Aflevering 49

Gepubliceerd op 5 december 2013

NTFR 2013/2313 - Welcome to the Rock

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 geschreven door prof. mr. S.C.W. Douma
De bekendste rots van Europa is ongetwijfeld de Rots van Gibraltar. Wie deze rots in handen heeft, controleert de Straat van Gibraltar en de toegang tot de Middellandse zee. Dit strategische belang van de rots verklaart de politieke gevoeligheid rondom de status van Gibraltar in het internationale recht. In 1704 veroverde een Nederlands-Engelse coalitievloot de rots op Spanje. Vervolgens werd Gibraltar in het kader van de verdragen tot beëindiging van de Spaanse Successieoorlog, bij het Verdrag van Utrecht van 13 juli 1713 tussen de Spaanse Koning en de Koningin van Groot-Brittannië, door eerstgenoemde afgestaan aan de Britse Kroon.Zie de conclusie van A-G Jaäskinen van 7 april 2011 in de gevoegde zaken C-106/09 P en C-107/09 P (Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk), NTFR 2011/1033, punt 49 e.v. De Spaanse regering heeft hier echter nog steeds moeite mee. Het meest recente incident betreft de invoering door Spanje van intensieve grenscontroles bij Gibraltar op grond van vermoedens van tabaksmokkel. Een hiertegen ingediende klacht door het Verenigd Koninkrijk – Spanje zou het vrije verkeer belemmeren – is recent door de Europese Commissie ongegrond verklaard. Wel heeft de Commissie beide partijen opgeroepen zich vooral redelijk te blijven gedragen.Zie het persbericht van de Commissie van 15 november 2013, nr. IP/13/1086.

NTFR 2013/2314 - Initiatiefwetsvoorstel waarbij de rechter wordt verboden wetten aan verdragen te toetsen

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 geschreven door mr. E. Thomas
Het Tweede Kamerlid Taverne (VVD) heeft een initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van art. 93 en 94 GW ingediend. Deze artikelen maken het mogelijk dat de rechter wetten in formele zin, waaronder belastingwetten, toetst aan het gelijkheidsbeginsel in het IVBPR en het EVRM. Dit initiatiefwetsvoorstel moet de toetsing door de rechter van wetten – inclusief belastingwetten – aan verdragen onmogelijk maken.

NTFR 2013/2315 - Woning dienstbaar aan onderneming; foutenleer kan niet worden toegepast

ECLI:NL:RBGEL:2013:3215, datum uitspraak 26-09-2013, publicatiedatum 26-09-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. dr. C. Bruijsten
Belanghebbende oefende aanvankelijk een agrarisch bedrijf uit in de vorm van een melkvee- en varkenshouderij. Daarnaast had belanghebbende vanaf het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw een loonbedrijf. Ook werd door eiser gras en snijmaïs geteeld en verkocht en werden door hem schapen gehouden. Bij het agrarisch bedrijf hoorde een woning die door belanghebbende tot zijn ondernemingsvermogen werd gerekend. De varkenshouderij en de melkveehouderij zijn in respectievelijk 1978 en 1982 gestaakt. In 1987 is op dezelfde locatie onder sloop van de oude woning een nieuwe woning gebouwd. Belanghebbende heeft de nieuwe woning steeds tot zijn bedrijfsvermogen gerekend. Belanghebbende heeft zijn onderneming ultimo 2009 gestaakt. In geschil is of de woning met toepassing van de foutenleer tot het privévermogen van belanghebbende kan worden gerekend.

NTFR 2013/2317 - Aanspraak op pensioen in eigen beheer niet tijdig aangepast aan Witteveenregeling

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. M.E. Kastelein
Belanghebbende (Y) houdt alle aandelen in X bv. Y is voorts directeur en enig werknemer van X bv. X bv heeft aan Y een pensioen toegekend dat in eigen beheer wordt gehouden. De afspraken daarover zijn vastgelegd in een pensioenbrief. De pensioenbrief voldoet niet aan de bepalingen van hoofdstuk IIB Wet LB 1964, omdat de daarin neergelegde pensioenregeling geen afkoopverbod bevat en omdat de pensioenopbouw hoger is dan is toegestaan volgens de regels van het Witteveenkader. In geschil is of de naheffingsaanslag LB/PVV en de aanslag IB/PVV over het jaar 2004 terecht zijn opgelegd. In het bijzonder is in geschil of de pensioenregeling tijdig is aangepast aan het Witteveenkader.

NTFR 2013/2318 - Verhuurde kunstwerken hebben beleggingskarakter

ECLI:NL:PHR:2013:1138, datum uitspraak 22-10-2013, publicatiedatum 15-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van prof. dr. S.J.C. Hemels
Belanghebbende verhuurt kunstwerken aan een gemeentelijke Dienst Musea voor Moderne Kunst. In geschil is of de kunstwerken kwalificeren als voorwerpen van kunst die hoofdzakelijk ter belegging dienen als bedoeld in art. 5.8 Wet IB 2001. Het hof heeft geoordeeld dat door de verhuur van de kunstwerken, belanghebbende bewerkstelligt dat hij deze bezittingen rendabel maakt op een zodanige wijze dat deze bezittingen hoofdzakelijk als belegging dienen, waardoor de waarde van de kunstwerken tot de grondslag uit sparen en beleggen dient te worden gerekend.

NTFR 2013/2319 - Nota van wijziging wetsvoorstel ‘Hervorming kindregelingen’

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een nota van wijziging op het wetsvoorstel ‘Hervorming kindregelingen’ naar de Tweede Kamer gestuurd. De nota van wijziging bevat voornamelijk de wijzigingen als gevolg van de Begrotingsafspraken 2014. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is nog steeds de vereenvoudiging van het stelsel van kindregelingen. De Begrotingsafspraken zorgen echter voor minder versobering. Vooral de versobering van de generieke inkomensondersteuning neemt af. Verder behoort tot de aanpassingen het ongedaan maken van het afschaffen van de gratis schoolboeken en blijft de compensatie voor alleenverdieners met gehandicapte thuiswonende kinderen intact.

NTFR 2013/2320 - Aan kerkgenootschap betaalde vergoeding voor lening vormt niet ten dele een gift

ECLI:NL:GHARL:2013:8005, datum uitspraak 22-10-2013, publicatiedatum 05-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van dr. D. Molenaar
Belanghebbende is lid van de beleggingscommissie van een kerkgenootschap. Dit kerkgenootschap is een anbi. Het kerkgenootschap heeft belanghebbende in 2006 € 100.000 ter leen verstrekt tegen 7% rente – uiteindelijk – zonder zekerheden. Belanghebbende heeft met het geleende geld aandelen in een beleggingsfonds gekocht. De juridische en economische eigendom van de aandelen berusten bij belanghebbende. In 2007 heeft belanghebbende € 7.000 betaald aan het kerkgenootschap als vergoeding voor het ter leen verstrekte bedrag. De helft hiervan (€ 3.500) wenst belanghebbende als aftrekbare gift in aanmerking te nemen. Het hof staat die aftrek niet toe. Van een gift kan namelijk pas worden gesproken indien belanghebbende uit vrijgevigheid een rentebetaling op zich neemt die hoger is dan de rente die hij verschuldigd zou zijn bij het aangaan van een geldlening – onder dezelfde voorwaarden – bij een andere zakelijk handelende geldverstrekker. Belanghebbende maakt echter niet aannemelijk dat die andere geldverstrekker bereid zou zijn hem onder dezelfde voorwaarden een bedrag van € 100.000 te lenen, tegen een rentevergoeding die lager is dan 7%.

NTFR 2013/2321 - Reactie staatssecretaris op arresten over bedrijfsopvolgingsfaciliteit

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013
Staatssecretaris Weekers van Financiën geeft aan dat hij tevreden is met de arresten van de Hoge Raad waarin de bedrijfsopvolgingsregeling niet discriminerend is geoordeeld. Het is volgens hem goed nieuws voor de continuïteit van ondernemingen. Door de snelheid waarmee rechtbanken en Hoge Raad deze procedures hebben behandeld, heeft een grote groep belastingplichtigen volgens hem eerder duidelijkheid. Door deze beslissing van de Hoge Raad blijven alle aanslagen die onder regeling voor massaal bezwaar vallen in stand. De regeling geldt voor alle aanslagen erf- en schenkbelasting die op 23 oktober 2012 nog niet onherroepelijk vaststonden en alle sindsdien opgelegde aanslagen. Voor alle lopende bezwaren zal één collectieve uitspraak op bezwaar worden gedaan. Deze uitspraak wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst.

NTFR 2013/2322 - Bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet discriminatoir en niet strijdig met Europees eigendomsrecht

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols
In 2009 is erflater overleden. Belanghebbende is één van de erfgenamen. Tot de nalatenschap behoorden aandelen in een vennootschap waarin een onderneming werd gedreven. De aandelen zijn in 2010 verkocht. Aan de wettelijke eisen voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (hierna: BOF) is niet voldaan. Niettemin claimt belanghebbende toepassing van de BOF wegens schending van het in verdragen opgenomen discriminatieverbod. De Hoge Raad oordeelt dat de BOF niet discriminatoir is. De cassatierechter stelt voorop dat aan de wetgever in dit kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De doelstellingen van de wetgever, heel kort gezegd, voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vooral familiebedrijven zodat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt en stimulering van het ondernemerschap zijn gerechtvaardigde doelstellingen. De BOF is bovendien niet van redelijke grond ontbloot. De wetgever mag zich baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de gekozen oplossing, mits die veronderstellingen niet evident onredelijk zijn. Empirische onderbouwing is niet vereist, aldus de Hoge Raad. Voorts concludeert de Hoge Raad dat het eigendomsrecht van art. 1 Eerste Protocol (bij het EVRM) niet is geschonden.

NTFR 2013/2323 - Bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet discriminatoir I

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols
Op 1 juli 2011 is erflater overleden. Belanghebbende is één van zijn erfgenamen. Tot de nalatenschap behoorde geen ondernemingsvermogen. Niettemin claimt belanghebbende toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (hierna: BOF) wegens schending van het in verdragen opgenomen discriminatieverbod. De Hoge Raad oordeelt dat de BOF niet discriminatoir is. De cassatierechter stelt voorop dat aan de wetgever in dit kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De doelstellingen van de wetgever, heel kort gezegd, voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vooral familiebedrijven zodat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt en stimulering van het ondernemerschap zijn gerechtvaardigde doelstellingen. De BOF is bovendien niet van redelijke grond ontbloot. De wetgever mag zich baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de gekozen oplossing, mits die veronderstellingen niet evident onredelijk zijn. Empirische onderbouwing is niet vereist, aldus de Hoge Raad.

NTFR 2013/2324 - Bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet discriminatoir II

ECLI:NL:HR:2013:1209, datum uitspraak 22-11-2013, publicatiedatum 22-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols
Op 28 oktober 2009 is erflater overleden. Belanghebbende is één van zijn erfgenamen. Tot de nalatenschap behoorde geen ondernemingsvermogen. Niettemin claimt belanghebbende toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (hierna: BOF) wegens schending van het in verdragen opgenomen discriminatieverbod. De Hoge Raad oordeelt dat de BOF niet discriminatoir is. De cassatierechter stelt voorop dat aan de wetgever in dit kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De doelstellingen van de wetgever, heel kort gezegd, voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vooral familiebedrijven zodat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt en stimulering van het ondernemerschap zijn gerechtvaardigde doelstellingen. De BOF is bovendien niet van redelijke grond ontbloot. De wetgever mag zich baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de gekozen oplossing, mits die veronderstellingen niet evident onredelijk zijn. Empirische onderbouwing is niet vereist, aldus de Hoge Raad.

NTFR 2013/2325 - Bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet discriminatoir III

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols
Op 17 november 2011 is erflater overleden. Belanghebbende is één van zijn erfgenamen. Tot de nalatenschap behoorde geen ondernemingsvermogen. Niettemin claimt belanghebbende toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (hierna: BOF) wegens schending van het in verdragen opgenomen discriminatieverbod. De Hoge Raad oordeelt dat de BOF niet discriminatoir is. De cassatierechter stelt voorop dat aan de wetgever in dit kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De doelstellingen van de wetgever, heel kort gezegd, voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vooral familiebedrijven zodat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt en stimulering van het ondernemerschap, zijn gerechtvaardigde doelstellingen. De BOF is bovendien niet van redelijke grond ontbloot. De wetgever mag zich baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de gekozen oplossing, mits die veronderstellingen niet evident onredelijk zijn. Empirische onderbouwing is niet vereist, aldus de Hoge Raad.

NTFR 2013/2326 - Bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet discriminatoir IV

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van prof. mr. dr. B.M.E.M. Schols
In 2011 heeft de moeder van belanghebbende hem een op zijn huis betrekking hebbende lening kwijtgescholden en een bedrag in contanten geschonken. Ter zake hiervan is belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd. Er is geen sprake van ondernemingsvermogen. Niettemin claimt belanghebbende toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (hierna: BOF) wegens schending van het in verdragen opgenomen discriminatieverbod. De Hoge Raad oordeelt dat de BOF niet discriminatoir is. De cassatierechter stelt voorop dat aan de wetgever in dit kader een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De doelstellingen van de wetgever, heel kort gezegd, voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vooral familiebedrijven zodat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt en stimulering van het ondernemerschap, zijn gerechtvaardigde doelstellingen. De BOF is bovendien niet van redelijke grond ontbloot. De wetgever mag zich baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de gekozen oplossing, mits die veronderstellingen niet evident onredelijk zijn. Empirische onderbouwing is niet vereist, aldus de Hoge Raad.

NTFR 2013/2327 - Pechpasovereenkomst vormt een verzekering

ECLI:NL:PHR:2013:1050, datum uitspraak 30-09-2013, publicatiedatum 01-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. E. Alink
Belanghebbende geeft een pechpas uit die tegen een jaarlijkse bijdrage recht geeft op pechhulp aan gebruikers van (elektrische) fietsen, rolstoelen en elektrische scooters. De pechhulp bestaat uit kosteloze reparatie of kosteloos vervoer van pashouder en vervoersmiddel naar huis of vertrekpunt. De kosten van onderdelen worden niet door de pechpas gedekt. In geschil is of belanghebbende assurantiebelasting verschuldigd is over de vergoeding die zij pechpashouders jaarlijks in rekening brengt, met name of de pechpas een verzekering, en belanghebbende een verzekeraar is in de zin van de Wet BRV. Volgens Hof Den Bosch (NTFR 2013/308) is geen sprake van een (schade)verzekeringsovereenkomst.

NTFR 2013/2328 - Eerste Kamer heeft wijziging Mediawet 2008 aangenomen. Vrijstelling overdrachtsbelasting bij samengaan omroepen

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013
De Eerste Kamer heeft op 5 november 2013 de wijziging van de Mediawet 2008 aangenomen. De wet bevat ook een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting voor onroerende zaken die overgaan bij een fusie of samenwerking van omroepen, met een vrijstelling bij teruglevering als de fusie of samenwerking mislukt. Op 15 november 2013 is de wet in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2013, 454).

NTFR 2013/2329 - KB-Lux: verlengde navorderingstermijn niet overschreden

ECLI:NL:HR:2013:1215, datum uitspraak 22-11-2013, publicatiedatum 22-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. P.G.M. Jansen
Begin 2002 heeft tussen belanghebbende en de inspecteur correspondentie plaatsgevonden, waarbij belanghebbende gegevens heeft verstrekt over haar KB-Luxrekening. Vervolgens heeft belanghebbende zich tot een advocaat gewend. Deze advocaat heeft in mei 2002 aangegeven dat hij de vragen van de inspecteur pas zal beantwoorden als de staatssecretaris de vragen heeft beantwoord die de advocaat aan hem heeft gesteld. Pas in november en december 2002 heeft verdere correspondentie plaatsgevonden tussen de inspecteur en de advocaat. Bij brief van 29 april 2003 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB 1991 t/m 1997 aangekondigd. Deze zijn eind mei 2003 opgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van deze navorderingsaanslagen de vereiste voortvarendheid in acht heeft genomen.

NTFR 2013/2330 - Hof moet herzieningsverzoek deels in behandeling nemen

ECLI:NL:HR:2013:1208, datum uitspraak 22-11-2013, publicatiedatum 22-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. R. den Ouden
Aan belanghebbende zijn over een reeks van jaren navorderingsaanslagen IB/PVV met boeten opgelegd in verband met een KB-Luxrekening. Hof Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 juni 2010, NTFR 2010/1577 die navorderingsaanslagen en boeten verminderd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 november 2011, NTFR 2011/2781, de hofuitspraak vernietigd in zoverre deze betrekking heeft op de boetes, en de zaak voor de boetes verwezen naar Hof Den Haag. Wat de navorderingsaanslagen betreft is de hofuitspraak in stand gebleven. Belanghebbende heeft op 8 december 2011 een verzoek tot herziening van de hofuitspraak van 10 juni 2010 ingediend. Het hof heeft dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak van 10 juni 2010 door de verwijzing naar Hof Den Haag niet onherroepelijk vaststond. De Hoge Raad is het daarmee niet eens. In zoverre de Hoge Raad in het arrest van 25 november 2011 de hofuitspraak in stand heeft gelaten – dus wat de navorderingsaanslagen betreft – is deze uitspraak onherroepelijk geworden en kan in zoverre om herziening van de hofuitspraak worden verzocht. Voor de boetes is de zaak verwezen, zodat de hofuitspraak in zoverre niet onherroepelijk vaststond.

NTFR 2013/2331 - Hof past wegingsfactor 0,25 toe vanwege de grote hoeveelheid beroepszaken (3.500-4.000)

ECLI:NL:GHAMS:2013:3685, datum uitspraak 17-10-2013, publicatiedatum 30-10-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. dr. N. Djebali
Belanghebbende heeft in 2010 aangifte BPM gedaan, resulterend in een te betalen BPM-bedrag van € 9.244. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen haar eigen aangifte en verweerder heeft hiermee – uiteindelijk in beroep – ingestemd. Enkel de (hoogte van de) proceskostenvergoeding is nog in geschil. Het hof is van oordeel dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, omdat het bezwaar van belanghebbende niet is gericht tegen een besluit van de inspecteur, maar tegen het BPM-bedrag dat hij op aangifte heeft voldaan. Belanghebbende heeft wel recht op een proceskostenvergoeding in beroepsfase, maar het hof ziet geen bijzondere omstandigheden om een integrale proceskostenvergoeding toe te wijzen. Belanghebbende heeft in de beroepsfase rechtsbijstand verleend in zo’n 4.000 zaken. Er is geen sprake van samenhangende zaken in de zin van het Bpb. Het hof acht dat het nagenoeg onmogelijk is en, gelet op de strekking van het besluit, ook niet wenselijk om de vergoeding van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in elke individuele zaak te berekenen op de voet van de bijlage bij het besluit, omdat een dergelijke berekening zou leiden tot een vergoeding die de werkelijke kosten overtreft. Het hof past dan ook een wegingsfactor van 0,25 toe.

NTFR 2013/2333 - Ambtshalve vermindering hangende het hoger beroep conform rechtbankuitspraak leidt tot niet-ontvankelijkverklaring incidenteel hoger beroep

ECLI:NL:GHARL:2013:7501, datum uitspraak 08-10-2013, publicatiedatum 24-10-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. M.J. Hamer
Belanghebbende heeft op 30 december 2004 het pand a-straat 1 en de b-onroerende zaken verkocht aan de gemeente voor een totaalprijs van € 915.000. In de akte van levering is vermeld dat de koopsom voor a-straat 1 € 365.000 bedraagt en dat voor de b-onroerende zaken € 550.000 is overeengekomen. De inspecteur wenst – in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden – uit te gaan van een splitsing van de koopsom van € 490.000 en € 425.000. De rechtbank heeft belanghebbende bij uitspraak van 12 juli 2012 gedeeltelijk in het gelijk gesteld, waartegen belanghebbende in hoger beroep is gekomen. De inspecteur heeft daarop incidenteel geappelleerd. Hangende het hoger beroep, op 28 februari 2013, heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. Gelet hierop komt het hof ambtshalve tot het oordeel dat het incidentele hoger beroep van de inspecteur niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De inspecteur heeft namelijk geen gebruikgemaakt van het recht van opschorting ex art. 27h, lid 5, AWR en hij is afgeweken van het beleid van de staatssecretaris (Besluit beroep in belastingzaken). Nu hij hiervoor bewust heeft gekozen, is zijn belang bij het incidentele appel verloren gegaan. Dat de inspecteur zich ten tijde van het verlenen van de ambtshalve vermindering hiervan niet bewust was, doet hieraan niet af, aldus het hof. Voor wat betreft de splitsing van de koopsom maakt de inspecteur zijn meer subsidiaire stelling (in het kader van het principale hoger beroep) dat het pand a-straat 1 een waarde heeft van € 420.000 aannemelijk.

NTFR 2013/2334 - Nog niet onherroepelijke informatiebeschikking geheel vervallen door uitspraak op bezwaar

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. P.T. van Arnhem
Aan belanghebbende is een informatiebeschikking afgegeven. Het daartegen gemaakte bezwaar is door de inspecteur deels toegewezen voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. In geschil is of de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en of de informatiebeschikking geheel of gedeeltelijk is vervallen door de uitspraak op bezwaar.

NTFR 2013/2336 - Aanslag is niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat bezwaar ontvankelijk is

ECLI:NL:HR:2013:1461, datum uitspraak 29-11-2013, publicatiedatum 29-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013
Belanghebbende betwist dat hij de definitieve aanslag IB/PVV 2007 heeft ontvangen waardoor hij pas later op de hoogte was van de aanslag. Het door hem ingediende bezwaar was volgens belanghebbende dan ook tijdig ingediend. Naar het oordeel van hof Amsterdam (NTFR 2013/1459) heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende bekend is gemaakt. De bezwaartermijn is dan ook niet aangevangen, zodat het bezwaarschrift van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Wat de hoogte van de aanslag betreft staat vast dat belanghebbende een uitkering heeft ontvangen die hij niet in zijn aangifte heeft opgenomen. De teruggaven in eerdere jaren berustten niet op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur zodat belanghebbende daaraan niet het vertrouwen kon ontlenen dat de op de aangifte IB/PVV 2007 verleende voorlopige teruggaaf definitief van karakter zou zijn.

NTFR 2013/2337 - Inwerkingtreding wijzigingsprotocol belastingverdrag met Noorwegen

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013
Volgens Trb. 2013, 236 is het op 23 april 2013 tot stand gekomen protocol tot wijziging van het belastingverdrag met Noorwegen op 30 november 2013 in werking getreden. Ingevolge art. XX van het protocol vinden de nieuwe bepalingen toepassing voor belastingen die betrekking hebben op het kalenderjaar 2014, met inbegrip van boekjaren die in dat jaar aanvangen, en verder. De nieuwe bepalingen inzake uitwisseling van informatie en bijstand bij invordering zijn tevens van toepassing op informatie en invordering over voorafgaande jaren.

NTFR 2013/2338 - Britse verliesverrekening strijdig met vrijheid van vestiging door eis dat de schakelvennootschap binnen de groep in het VK moet zijn gevestigd

Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. W.F.E.M. Egelie
Felixstowe Dock and Railway Company Ltd. en zeven andere in het Verenigd Koninkrijk gevestigde groepsmaatschappijen zijn lid van de Hutchison Whampoa Group, waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij in Hongkong is gevestigd. Hutchison 3G UK Ltd., actief in de telefonie, heeft enkele jaren aanzienlijke verliezen geleden. In het VK kan een vennootschap verliezen fiscaal overdragen aan een andere vennootschap waarmee zij bepaalde vennootschapsbanden heeft. Deze verliesoverdracht is op grond van het recht van het VK niet mogelijk als de vennootschap die de schakel vormt tussen de vennootschap die de verliezen overdraagt en de ontvangende vennootschap, in een andere lidstaat is gevestigd. Binnen de Hutchison Whampoa Group wordt de schakel gevormd door een in Luxemburg gevestigde vennootschap. De Engelse rechter vraagt of hierdoor sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging, ook voor het geval sprake zou zijn van een schakelvennootschap in een derde land. A-G Jääskinen concludeert dat het vereiste dat de schakelvennootschap in het VK moet zijn gevestigd of er een vaste inrichting heeft, een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van vestiging vormt. De Luxemburgse schakelvennootschap bevindt zich in een minder gunstige positie dan een dergelijke schakelvennootschap in het VK. Ook de in het VK gevestigde vennootschappen, die zelf geen gebruik maken van de vrijheid van vestiging, kunnen zich beroepen op de vrijheid van vestiging omdat zij zijn verbonden met de Luxemburgse vennootschap. Dit is ongeacht of zij uiteindelijk door de in Hongkong gevestigde moedermaatschappij worden gecontroleerd. Het is niet verboden te eisen dat de laagste gemeenschappelijke moedermaatschappij binnen de vennootschapsgroep waartoe de schakelvennootschap en de vennootschappen waaraan de fiscale verliezen worden overgedragen, een in de EU gevestigde vennootschap is en dat de banden tussen de schakelvennootschap en de vennootschappen waaraan de verliezen worden overgedragen, alleen uit in de EU gevestigde vennootschappen bestaan. De positie van een schakelvennootschap in een derde land is in het arrest Philips Electronics al beantwoord.

NTFR 2013/2339 - Naheffingsaanslag OB terecht opgelegd

ECLI:NL:GHAMS:2013:3467, datum uitspraak 17-10-2013, publicatiedatum 30-10-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. drs. E.P.A. Brakeboer
Belanghebbende heeft in 2005 en 2006 aannemingswerkzaamheden verricht aan panden te Amsterdam. Hij heeft – in 2006 – facturen uitgereikt aan de opdrachtgever onder vermelding van respectievelijk € 27.960 en € 1.753 aan btw. Belanghebbende heeft deze btw niet in zijn aangifte over het desbetreffende tijdvak aangegeven. Het hof is van oordeel dat de btw op grond van art. 37 Wet OB 1968 verschuldigd is geworden in 2006. In dit artikel is immers bepaald dat de persoon die op een factuur melding maakt van omzetbelasting die hij, anders dan op grond van dit artikel, niet verschuldigd is geworden, die belasting verschuldigd wordt op het moment dat hij die factuur uitreikt. Belanghebbende kan de ten onrechte gefactureerde btw niet herzien, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in het besluit ‘Administratieve, facturerings- en andere verplichtingen’. Verder beroept belanghebbende zich op het recht op teruggaaf OB, omdat een factuur niet betaald is. Dit beroep wordt eveneens verworpen, omdat hij daarvoor een apart teruggaafverzoek ingediend zou moeten hebben.

NTFR 2013/2340 - Naheffingsaanslag omzetbelasting terecht opgelegd omdat ingekochte auto’s geen margeauto’s waren

ECLI:NL:RBGEL:2013:3277, datum uitspraak 26-09-2013, publicatiedatum 27-09-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. A.J. Blank
Belanghebbende, X bv, exploiteert een groothandel in onder meer personenauto’s. In 2008 heeft belanghebbende in totaal 196 gebruikte auto’s uit Spanje ingekocht. Vijf van de ingekochte auto’s hadden op het moment van levering aan belanghebbende minder dan 6.000 kilometers gereden. Alle leveranciers van de auto’s waren onderdeel van het concern van autofabrikant J. De ingekochte auto’s betroffen zogeheten ‘buy backs’ en ‘company cars’. Op de facturen heeft J ‘delivery under margin regularization’ vermeld. Belanghebbende heeft met betrekking tot de door haar ingekochte auto’s geen intracommunautaire verwervingen in haar aangiften omzetbelasting opgenomen. Belanghebbende heeft alle auto’s doorverkocht met toepassing van de margeregeling. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de uit Spanje ingekochte auto’s geen margeauto’s waren en dat belanghebbende bij de doorverkoop van deze auto’s ten onrechte de margeregeling heeft toegepast. Aan belanghebbende is daarom een naheffingsaanslag omzetbelasting met een verzuimboete opgelegd. In geschil is of dat terecht is.

NTFR 2013/2341 - A-G Van Hilten belicht indelingsregels voor 'Petrikov Creamy Green'

ECLI:NL:PHR:2013:925, datum uitspraak 13-09-2013, publicatiedatum 18-10-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend voor een bindende tariefinlichting (bti) voor het product ‘Petrikov Creamy Green’ (Petrikov) dat blijkens het aanvraagformulier een gearomatiseerde drank is op basis van gefermenteerde alcohol, versterkt met gedistilleerde alcohol tot 12,5% vol. De drank is een ondoorzichtige, groen gekleurde drank met een alcoholgehalte van 13,4% vol (waarvan meer dan de helft van vergisting afkomstig). De inspecteur heeft Petrikov ingedeeld onder post 2208 70 10 van de GN (‘likeuren in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 liter’).

NTFR 2013/2342 - Op verzoek verstrekken van kopieën bestemmingsplan vormt een dienst: legesheffing is terecht

ECLI:NL:HR:2013:1446, datum uitspraak 29-11-2013, publicatiedatum 29-11-2013
Aflevering 49, gepubliceerd op 05-12-2013
Belanghebbende heeft bij de gemeente Enschede een verzoek ingediend om haar kopieën te verstrekken inzake een bestemmingsplan. Hieraan heeft de gemeente voldaan en belanghebbende hiervoor € 89,90 aan leges in rekening gebracht. Het bestemmingsplan was op het gemeentehuis kosteloos in te zien. Belanghebbende stelt dat de gemeente haar geen leges in rekening mag brengen, omdat het een zogenoemd WOB-verzoek betreft. Hof Arnhem (NTFR 2013/287) onderschrijft die stelling niet. Ook al zou sprake zijn van een WOB-verzoek, dan nog mag de gemeente hier leges in rekening brengen. De gemeente heeft namelijk de onderhavige informatie (het bestemmingsplan) reeds op een andere manier openbaar gemaakt, namelijk door toe te staan dan het bestemmingsplan kosteloos kan worden ingezien op het gemeentehuis. Door daarnaast op verzoek kopieën te verstrekken, is volgens het hof sprake van een dienst jegens belanghebbende.