ECLI:NL:GHARL:2017:5339

Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak: 2017-06-28
Datum publicatie: 2017-06-30
Zaaknummer: 16/00400
Formele relaties: Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:721, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Belastingrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Samenwerkingsverband tussen echtgenoten in rietdekkersbedrijf is, gelet op de werkzaamheden van de echtgenote, niet ongebruikelijk.

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Belastingkamer

Locatie Leeuwarden

nummer 16/00400

uitspraakdatum: 28 juni 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 februari 2016, nummer LEE 15/2173, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/Emmen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2011 met dagtekening 4 juli 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.286. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 183.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 25 februari 2016 het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en haar gemachtigde mr. [A] , bijgestaan door [B] en [C] en namens de Inspecteur mr. [D] , bijgestaan door mr. [E] . Het onderzoek ter zitting is gesloten.

1.7 De Voorzitter heeft daarna besloten tot heropening van het onderzoek. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en haar gemachtigde mr. [A] , bijgestaan door [B] en [C] en namens de Inspecteur mr. [D] , bijgestaan door mr. [E] . Het onderzoek ter zitting is gesloten.

1.8 De van beide zittingen opgemaakte processen-verbaal zijn aan deze uitspraak gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende, geboren in 1966, is met haar echtgenoot [F] per 1 januari 1993 een vennootschap onder firma aangegaan met als doel de exploitatie van een rietdekkersbedrijf. Ook in 2011 exploiteerden zij samen dit bedrijf. Het winstaandeel van belanghebbende en haar echtgenoot bedroeg in 2011 voor ieder 50%.

2.2 Belanghebbende beschikt over het diploma “handelskennis voor het rietdekkersbedrijf”, uitgereikt door de federatie van Nederlandse riet- en strodekkerspatroonvakbonden. Dit diploma maakte deel uit van de opleiding tot rietdekker. Belanghebbende voert zelf geen rietdekkerswerkzaamheden op het dak uit. De echtgenoot van belanghebbende beschikt over het diploma “vakbekwaamheid in het rietdekken”.

2.3 De onderneming heeft geen personeel in dienst, maar maakt gebruik van vaste, gemiddeld vier, rietdekkers uit Hongarije, die voor een bepaalde periode in Nederland zijn om voor de onderneming te werken. De onderneming maakt ook gebruik van uitzendkrachten, maar niet in het onderhavige jaar. In 2008 is de echtgenoot als gevolg van een bedrijfsongeval gedurende een half jaar niet in staat geweest zijn werkzaamheden uit te voeren. Belanghebbende heeft in die periode de onderneming voortgezet.

2.4 In de aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2011 heeft belanghebbende de zelfstandigenaftrek in mindering gebracht op de winst uit onderneming. De Inspecteur heeft dit gecorrigeerd. De winstverdeling is niet gecorrigeerd.

2.5 Belanghebbende heeft in hoger beroep een overzicht van de door haar in 2011 verrichte werkzaamheden en de daaraan door haar bestede uren overgelegd.

Planning/administratie/offertes/contacten accountant/ planning aansturen uitzendkrachten en calculatie 12 uur per week

Netwerk BNI bijeenkomst incl. reistijd 4 uur per week

Zoekopdrachten/1 op 1 gesprekken BNI 6 uur per week

Overig netwerk w.o. Business Collectief en

Netwerk van ondernemers [G] 2 uur per week

Klantenbezoek m.b.t. offerte/nota wegbrengen/

bezoek potentiële klanten 3 uur per week

Telefoon beantwoorden 1 uur per week

Ontvangen bezoek vertegenwoordigers 1 uur per week

Materialen halen en brengen 1 uur per week

Bedr. Cont. Dagen/Beurzen gemiddeld over jaar

Inclusief voorbereiding hier van. 2 uur per week

Schoonmaak 2 uur per week

Overleg inzake strategie/mogelijkheden pm

Totaal 34 uur per week

2.6 Naast haar werkzaamheden voor de onderneming werkte belanghebbende in 2011 als oproepkracht bij [H] v.o.f. De inkomsten hieruit bedroegen € 4.866, onder inhouding van € 1.596 aan loonheffingen.

2.7 Ter zitting van het Hof heeft de rietleverancier van de onderneming verklaard dat de contacten met de onderneming verlopen via belanghebbende en dat zij ook beslist over de inkoop van het riet. De vertegenwoordiger van de Stichting [I] (hierna: de Stichting) heeft ter zitting verklaard dat alle contacten tussen de Stichting en de onderneming verlopen via belanghebbende.

2.8 Investeringsbeslissingen werden, naar belanghebbende ter zitting onweersproken heeft gesteld, door belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk genomen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. In het bijzonder is in geschil of de werkzaamheden van belanghebbende in de onderneming hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en of het ongebruikelijk is dat een samenwerkingsverband als dat tussen belanghebbende en haar echtgenoot ook tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan, welke beide vragen door belanghebbende in ontkennende zin en door de Inspecteur in bevestigende zin worden beantwoord.

4 Beoordeling van het geschil

4.1 De zelfstandigenaftrek geldt ingevolge het bepaalde in artikel 3.76, eerste lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet) voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Onder het urencriterium wordt volgens artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet, voor zover hier van belang, verstaan: het besteden gedurende het kalenderjaar van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige winst uit onderneming geniet, indien de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen. Ingevolge het tweede lid van laatstvermeld artikel, eveneens voor zover te dezen van belang, komen voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, niet in aanmerking werkzaamheden ten behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen, indien de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan.

4.2 De bewijslast ten aanzien van de toepasselijkheid van de zelfstandigenaftrek berust bij belanghebbende. Niet in geschil is dat belanghebbende ondernemer is en dat zij gedurende het kalenderjaar ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor haar onderneming heeft besteed. De Inspecteur stelt echter dat die werkzaamheden niet voor ten minste 1225 uren in aanmerking kunnen worden genomen. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat de werkzaamheden van belanghebbende hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en dat een samenwerkingsverband als dat tussen belanghebbende en haar echtgenoot tussen niet-verbonden personen ongebruikelijk is.

4.3 De cumulatie van de vereisten in artikel 3.6, tweede lid, van de Wet brengt mee dat slechts indien aan beide vereisten is voldaan - dat wil zeggen dat de werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en bovendien het samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen ongebruikelijk is - de werkzaamheden niet in aanmerking worden genomen voor het urencriterium. Dit betekent dat voor de toepassing van het urencriterium voldoende is dat hetzij de werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn, hetzij het samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen niet ongebruikelijk is. In geval van samenwerkingsverbanden tussen met elkaar verbonden personen worden de ondernemersfaciliteiten van de Wet toegekend in gevallen waarin ondanks het ondersteunende karakter van de werkzaamheden van een van de betrokken personen niettemin tussen onafhankelijke derden een dergelijk samenwerkingsverband wordt aangegaan.

4.4 Uit de vaststaande feiten en hetgeen belanghebbende ter zitting onweersproken en voor het overige geloofwaardig naar voren heeft gebracht, blijkt dat belanghebbende en haar echtgenoot hun werkzaamheden in de onderneming zo te hebben verdeeld, dat de echtgenoot zich voornamelijk met het rietdekken bezighoudt en dat belanghebbende de bedrijfsvoering voor haar rekening neemt. Belanghebbende is het aanspreekpunt van de onderneming. Zij onderhoudt de netwerkcontacten en de contacten met klanten, leveranciers en vertegenwoordigers. Belanghebbende doet de planning, stuurt de ingehuurde arbeidskrachten aan, maakt zelfstandig de offertes op en doet de inkoop van het riet, waarbij zij zelfstandig beslissingen neemt. Belanghebbende en haar echtgenoot vullen elkaar aan en hun werkzaamheden voor de onderneming zijn, naar het oordeel van het Hof, complementair. Het belang van de werkzaamheden van belanghebbende voor de continuïteit van de onderneming blijkt ook uit de omstandigheid dat belanghebbende in 2008 gedurende een periode van een half jaar de onderneming zonder haar echtgenoot draaiende heeft gehouden.

4.5 Van de door belanghebbende opgegeven werkzaamheden heeft belanghebbende ter zitting erkend dat het verwerken van de administratie en het bezoeken van klanten (in elk geval deels) als administratief of ondersteunend moeten worden aangemerkt. Hoewel met betrekking tot de overige werkzaamheden aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat in het onderhavige jaar geen sprake is geweest van aansturing van uitzendkrachten en dat de technische gegevens voor de door belanghebbende opgemaakte offertes worden verstrekt door de echtgenoot, is het Hof van oordeel dat de meeste ervan door de ondernemer als zodanig worden verricht en dat zij in nauw verband staan met omzetgenerende werkzaamheden.

4.6 Op grond van het vorenstaande acht het Hof voldoende aannemelijk dat in rietdekkersbedrijven als dat van belanghebbende en haar echtgenoot een samenwerkingsverband als dat tussen hen beiden, met een vergelijkbare winstverdeling en een vergelijkbare verdeling van de werkzaamheden, ook tussen niet-verbonden personen voorkomt. De echtgenoot beheerst het vak van rietdekken en belanghebbende legt zich toe op de overige met de onderneming verbonden aspecten, en dat zij daarvoor ook een daarop toegesneden diploma heeft behaald, terwijl zij investeringsbeslissingen samen nemen. Daarom moet worden geoordeeld dat een samenwerkingsverband als tussen belanghebbende en haar echtgenoot tussen niet-verbonden personen niet ongebruikelijk is.

4.7 Aan een beoordeling van de vraag of de werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn komt het Hof niet toe. De correcties ter zake van de zelfstandigenaftrek zijn bij het opleggen van de aanslag ten onrechte aangebracht.

4.8 De aanslag dient nader te worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.286, verminderd met € 7.266 (zelfstandigenaftrek), vermeerderd met € 872 (lagere MKB-winstvrijstelling) en verminderd met € 64 (hogere persoonsgebonden aftrek), ofwel € 15.828.

4.9 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

5.1 Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, waaronder de kosten van de getuigen van belanghebbende die op beide zittingen in hoger beroep aanwezig waren. De keuze van belanghebbende voor een tweede mondelinge behandeling, nadat het Hof het onderzoek had heropend in verband met een wijziging van de zetel, en het voor de tweede maal meebrengen van de getuigen, brengt niet mee dat de kosten van bedoelde getuigen slechts eenmaal voor vergoeding in aanmerking komen.

5.2 Het Hof stelt de proceskosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.462,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift, waarde per punt € 235, 2 punten voor de beroepsfase, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 495 en 2,5 punten voor het hoger beroep, 1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting en 0,5 punten voor de nadere zitting, waarde per punt € 495, wegingsfactor 1) Belanghebbende komt voorts in aanmerking voor vergoeding van de kosten van de getuigen. Het Hof stelt deze kosten, conform de kostenopgave van belanghebbende, op totaal voor beide zittingen, € 1.080.

6 Beslissing

Het Hof

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.542,50,

  • vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.828,

  • vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig, en

  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, mr. P. van der Wal, mr. B. van Walderveen in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 28 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.