Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-04-2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:3038, AWB-13_5227

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-04-2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:3038, AWB-13_5227

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 april 2014
Datum publicatie
12 juni 2014
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2014:3038
Zaaknummer
AWB-13_5227
Relevante informatie
Wet inkomstenbelasting 2001 [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-01-2024]

Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaar. De rechtbank verklaart het bezwaar enkel voor zover het is gericht tegen de boetebeschikkingen alsnog ontvankelijk nu belanghebbende heeft gesteld dat tijdig bezwaar is gemaakt en de inspecteur de onjuistheid van deze stelling niet heeft bewezen. Terugwijzing.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/5227 tot en met AWB 13/5230

Uitspraken van 9 april 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 4 september 2013 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomstensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over de jaren 2007 en 2008, met de daarbij bekendgemaakte beschikkingen (aanslagnummers respectievelijk [aanslagnummer].H.77, [aanslagnummer].H.87, [aanslagnummer].W.77 [aanslagnummer].W.87).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote], vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Helmond, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen ten aanzien van boetebeschikkingen gegrond;

-

verklaart de beroepen ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente ongegrond;

-

vernietigt de uitspraken op de bezwaren voor zover deze zien op de boetebeschikkingen;

-

wijst de zaak terug naar de inspecteur om opnieuw op die bezwaren te beslissen

met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1.460, waarvan het gedeelte dat ziet op de beroepsfase (€ 974) aan de gemachtigde dient te worden betaald en het overige aan belanghebbende;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 88 (2 x € 44) aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 20 maart 2008 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.072. Met dagtekening 20 december 2008 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 overeenkomstig de ingediende aangifte aan belanghebbende opgelegd.

2.2.

De regiopolitie Limburg-Noord heeft de Belastingdienst informatie verstrekt over een loods waarin benodigdheden en grondstoffen zijn aangetroffen voor de productie van amfetamine. Er werd hierbij een verband gelegd naar belanghebbende. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur in de brief met dagtekening 14 juni 2012 aangegeven van plan te zijn na te vorderen over de jaren 2007 en 2008.

2.3.

Met dagtekening 21 juli 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende:

(1) een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.472. In hetzelfde geschrift is tevens een boetebeschikking van € 3.068 vervat en is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht van € 1.095 (AWB 13/5227).

(2) een navorderingsaanslag Zvw opgelegd over het jaar 2007 naar een bijdrage-inkomen van € 14.400 en is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht van

€ 113 (AWB 13/5228).

(3) een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd over het jaar 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.098. In hetzelfde geschrift is tevens een boetebeschikking van € 2.998 vervat en is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht van € 760 (AWB 13/5229).

(4) een navorderingsaanslag Zvw opgelegd over het jaar 2008 naar een bijdrage-inkomen van € 14.400 en is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht van € 93 (AWB 13/5230).

2.4.

Op 7 september 2012 zijn de bezwaarschriften met dagtekening 5 september 2012 tegen bovenstaande navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrentenbeschikkingen bij de belastingdienst binnengekomen. In de bezwaarschriften staat onder meer het volgende vermeld:

“In ons schrijven van 19 juli 2012, kenmerk 0281/RR/12, hebben wij u aangegeven het niet eens te zijn met de opgelegde aanslag zoals die hierboven is vermeld. Tevens hebben wij daarbij verzocht om betrokkene in ons bijzijn te willen horen hem tot dan uitstel van betaling te verlenen. Tot op heden hebben wij geen reactie op dit schrijven van u mogen ontvangen.”

2.5.

In de uitspraken op de bezwaren met dagtekening 4 september 2013 zijn de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Tevens heeft de inspecteur de bezwaren aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en in deze brief de verzoeken afgewezen.

2.6.

In geschil is of de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

2.7.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2.8.

Belanghebbende heeft gesteld dat de onderhavige navorderingsaanslagen alsmede de in hetzelfde geschrift vervatte boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen niet op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, zodat de bezwaartermijn pas aanvangt op de dag na de dag van bekendmaking. Belanghebbende heeft hiertoe gesteld dat de navorderingsaanslagen zijn verzonden naar het huisadres van belanghebbende, terwijl op dat moment belanghebbende ingeschreven stond op het detentieadres Huis van Bewaring in Roermond. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn stelling ter zitting een uitdraai van zijn adresgegevens overgelegd.

2.9.

De bewijslast dat de navorderingsaanslagen op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, rust op de inspecteur (Vgl. uitspraak Hof Amsterdam van 2 mei 2013, ECLI;NL:GHAMS:2013:LJN CA0460).

2.10.

De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat het systeem van de belastingdienst gekoppeld is aan dat van de gemeentelijke basisadministratie, zodat de navorderingsaanslagen automatisch naar het juiste adres worden gestuurd.

2.11.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt de navorderingsaanslagen naar het juiste adres te hebben gestuurd en daarmee dat de navorderingsaanslagen op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit de door belanghebbende overgelegde uitdraai niet blijkt dat de navorderingsaanslagen naar een onjuist adres zijn verzonden. De in de uitdraai vermelde adresgegevens zijn verdeeld in GBA-adressen en detentieadressen. Uit de uitdraai blijkt niet dat belanghebbende op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie op het detentieadres stond ingeschreven. Daarbij verdient opmerking dat indien belanghebbende zijn postadres wil laten afwijken van het GBA-adres het aan belanghebbende zelf is om deze wijziging door te geven aan de Belastingdienst. Nu de navorderingsaanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, is de bezwaartermijn aangevangen op de dag na die van dagtekening van de navorderingsaanslagen.

2.12.

De dagtekening van de onderhavige navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente is 21 juli 2012. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 3 september 2012. Ingevolge artikel 6:9 eerste lid van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2.13.

Belanghebbende heeft gesteld met de brief van 19 juli 2012 tijdig bezwaar te hebben gemaakt. Dat deze brief er is blijkt ook uit de brief van 5 september 2012, waarin naar de brief van 19 juli 2012 wordt verwezen, aldus belanghebbende.

Ten aanzien van de boetebeschikkingen

2.14.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3854 in de rechtsoverwegingen 3.3. en 3.4. ten aanzien van de boetebeschikking als volgt bepaald:

“3.3. Toepassing van de in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte regeling omtrent de door de belastingplichtigen in acht te nemen termijnen waarvan het aanvangstijdstip ingevolge deze regeling wordt bepaald door de dagtekening van het desbetreffende, van de inspecteur afkomstige geschrift - heeft als consequentie dat ingeval een belastingplichtige niet binnen de daartoe bij die regeling gestelde termijn bezwaar heeft gemaakt c.q. beroep heeft ingesteld, hij zijn toegang tot de rechter versperd ziet. In gevallen waarin het gaat om een verhoging, is deze consequentie in strijd met het door voormelde verdragsbepaling gegarandeerde recht op toegang tot de rechter indien de termijnoverschrijding is teweeggebracht door een omstandigheid die de belastingplichtige niet kan worden toegerekend, bij voorbeeld omdat als gevolg van een in de sfeer van de belastingadministratie of van de PTT gelegen omstandigheid het aanslagbiljet c.q. de uitspraak van de inspecteur hem niet op een zodanig tijdstip had bereikt dat hij redelijkerwijs in de gelegenheid is geweest om daartegen binnen de gestelde termijn bezwaar te maken c.q. beroep in te stellen.

3.4.

Ingeval de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd, stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten, terwijl omtrent de juistheid van die stelling in rechte geen zekerheid valt te verkrijgen, is eerbiediging van zijn recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd wanneer die onzekerheid - gelijk bij de in cassatie bestreden uitspraak is geschied - voor zijn risico wordt gebracht. In zodanig geval zou immers de mogelijkheid open blijven dat de belastingplichtige als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid verstoken blijft van zijn recht om het opleggen van de verhoging aan het oordeel van de rechter te onderwerpen. Derhalve moet de regel volgens welke een na afloop van de gestelde termijn gemaakt bezwaar c.q. ingesteld beroep niet-ontvankelijk is, buiten toepassing blijven indien de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd, stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de niet-ontvankelijkheid kan alsdan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen”.

Ook naar geldend recht acht de rechtbank dit arrest van betekenis. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0550, met verwijzing naar zijn arrest van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469, waarin op zijn beurt wordt verwezen naar voornoemd arrest van 22 juni 1988. Ook in het arrest van 10 april 2009 overwoog de Hoge Raad in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep:

“3.3. Voor zover de bestreden beslissing betrekking had op de boetebeschikking, slagen de middelen. Immers, in dat verband behoefde belanghebbende slechts te stellen dat hij het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd, dan wel dat en op welke grond een eventuele termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen. (…)”

Dit houdt in dat belanghebbende slechts hoeft te stellen dat hij een bezwaarschrift tijdig heeft ingediend, danwel dat een eventuele termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen. De niet-ontvankelijk kan slechts dan worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling is bewezen.

2.15.

De inspecteur heeft ter zitting aangegeven niet te betwisten dat de toenmalige gemachtigde van belanghebbende de brief van 19 juli 2012 destijds heeft verzonden. Dat is omstreeks de dag waarop de bezwaartermijn aanvangt. Aangezien belanghebbende door de brief van 14 juni 2012 van de inspecteur redelijkerwijs kon menen dat de boetebeschikkingen reeds tot stand waren gekomen, blijft op grond van artikel 6:10, eerste lid, onderdeel b van de Awb niet-ontvankelijkheid van de bezwaren achterwege. Voorts acht de rechtbank de enkele omstandigheid dat de inspecteur de brief van 19 juli 2012 niet heeft ontvangen, onvoldoende bewijs van de onjuistheid van de stelling van belanghebbende dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bezwaren ten aanzien van de boetebeschikkingen daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.16.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om tot een finale geschilbeslechting te komen nu een verzoek van belanghebbende daartoe ontbreekt en de feiten die tot beboeting aanleiding hebben gegeven alsmede de feiten voor het bepalen van de boetegrondslag en de standpunten van partijen in deze procedure volstrekt onderbelicht zijn gebleven. Gelet op hetgeen in 2.15 is overwogen, heeft de rechtbank de inspecteur opgedragen, met inachtneming van deze uitspraak, nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van belanghebbende tegen de boetebeschikkingen van 21 juli 2012 ter zake van de IB/PVV 2007 en 2008. De rechtbank acht het daarbij aangewezen dat een nadere hoorzitting plaatsvindt.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente

2.17.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gelden zwaardere bewijsregels voor belanghebbende. Belanghebbende heeft ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente de bewijslast dat het bezwaarschrift tijdig is ontvangen bij de belastingdienst.

2.18.

Belanghebbende heeft, tegenover de betwisting door de inspecteur, naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de brief van 19 juli 2012 tijdig is ontvangen bij de belastingdienst. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven geen bewijs van ontvangst te hebben.

2.19.

Vaststaat dat de brieven met dagtekening 5 september 2012, welke door de inspecteur zijn aangemerkt als bezwaarschriften, op 7 september 2012 bij de belastingdienst zijn binnengekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb zijn de bezwaarschriften niet tijdig ingediend.

2.20.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Belanghebbende heeft gesteld dat slechts sprake was van een geringe termijnoverschrijding, waarbij in ogenschouw genomen dient te worden dat het niet makkelijk was voor belanghebbende om vanuit het Huis van Bewaring contact met zijn gemachtigde te onderhouden en dat ook de belastingdienst zich niet houdt aan de in de wet gestelde termijnen.

2.21.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit geen omstandigheden op grond waarvan kan worden gezegd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het onderhouden van goed contact met de gemachtigde is een omstandigheid die voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Ook de omstandigheid dat de inspecteur veel tijd heeft genomen voor het nemen van de beslissingen op de bezwaren, maakt niet dat een geringe termijnoverschrijding voor het indienen van bezwaar door de vingers kan worden gezien. Daarbij merkt de rechtbank op dat in artikel 6:6, onderdeel a van de Awb is bepaald dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar. Het niet voldoen aan het wettelijk gesteld vereiste om binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen, heeft ingevolge artikel 6:6, onderdeel a van de Awb de niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg. In de wet is daarentegen niet een dergelijke gevolgtrekking opgenomen ingeval de inspecteur zich niet houdt aan de in de wet gestelde termijnen.

2.22.

Ook de stelling van belanghebbende dat de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, kan hier geen verandering in brengen. De bezwaren ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.23.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ten aanzien van de boetebeschikkingen gegrond verklaard en de beroepen ten aanzien van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente ongegrond verklaard.

2.24.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep voor de procedurenummers AWB 13/5227 en AWB 13/5229 redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt beide zaken als samenhangende zaken en zal voor deze zaken eenmaal een proceskostenvergoeding toekennen. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.460 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). De gemachtigde van belanghebbende is in de beroepsfase in alle vier de zaken toegevoegd krachtens de Wet op de rechtsbijstand. Ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb dient in geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, het bedrag van de kosten betaald te worden aan de rechtsbijstandsverlener. Ingevolge die bepaling dient daarom de proceskostenvergoeding die ziet op de beroepsfase (€ 974) aan de rechtsbijstandsverlener ([gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Helmond) betaald te worden. De proceskostenvergoeding die ziet op de bezwaarfase (€ 486) dient aan belanghebbende te worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2014 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.