Home

Rechtbank 's-Gravenhage, 08-11-2011, BU5605, 11/2884

Rechtbank 's-Gravenhage, 08-11-2011, BU5605, 11/2884

Gegevens

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
8 november 2011
Datum publicatie
24 november 2011
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5605
Zaaknummer
11/2884

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft op grond van rechterlijke beslissingen een extra schadevergoeding van zijn voormalige werkgever gekregen, omdat zijn voormalige werkgever tekort is geschoten in haar reïntegratieverplichting jegens belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat ook deze extra schadevergoeding belast loon is. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het verband tussen de vergoeding en de dienstbetrekking zodanig ver is verwijderd dat deze vergoeding niet als loon kan worden aangemerkt.

Advocaatkosten zijn niet aftrekbaar onder de Wet IB 2001.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/2884

Uitspraakdatum: 8 november 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Terneuzen,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 december 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.388 (aanslagnummer [nummer]H.76).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [belastingadviesbureau] te Terneuzen, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.1.Belanghebbende was [X] bij de [werkgever] In december 1991 is belanghebbende volledig arbeidsongeschikt geworden ten gevolge van rugklachten.

2.1.2.Bij beslissingen van respectievelijk 24 maart 1994 en 28 september 1995 zijn twee verzoeken van [werkgever] om een ontslagvergunning geweigerd op de grond dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er binnen de organisatie van [werkgever] geen herplaatsingsmogelijkheden voor belanghebbende waren.

2.1.3.Bij beschikking van 15 oktober 1997 heeft de kantonrechter te Terneuzen op verzoek van [werkgever] de arbeidsovereenkomst per 31 oktober 1997 onder toekenning van een vergoeding van ƒ 113.000 bruto ontbonden. De kantonrechter heeft daarbij in haar beschikking overwogen dat [werkgever] was tekortgeschoten in haar inspanningsverplichting tot reïntegratie van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vergoeding in 1997 ontvangen en heeft dit bedrag (verhoogd met een aantal andere componenten) in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1997 als belast loon vermeld.

2.1.4.Vervolgens is belanghebbende gaan procederen voor een extra schadevergoeding. Blijkens de stukken heeft belanghebbende daartoe op 24 april 1998 een vordering bij de [werkgever] ingesteld. Deze vordering strekt ertoe [werkgever] te veroordelen aan hem te betalen het loon over de periode van 1 januari 1994 tot 30 oktober 1997. Belanghebbende heeft tot aan de Hoge Raad doorgeprocedeerd.

2.1.5.In zijn arrest van 1 maart 2002 heeft de Hoge Raad vervolgens voor zover hier van belang als volgt beslist:

“3.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst brengt mee dat in de regeling betreffende de ontbindingen van de arbeidsovereenkomst zoals neergelegd in art. 7:685 BW het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid (of zoals in onderhavige procedure, aan hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten) in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van art. 7:685 met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (…).

Deze vergoeding betreft niet aanspraken van de werknemer die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking en betrekking hebben op de periode vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die geen verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden en toekenning van een vergoeding naar billijkheid gerechtvaardigd zijn. In een zodanig geval kan de rechter bij de beoordeling van de vordering onderscheidenlijk het verzoek rekening houden met het in de andere procedure toegekende bedrag (…).

3.5. Het in 3.4 overwogene leidt tot de slotsom dat het middel gegrond is. Aan de ontvankelijkheid van de onderhavige op de art. 7:628 en 611 BW gebaseerde loonvordering die betrekking heeft op de periode van 1 januari 1994 tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 30 oktober 1997 en die erop gegrond is dat [werkgever] zich jegens [belanghebbende] niet als een goed werkgever heeft gedragen door niet te voldoen aan haar inspanningsverplichting tot reïntegratie van [belanghebbende], staat niet in de weg dat de kantonrechter bij de bepaling van de vergoeding als bedoeld in art. 7:685 lid 8 eveneens rekening heeft gehouden met voormelde tekortkoming van [werkgever]. Daarbij verdient nog opmerking dat er geen grond is te veronderstellen dat de kantonrechter bij het bepalen van de ontbindingsvergoeding rekening heeft gehouden met de aanspraak die [belanghebbende] in het onderhavige geding geldend wenst te maken.”

De zaak is vervolgens verwezen naar Gerechtshof te ’s-Gravenhage.

2.1.6.Op 13 mei 2005 heeft het Gerechtshof uitspraak gedaan en als volgt beslist:

“6.7. Nu [werkgever] niet heeft voldaan aan haar verplichting tot reïntegratie van [belanghebbende] en ervan moet worden uitgegaan dat, wanneer zij dat wel zou hebben gedaan, voor [belanghebbende] een functie zou zijn gevonden waarbij hij 70% van zijn loon als [X] zou kunnen verdienen, is [werkgever] verplicht hem 70% van dat loon door te betalen over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 oktober 1997. (…)

De beslissing

(…)

- veroordeelt [werkgever] aan [belanghebbende] te betalen 70% van het aan [belanghebbende] uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst toekomende bruto-loon, vermeerderd met alle volgens de CAO bijbehorende emolumenten en vakantiegeld, over de periode van 1 januari 1994 tot 30 oktober 1997, en voorts (telkens) te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 20% van dat brutobedrag, alsmede de wettelijke rente over het totaal verschuldigde (bruto)bedrag sedert 24 april 1998;

- veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [belanghebbende] voor de procedure bij het kantongerecht en de rechtbank bepaald tot aan 13 december 2000 op

€ 243,= aan verschotten en € 2.314,28 voor salaris en voor het hoger beroep bij het hof aan de zijde van [belanghebbende] tot aan deze uitspraak bepaald op € 65,18 aan verschotten, te betalen aan [belanghebbende] en op € 3.262,= aan salaris voor de procureur te betalen aan de griffier van dit hof die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv; (…).”

2.1.7.Partijen zijn in 2007 tot overeenstemming gekomen over het verschuldigde bedrag. Als bruto fiscaal loon is een bedrag van € 112.938 in de belastingheffing betrokken. [werkgever] heeft bij de uitbetaling een bedrag van € 58.728 aan loonheffing ingehouden.

2.1.8.Door het advocatenkantoor is bij nota van 31 juli 2007 een bedrag van € 11.550 exclusief omzetbelasting aan belanghebbende in rekening gebracht wegens verleende rechtsbijstand in verband met de vordering van de schadevergoeding bij [werkgever]. Vaststaat dat dit bedrag in 2007 ook daadwerkelijk aan het advocatenkantoor is betaald.

2.2.1.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de schadevergoeding van € 112.938 belast als loon uit dienstbetrekking?

2. Zijn de betaalde advocaatkosten (gedeeltelijk) aftrekbaar?

2.2.2.Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. Meer specifiek heeft belanghebbende gesteld dat bij wege van een compromis

€ 6.872 aan advocaatkosten aftrekbaar zou moeten zijn omdat een deel van die kosten ziet op werkzaamheden uitgevoerd vóór 2001. De inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan.

Belastbaarheid schadevergoeding

2.3.Op grond van artikel 3:81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964 bepaalt dat al het geen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, loon is. Deze ruime wettelijke omschrijving brengt mee dat in beginsel ieder voordeel waarvan de verstrekking met een dienstbetrekking voldoende verband houdt tot het loon behoort.

2.4.Gelet op de in 2.3 genoemde algemene regel vormt een schadevergoeding bij het einde van de dienstbetrekking loon. Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat zich voor hem met betrekking tot de tweede schadevergoeding een uitzondering op de algemene regel voordoet. Belanghebbende dient dan aannemelijk te maken dat het verband tussen de vergoeding en de dienstbetrekking zodanig ver is verwijderd dat deze vergoeding niet als loon kan worden aangemerkt.

2.5.Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat [werkgever] is veroordeeld tot het toekennen van een schadevergoeding op basis van een tekortkoming in haar inspanningsverplichting tot reïntegratie van belanghebbende. [werkgever] is veroordeeld wegens slecht werkgeverschap en heeft derhalve onrechtmatig jegens belanghebbende gehandeld. Het dienstverband is niet meer geweest dan een middel om te komen tot berekening van de schade.

2.6.De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende aldus dat de tweede schadevergoeding gekwalificeerd moet worden als een immateriële schadevergoeding. Van een immateriële schadevergoeding kan bijvoorbeeld sprake zijn bij kennelijk onredelijk ontslag, bij invaliditeit, bij gederfde levensvreugde of bij aantasting van eer en goede naam van de werknemer. Een dergelijke schadevergoeding wordt geacht niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking te vinden dat deze als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

2.7.Met hetgeen belanghebbende in het geding heeft gebracht, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een onbelaste schadevergoeding. Uit de arresten van de Hoge Raad en het Gerechtshof ’s-Gravenhage blijkt dat belanghebbendes verzoek om toekenning van een extra schadevergoeding gebaseerd is op de stelling dat in de periode 1 januari 1994 tot en met 31 oktober 1997 [werkgever] te weinig inspanning heeft verricht om voor belanghebbende een passende functie te vinden die hij met zijn lichamelijke klachten wel kon uitvoeren. Uit de arresten kan niet worden afgeleid dat de schadevergoeding is toegekend wegens kennelijk onredelijk ontslag, invaliditeit, gederfde levensvreugde of aantasting van eer en goede naam van belanghebbende. Het gerechtshof heeft in feite beslist dat [werkgever] alsnog het salaris moest betalen dat belanghebbende had kunnen verdienen indien [werkgever] haar inspanningsverplichting was nagekomen. De schadevergoeding betreft derhalve loon uit dienstbetrekking voor belanghebbende, ook al heeft belanghebbende er geen werkzaamheden voor verricht. Het betreft aanspraken die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verband tussen de vergoeding en de dienstbetrekking zodanig ver is verwijderd dat deze vergoeding niet als loon kan worden aangemerkt. De schadevergoeding van € 112.938 is dan ook belast loon.

Aftrekbaarheid advocaatkosten

2.8.Uit de uitspraak van het gerechtshof blijkt dat een deel van de proceskosten door [werkgever] aan belanghebbende diende te worden vergoed. Dit deel van de proceskosten is als een onbelaste vergoeding aan te merken en is daarom niet aftrekbaar.

2.9.Naar de rechtbank begrijpt wil belanghebbende nu het restant van de proceskosten in aftrek brengen. Belanghebbende stelt zich daarbij op het standpunt dat in ieder geval een deel van de advocaatkosten aftrekbaar zou moeten zijn, omdat een deel van de werkzaamheden door het advocatenkantoor is uitgevoerd voor invoering van de Wet IB 2001.

2.10.Uitgangspunt voor aftrek van kosten is en was ook voor de Wet IB 2001 dat kosten in aftrek kunnen worden gebracht in het jaar dat ze daadwerkelijk zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend geworden (artikel 3.147 Wet IB 2001; voorheen artikel 38 Wet op de inkomstenbelasting 1964). In het onderhavige geval zijn de kosten in 2007 betaald, zodat voor aftrek het regime van de Wet IB 2001 geldt. Na de invoering van de Wet IB 2001 zijn advocaatkosten in een geval als dit niet meer aftrekbaar. Dit blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad, nr. 41000, LJN AZ4768.

2.11.Voor een evenredige toerekening van kosten aan de jaren waarop zij betrekking hebben, biedt de wet geen ruimte. De wetgever heeft bij de invoering van de Wet IB 2001 er bewust voor gekozen om geen regeling te treffen voor een situatie als onderhavige waarin de kosten zijn betaald na 2001, terwijl een deel van de werkzaamheden zien op de periode vóór 2001. Belanghebbende kan derhalve geen advocaatkosten in aftrek brengen.

2.12.Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

2.13.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 8 november 2011 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 9 november 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch behandelt het hoger beroep namens het gerechtshof te ’s-Gravenhage.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.