Home

Rechtbank Noord-Nederland, 29-04-2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2308, AWB-12_2488

Rechtbank Noord-Nederland, 29-04-2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2308, AWB-12_2488

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29 april 2014
Datum publicatie
23 juli 2014
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2014:2308
Zaaknummer
AWB-12_2488

Inhoudsindicatie

Deel opbrengst van de OZB mag besteed worden aan het ondernemersfonds.

Uitspraak

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB LEE 12/2488

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Meppel, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2012 heeft verweerder aan eiser voor de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2012 aanslagen onroerende-zaakbelastingen (OZB) niet-woningen, ter zake van zowel de eigendom als het gebruik van de onroerende zaak opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser

ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door [bijstand]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Overwegingen

Feiten

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak, die door hem in het kader van

zijn onderneming wordt aangewend.

1.2

Op 15 december 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meppel een

wijzigingsverordening Onroerende zaakbelastingen (Verordening) vastgesteld. Hierin zijn onder meer de tarieven voor de OZB 2012 opgenomen.

1.3

De aan eiser opgelegde aanslagen onroerende zaakbelastingen niet-woningen zien op het gebruikersdeel en het eigenarendeel en zijn gebaseerd op een heffingsgrondslag van

€ 574.000 en behelzen een totaalbedrag van € 1.868,68.

1.4

In het tarief voor eigenaren en gebruikers van niet-woningen is een opslag begrepen, waarvan de opbrengst is bestemd voor het ondernemersfonds beheerd door de Stichting Ondernemersfonds Meppel. De gelden worden vanuit het ondernemersfonds aangewend voor algemene doelen in het belang van alle inwoners van de gemeente, zoals de aanleg van glasvezel en de organisatie van sinterklaasvieringen en daarnaast specifiek voor doeleinden in het belang van ondernemers.

Geschil en beoordeling

2.

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslagen OZB tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de verhogingen van de in de Verordening opgenomen tarieven voor niet-woningen, voor zover deze betrekking hebben op de financiering van het ondernemersfonds, rechtens toelaatbaar zijn. De waarde van de onroerende zaak is niet in geschil.

3.

Eiser is van mening dat het gedeelte van de in de Verordening opgenomen OZB tarieven voor niet-woningen dat ziet op de financiering van het ondernemersfonds leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Eiser is van mening dat de wijze waarop het tarief is vastgesteld leidt tot discriminatie tussen ondernemers. Zo is het volgens eiser onrechtmatig dat niet wordt geheven van alle ondernemers binnen de gemeente. Ondernemers die geen eigenaar zijn van een niet-woning en evenmin een niet-woning huren en hun onderneming vanuit hun woonhuis uitoefenen, worden niet betrokken in de extra heffing ten behoeve van het ondernemersfonds. Daarnaast betalen ondernemers die een duurdere niet-woning bezitten of gebruiken relatief gezien meer aan het ondernemersfonds, dan zij die een minder duur pand bezitten of gebruiken. Ten slotte stelt eiser dat in andere gemeenten die gebruik maken van een vergelijkbare constructie, het tarief voor de verhoging ten behoeve van het ondernemersfonds lager is.

4.

Verweerder heeft aangevoerd dat de OZB wordt geheven over de waarde van een woning of niet-woning en volgt eisers stelling dat de aanslagen onrechtmatig zouden zijn niet. Volgens verweerder is de gemeente vrij in de vaststelling van de tarieven van de OZB en de wijze van aanwending van de belastingopbrengst.

5.

Op grond van artikel 220 van de Gemeentewet kunnen ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken OZB worden geheven. Er kan een belasting worden geheven, van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken. Tevens kan een belasting worden geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit, of beperkt recht. In artikel 220f van de Gemeentewet is bepaald dat de OZB een percentage bedraagt van de heffingsmaatstaf. Krachtens artikel 219 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

5.1

De rechtbank overweegt dat de tariefstelling een zelfstandige bevoegdheid is van de gemeenteraad. De belastingrechter is niet bevoegd om over de tarieven te oordelen, tenzij deze leiden tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, dan wel een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De tarieven van de OZB zijn vastgesteld met inachtneming van de bij 5. genoemde wettelijke bepalingen en de aanslag is in overeenstemming met de tarieven opgelegd.

5.2

Ook is de rechtbank van oordeel dat de verhoging van de tarieven niet in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat moet worden geconcludeerd dat de Verordening (in zoverre) niet onverbindend is en wijst daarbij op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2013, nr. 12/00361, ECLI:NL:GHARL:2013:7497. De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat door eiser de hoogte van het tarief als zodanig niet wordt bestreden, maar dat de grieven van eiser zien op de voeding van het ondernemersfonds vanuit de opbrengst van de OZB.

5.3

De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van discriminatie van ondernemers zoals eiser stelt, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Onderscheid wordt immers gemaakt tussen ondernemers die in en vanuit een niet-woning hun onderneming drijven en ondernemers die vanuit een woning hun onderneming drijven. Ook betreft het onderscheid de waarde van de niet-woning. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ongelijke gevallen die ongelijk worden behandeld naar de mate waarin zij verschillen. Verder overweegt de rechtbank dat op fiscaal gebied aan de (gemeentelijke) wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (HR 8 juli 2005, nr. 39.870, ECLI:NL:HR:2005:AQ7212 en HR 18 december 2009, nr. 44.021, ECLI:NL:HR:2009:BC5874). Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1212, blijkt dat slechts tot onverbindendheid van (belasting)wetgeving kan worden geconcludeerd als de keuze van de wetgever voor een bepaalde wijze van belastingheffing evident van redelijke grond is ontbloot. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeentelijke wetgever zonder overschrijding van de hiervoor bedoelde ruime beoordelingsvrijheid kunnen besluiten om bij de heffing van OZB voor de maatstaf van heffing aan te sluiten bij (de waarde van) een eigen en/of gehuurde niet-woning. De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat door eiser niet is gesteld, laat staan aannemelijk is gemaakt, dat de maatstaf van heffing in de Verordening evident van een redelijke grond is ontbloot. De beroepsgrond van eiser ziet, gelet ook op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen bij 5.2, op de besteding van de belastingopbrengsten van de OZB en niet op de hoogte van het tarief als zodanig.

5.4

Voor wat betreft de besteding van de opbrengsten is de rechtbank van oordeel dat de gemeente de belastingopbrengst van een in een bepaald gebied geheven (algemene) belasting binnen dat gebied mag aanwenden ter bekostiging van bepaalde doelen. De wijze waarop deze aanwending wordt vormgegeven, mag de gemeente zelf bepalen, de algemene middelen zijn vrij te besteden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de vastgestelde feiten dat de gemeente Meppel met de verhoging van de OZB tarieven louter een faciliterende rol ten behoeve van de door het ondernemersfonds na te streven doelen heeft willen vervullen. Door, op de wijze zoals hier is geschied, (vooraf) te bepalen dat de opbrengst van de verhoging van de OZB tarieven voor niet-woningen, naar het ondernemersfonds zal gaan, dringt de vraag zich op of de door de formele wetgever in artikel 220 van de Gemeentewet aan de gemeenteraad gegeven bevoegdheid zo ver reikt dat een gemeente weliswaar in formele zin belasting heft maar in wezen slechts als kassier optreedt van een private partij om louter in de financieringsbehoefte van die partij te voorzien. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven, aangezien de gemeente Meppel naar het oordeel van de rechtbank niet louter als kassier van het ondernemersfonds heeft gefungeerd. Het ondernemersfonds heeft immers uit haar middelen niet alleen de gemeenschappelijke belangen van de ondernemers gediend, maar ook de algemene belangen met de financiering van onder meer de sinterklaasintocht en de aanleg van glasvezel (zie Gerechtshof Leeuwarden van 15 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:

731). De rechtbank is evenmin gebleken dat de verhoging van de tarieven in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat moet worden geconcludeerd dat de Verordening (in zoverre) niet onverbindend is en trekt hierbij een vergelijking met de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2013. In deze uitspraak is bepaald dat een hoge tariefstijging van de OZB (in dat geval betrof het een stijging van 45%) niet leidt tot onverbindendheid van de onderliggende verordening.

5.5

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepsgronden van eiser falen.

6.

Het beroep is ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel