 15/621

in de zaken tussen

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratie, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 19 november 2014 de volgende naheffingsaanslagen belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM) en verzuimboeten opgelegd:

- Aanslagnummer [000] .Z.40001.8 een bedrag aan naheffing van € 8 en een verzuimboete van € 246;

- Aanslagnummer [000] .Z.40002.8 een bedrag aan naheffing van € 8 en een verzuimboete van € 246.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 januari 2015 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 30 januari 2015, ontvangen door de rechtbank op 2 februari 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Namens eiseres zijn verschenen [gemachtigde] en [A] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 26 augustus 2014 en 27 augustus 2014 is tijdens controles geconstateerd dat met het motorrijtuig met kenteken [AA-BB-11] (hierna: de vrachtauto), van welke vrachtauto eiseres op dat moment volgens de kentekenregistratie houder was, in Nederland gebruik is gemaakt van de autosnelweg. Eiseres heeft vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg geen BZM op aangifte voldaan.

2. Aan eiseres zijn in 2014 onder meer de onder het procesverloop genoemde naheffingsaanslagen BZM met verzuimboeten opgelegd.

3. Eiseres drijft een onderneming die is gespecialiseerd in het zandstralen van objecten. De vrachtauto is oorspronkelijk gebouwd om goederen in te vervoeren. In de laadruimte van de vrachtauto is een zandstraalinstallatie bevestigd. Die installatie bestaat uit straalketels, een compressor en ruimte om slangen op te rollen. Om te kunnen zandstralen, worden per opdracht (meestal) vier zakken met grit meegenomen. Dat grit wordt gebruikt als straalmiddel. Na het zandstralen worden de lege zakken gebruikt om het vervuilde grit af te voeren. De vier zakken met grit nemen ongeveer 4,5 m² van de laadruimte in beslag.

Geschil

4. In geschil is het antwoord op de vraag of de vrachtauto een zwaar motorrijtuig is als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: Wet BZM). Het geschil spitst zich toe op de vraag of het motorrijtuig uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg.

Beoordeling van het geschil

5. Artikel 2 van de Wet BZM bepaalt het volgende:

“Het gemeenschappelijke gebruiksrecht, bedoeld in het in artikel 1 genoemde verdrag, wordt in Nederland onder de naam "belasting zware motorrijtuigen" geheven ter zake van het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig.”

6. Artikel 3 van de Wet BZM, voor zover thans van belang, bepaalt het volgende:

“In deze wet en in de daarop berustende regelingen wordt verstaan onder:

a. zwaar motorrijtuig: een motorrijtuig als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg, waarvan de toegestane maximum massa 12 000 kilogram of meer bedraagt dan wel waarvan de toegestane maximum massa vermeerderd met de toegestane maximum massa van het voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, dat door dat motorrijtuig wordt voortbewogen, 12 000 kilogram of meer bedraagt;”

7. In het arrest Pfennigmann heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest van 28 oktober 1999, C-193/98, Jurispr. blz. I-7747) zich uitgelaten over het begrip 'uitsluitend bestemd voor goederenvervoer' in Richtlijn 93/89/EEG, Pb. 1993, L 279. Uit dit arrest moet worden opgemaakt dat die richtlijn het oog heeft op voertuigen die, gelet op hun kenmerkende eigenschappen, bestemd zijn om regelmatig en duurzaam, en niet slechts af en toe, aan de mededinging op het gebied van het vervoer deel te nemen. Daarbij wordt de algemene bestemming van het voertuig in aanmerking genomen, ongeacht het gebruik dat er in een bepaald geval van kan worden gemaakt.

8. Het begrip “uitsluitend bestemd voor goederenvervoer” dient dan ook te worden uitgelegd aan de hand van de kenmerkende eigenschappen (de bouw en inrichting) van de vrachtauto en niet aan de hand van het specifiek gebruik van de vrachtauto door eiseres (vgl. Hoge Raad 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0249). De kenmerkende eigenschappen van de vrachtauto bepalen of deze is bestemd om regelmatig en duurzaam deel te nemen aan de mededinging van het goederenvervoer.

9. De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken het volgende vast. De vrachtauto is oorspronkelijk niet specifiek gebouwd voor het uitvoeren van zandstraalwerkzaamheden.

De laadruimte van de vrachtauto is echter nagenoeg uitsluitend ingericht met een zandstraalinstallatie. Deze installatie is op een zodanige manier bevestigd dat die niet gemakkelijk is te verwijderen om de vrachtauto voor andere doeleinden te kunnen gebruiken. Het gebruik van de vrachtauto is beperkt tot het uitvoeren van zandstraalwerkzaamheden. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden per opdracht (meestal) vier zakken met grit in de vrachtauto vervoerd. Deze zakken met grit nemen ongeveer 4,5 m² van de laadruimte in beslag. Uit deze informatie concludeert de rechtbank dat de bouw en inrichting van de vrachtauto niet is afgestemd op het regelmatig en duurzaam deelnemen aan het goederenvervoer. Het vervoer van de zakken met grit is daarbij, gezien de hoeveelheid zakken die per opdracht worden meegenomen, een nevenfunctie waarvoor de vrachtauto wordt gebruikt. Het vervoer van de zandstraalinstallatie zelf merkt de rechtbank niet als goederenvervoer aan omdat de installatie niet eenvoudig uit de vrachtauto te verwijderen is en voor het stralen niet uit de vrachtauto wordt gehaald. De algemene bestemming van de vrachtauto is gericht op het gebruik ten behoeve van het zandstralen. Gelet hierop is de vrachtauto niet te kwalificeren als zwaar motorrijtuig in de zin van de Wet BZM.

10. Nu de vrachtauto geen zwaar motorrijtuig is als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a, van de Wet BZM, dienen ook de verzuimboeten te worden vernietigd.

11. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen BZM van 19 november 2014;

- vernietigt de verzuimboeten van 19 november 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 31 december 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.