Aflevering 21

Gepubliceerd op 21 mei 2015

NTFR 2015/1530 - Het Hof van Justitie en onze interne levering

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 geschreven door prof. mr. dr. R.A. Wolf
Op deze plek wil ik aandacht besteden aan wat eigenaardigheden van het Hof van Justitie en dan met name die ten aanzien van ‘onze’ interne levering. Per 1 januari 2014 afgeschaft, wellicht mede wegens vermeende strijd met het Unierecht, per 18 februari jongstleden door het Hof van Justitie gerehabiliteerd.

NTFR 2015/1531 - Orthopedisch chirurg met jarenlang negatief resultaat heeft geen bron van inkomen

ECLI:NL:GHARL:2015:2563, datum uitspraak 31-03-2015, publicatiedatum 10-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van drs. N.E. Vis
Belanghebbende was tot 1995 als orthopedisch chirurg in dienstbetrekking werkzaam. In de jaren erna heeft belanghebbende werkzaamheden verricht als orthopedisch chirurg. Hij heeft in dat verband steeds negatieve resultaten aangegeven. In de onderhavige jaren (2005 tot en met 2008) claimt belanghebbende aftrek van deze negatieve resultaten. Het hof staat dit echter niet toe, aangezien geen sprake is van een objectieve voordeelverwachting, zodat een bron van inkomen ontbreekt. De enkele omstandigheid dat de inspecteur voor de jaren 2001 en 2006 het verlies wel in aanmerking heeft genomen is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn kent het hof belanghebbende wel een vergoeding voor immateriële schade toe.

NTFR 2015/1534 - Leden zijn bij studentenvereniging in dienstbetrekking

ECLI:NL:HR:2015:1172, datum uitspraak 01-05-2015, publicatiedatum 01-05-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van drs. J.C. de Zeeuw
Belanghebbende, een studentenvereniging, drijft een onderneming. Zij exploiteert onder meer een bioscoop, een cafébedrijf, verhuurt zalen en organiseert evenementen en festivals. De werkzaamheden worden uitsluitend verricht door leden van de studentenvereniging. In geschil is of sprake is van een dienstbetrekking tussen de leden en de studentenvereniging. In het bijzonder is in geschil of sprake is van een gezagsverhouding. Hof Amsterdam 10 juli 2014, nr. 12/00579 (NTFR 2014/2198) heeft die vragen bevestigend beantwoord. Belanghebbende is namelijk bevoegd om aanwijzingen te geven over de wijze waarop de werkzaamheden in haar onderneming door de medewerkers moeten worden uitgevoerd. De medewerkers zijn verplicht om de door belanghebbende verstrekte aanwijzingen op te volgen. Belanghebbende was voorts op haar beurt verplicht de medewerkers voor de geleverde prestaties te betalen, aldus het hof. De Hoge Raad sluit zich aan bij de visie van het hof.

NTFR 2015/1535 - Geen toepassing 30%-regeling voor nieuwe dienstbetrekking omdat niet is voldaan aan driemaandeneis

ECLI:NL:GHARL:2015:2043, datum uitspraak 17-03-2015, publicatiedatum 27-03-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van dr. F.M. Werger
Belanghebbende is in India geboren. Sinds 2009 woont en werkt hij in Nederland. De 30%-regeling is op belanghebbende van toepassing verklaard van 1 juli 2010 tot en met 31 mei 2019. Per 1 december 2012 is belanghebbende echter uit dienst getreden bij zijn werkgever. In februari 2013 is aan belanghebbende een appartement opgeleverd. Op 23 april 2013 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten bij een nieuwe werkgever. Per 2 mei 2013 is hij begonnen met de werkzaamheden. De inspecteur heeft toepassing van de 30%-regeling voor de nieuwe dienstbetrekking geweigerd. Volgens het hof is dat terecht, omdat niet is voldaan aan de wettelijke driemaandeneis die inhoudt dat de termijn tussen het einde van de oude dienstbetrekking en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever niet langer is dan drie maanden. Dat belanghebbende even niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt omdat hij heeft gezocht naar woonruimte is niet van belang.

NTFR 2015/1538 - Bestelauto is niet (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor goederenvervoer

ECLI:NL:GHAMS:2014:4217, datum uitspraak 25-09-2014, publicatiedatum 12-12-2014
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. H.A. Elbert
In verband met zijn werkzaamheden als storingsmonteur is aan belanghebbende door de werkgever een bestelauto ter beschikking gesteld. In geschil is of de inspecteur terecht het door belanghebbende in zijn aangifte opgegeven negatieve bedrag wegens privégebruik auto heeft gecorrigeerd. Aan de hand van een descente van Rechtbank Noord-Holland en verklaringen van belanghebbende oordeelt het hof dat de auto ook geschikt is voor privégebruik. De uit de aard en inrichting van de auto blijkende werkzaamheden (vervoer van gereedschappen en te vervangen materialen van openbare verlichting) brengen in het algemeen niet mee dat de auto (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen. Het hof acht evenmin aannemelijk dat de werkzaamheden van belanghebbende (in het algemeen) met zich meebrengen dat hij tijdens die werkzaamheden wordt vergezeld door een hulp of bijrijder, op welke grond de tweede stoel in de cabine aan die werkzaamheden zou zijn toe te rekenen. Ook als de bijrijder meerijdt omdat zonder zijn hulp belanghebbende de lading (lantaarnpalen) niet op de plaats van bestemming kan lossen, heeft de bijrijdersstoel niet (nagenoeg) uitsluitend een functie voor het vervoer van goederen. De bijrijder verricht volgens belanghebbende namelijk ook andere werkzaamheden voor de werkgever die losstaan van het vervoer van de goederen. Functioneel bezien dient het meerijden van de bijrijder dan ook niet te worden toegerekend aan het vervoer van goederen.

NTFR 2015/1539 - Stapeling forfaits bij waardebepaling verhuurde woning in box 3 onder omstandigheden niet toegestaan

ECLI:NL:HR:2015:171, datum uitspraak 30-01-2015, publicatiedatum 30-01-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. drs. E.J.H. Vermeulen
Belanghebbende is eigenaar van een verhuurde bovenwoning. De huurster van de bovenwoning geniet huurbescherming. Daardoor kan belanghebbende de huur niet aanpassen aan marktconforme prijzen en mag de huur jaarlijks maximaal worden geïndexeerd met een wettelijk vastgesteld percentage. Per 2010 wordt de bovenwoning in box 3 op grond van art. 5.20, lid 3, Wet IB 2001 jo. art. 17a Uitv.besl. IB 2001 in aanmerking genomen voor de WOZ-waarde (€ 623.000), waarbij door middel van de leegwaarderatio (60%) rekening wordt gehouden met de lagere waarde wegens de verhuurde staat. De bovenwoning is voor de aanslag IB 2010 in aanmerking genomen voor een waarde van € 373.800. De rijkstaxateur heeft de waarde in het economische verkeer in verhuurde staat vastgesteld op € 274.000. Hof Den Haag (NTFR 2014/1388) heeft geoordeeld dat art. 1 EP is geschonden. De Hoge Raad casseert de hofuitspraak en verwijst naar HR 3 april 2015, nr. 13/04247, NTFR 2015/1298. Daarin is geoordeeld dat art. 17a Uitv.besl. IB 2001 buiten toepassing blijft als komt vast te staan dat de uit een stapeling van forfaits voortvloeiende waardering van een verhuurde woning in betekenende mate (10% of meer) hoger is dan de werkelijke waarde daarvan. In dat geval dient voor art. 5.20, lid 3, Wet IB 2001 te worden uitgegaan van de werkelijke waarde op de WOZ-waardepeildatum (1 januari 2009). Pas als een oordeel is gegeven over de in aanmerking te nemen waarde, kan worden beoordeeld of de daaruit voortvloeiende belastingheffing in strijd komt met art. 1 EP.

NTFR 2015/1540 - Advocaatkosten in kader van echtscheidingsprocedure zijn niet aftrekbaar

ECLI:NL:GHARL:2015:2565, datum uitspraak 31-03-2015, publicatiedatum 10-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. P.T. van Arnhem
Belanghebbende is tot 2004 gehuwd geweest. In het echtscheidingsconvenant is opgenomen ‘dat de waarde van de levensverzekeringen en koopsompolissen bij helfte worden verdeeld. (…) De levensverzekeringen en koopsompolissen zullen alle aan de man worden toebedeeld resp. voor zijn rekening en risico worden voortgezet, onder de last van verrekening.’ De ex-echtgenote heeft belanghebbende doen dagvaarden voor de civiele rechter met als eis onmiddellijke verrekening en uitbetaling van de levensverzekeringen en koopsompolissen. Belanghebbende heeft ter verdediging van zijn belangen in de civiele procedure een advocaat ingeschakeld. Hiervoor heeft de advocaat belanghebbende vergoedingen in rekening gebracht. Belanghebbende wenst de advocaatkosten in aftrek te brengen op het inkomen uit werk en woning. Volgens het hof is dat echter niet mogelijk.

NTFR 2015/1542 - Niet vooraf aangekondigde naheffingsaanslag ter zake van leveringen van een perceel en een vrachtwagen is terecht opgelegd

ECLI:NL:GHARL:2015:2569, datum uitspraak 31-03-2015, publicatiedatum 10-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. E.H.A.M. Thijssen
Belanghebbende, een vof, heeft in 2001 een perceel verkocht en geleverd aan een derde. Belanghebbende heeft voorts een vrachtwagen verkocht waarbij omzetbelasting in rekening is gebracht. Ter zake van deze transacties heeft belanghebbende geen omzetbelasting op aangifte voldaan. De inspecteur heeft zonder aankondiging vooraf nageheven met een vergrijpboete van 100%. De naheffingsaanslag is onmiddellijk invorderbaar verklaard en er is executoriaal beslag gelegd. In bezwaar heeft de ontvanger medegedeeld geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen te zullen treffen. Belanghebbende is in bezwaar gehoord. De rechtbank (Rechtbank Arnhem 12 juli 2012, nr. 09/2018) heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd maar de boete verminderd tot € 24.000. In hoger beroep vecht belanghebbende de naheffingsaanslag eveneens vergeefs aan. Het hof zet onder meer uiteen dat het verdedigingsbeginsel niet geschonden is, belanghebbende de leveringen als ondernemer heeft verricht, sprake is van een bouwterrein en dat de akte(n) van levering een factuur ex art. 37 Wet OB 1968 vormen. Van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is volgens het hof geen sprake. Met betrekking tot de boete heeft belanghebbende wel succes. Het bewijs van opzet of grove schuld is volgens het hof namelijk niet geleverd door de inspecteur.

NTFR 2015/1546 - Bouwleges behoren tot vergoeding integratielevering ziekenhuis; kapitaallasten en overheidsbijdragen in noemer pro rata

ECLI:NL:RBDHA:2015:3490, datum uitspraak 09-03-2015, publicatiedatum 01-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. A.J. Blank
Belanghebbende heeft op eigen grond een nieuw ziekenhuis gebouwd dat in mei 2011 in gebruik is genomen. Belanghebbende verricht voornamelijk vrijgestelde prestaties. Zij heeft de integratielevering van het ziekenhuis in haar aangifte verantwoord. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd en heeft daarbij de vergoeding van de integratielevering bouwleges verhoogd met de voor de bouw van het ziekenhuis geheven bouwleges. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Volgens de rechtbank is dit het geval. De vergoeding voor de integratielevering moet op grond van art. 8, lid 3, Wet OB 1968 worden gesteld op de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen of, als die er niet is, de kostprijs ten tijde van de integratielevering. De rechtbank oordeelt dat de bouwleges tot de kostprijs van het ziekenhuis behoren. Het arrest Danske Bilimportører (HvJ 1 juni 2006, zaak C-98/05, NTFR 2006/978) leidt niet tot een ander oordeel, omdat het daar ging om de vraag in hoeverre een door de verkoper doorberekend bedrag behoorde tot de vergoeding die door de leverancier in rekening werd gebracht. Het ging daarbij derhalve om de invulling van het begrip vergoeding als bedoeld in art. 8, lid 2, Wet OB 1968.

NTFR 2015/1547 - A-G Van Hilten belicht het 'oude' systeem van omzetbelastingheffing bij kansspelautomaten

ECLI:NL:PHR:2015:545, datum uitspraak 21-04-2015, publicatiedatum 08-05-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van E.H. van den Elsen
Sinds 1 juli 2008 worden in Nederland kansspelautomatenspelen als kansspelen in de zin van de Wet OB 1968 aangemerkt. Dat betekent dat de daarmee behaalde omzet onder de vrijstelling van art. 11, lid 1, onderdeel l, Wet OB 1968 valt. Voordien golden deze op automaten gespeelde kansspelen in Nederland niet als ‘kansspelen’ in de zin van de kansspelbelasting, zodat enerzijds de op kansspelautomaten gewonnen prijzen niet in de heffing van kansspelbelasting werden betrokken, maar anderzijds de (door de exploitant behaalde) opbrengst uit kansspelautomaten belast was met omzetbelasting. De vraag in deze procedure is of de Nederlandse heffing van omzetbelasting ter zake van kansspelautomaten vóór 1 juli 2008 in strijd is met art. 13, B, sub f, Zesde Richtlijn (thans art. 135, lid 1, aanhef en onderdeel i, Btw-richtlijn), dan wel met het aan deze richtlijnen ten grondslag liggende beginsel van fiscale neutraliteit.

NTFR 2015/1550 - Te lage BPM-aangifte leidt tot omkering en vezwaring van de bewijslast

ECLI:NL:RBGEL:2015:662, datum uitspraak 05-02-2015, publicatiedatum 09-02-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Belanghebbende heeft aangifte BPM gedaan op basis van een taxatierapport. In dit taxatierapport is de handelsinkoopwaarde berekend door de koerslijstwaarde te verminderen met de schade. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd die is gebaseerd op een taxatierapport, waarbij de auto is vergeleken met referentievoertuigen. Van de aldus bepaalde verkoopwaarde is een handelsmarge en een bedrag aan schade in mindering gebracht. De inspecteur komt op een hogere waarde uit en stelt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. In geschil is of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag BPM is opgelegd.

NTFR 2015/1551 - Te lage BPM-aangifte leidt niet tot omkering en verzwaring bewijslast

ECLI:NL:RBGEL:2015:655, datum uitspraak 05-02-2015, publicatiedatum 05-02-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Belanghebbende heeft aangifte BPM gedaan op basis van een taxatierapport. In dit taxatierapport is de handelsinkoopwaarde berekend door de koerslijstwaarde te verminderen met de schade. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd die is gebaseerd op een taxatierapport, waarbij de auto is vergeleken met referentievoertuigen. Van de aldus bepaalde verkoopwaarde is een handelsmarge en een bedrag aan schade in mindering gebracht. De inspecteur komt op een hogere waarde uit en stelt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. In geschil is of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag BPM is opgelegd.

NTFR 2015/1552 - Terechte naheffing omdat ten onrechte is uitgegaan van koerslijstwaarde minus volledige schade I

ECLI:NL:RBGEL:2014:7288, datum uitspraak 27-11-2014, publicatiedatum 27-11-2014
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Belanghebbende (X) heeft in het buitenland twee auto’s gekocht en ter zake daarvan aangifte BPM gedaan. In de berekening bij de aangifte is bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM ‘Taxatierapport’ aangekruist. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd. De daarin berekende handelsinkoopwaarde is tot stand gekomen door aan de hand van de koerslijstwaarde een afschrijvingspercentage te berekenen. Dit percentage is vervolgens in mindering gebracht op de consumentenprijs. Op het aldus resterende bedrag is een bedrag aan schade in mindering gebracht. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen BPM opgelegd. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd.

NTFR 2015/1553 - Naheffing voor kortstondig gebruik openbare weg is niet mogelijk

ECLI:NL:RBZWB:2014:6784, datum uitspraak 30-09-2014, publicatiedatum 19-12-2014
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd wegens gebruik van de openbare weg van 5 november 2009 tot en met 31 december 2009 met een niet in Nederland geregistreerde auto. De inspecteur is van mening dat heffing wegens kortstondig gebruik van de openbare weg op grond van jurisprudentie van het HvJ wel mogelijk is. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag. Naheffing is volgens het systeem van de wet alleen mogelijk indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is voldaan. Nu het in 2009 niet mogelijk was om ter zake van kortstondig gebruik BPM op aangifte te voldoen, is er geen situatie dat de belasting op aangifte behoorde te worden voldaan. Naheffing is niet mogelijk.

NTFR 2015/1557 - Informatiebeschikkingen aan KB-Luxrekeninghouders terecht I

ECLI:NL:GHAMS:2015:1412, datum uitspraak 05-03-2015, publicatiedatum 22-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Meneer X en mevrouw Y (ook: het echtpaar) hadden volgens de inspecteur een bankrekening aangehouden bij KB-Lux. Over de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB over de jaren vóór 2009 die zijn opgelegd aan meneer X, lopen procedures. Over de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB over de jaren vóór 2009 die zijn opgelegd aan mevrouw X, heeft de Hoge Raad bevestigd dat zij in de desbetreffende jaren rekeninghouder was. Naar aanleiding van de aangiften IB/PVV 2009 en 2010 heeft de inspecteur vragen gesteld aan het echtpaar, maar deze bleven onbeantwoord. Daarop heeft de inspecteur informatiebeschikkingen genomen, waartegen het echtpaar in bezwaar en beroep is gegaan. In de procedure van meneer X oordeelt het hof dat de inspecteur de informatie had opgevraagd met het oog op de microfiches en de door de Belastingdienst gemaakte ‘match’, zodat de inspecteur zich op het standpunt had kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de heffing van inkomstenbelasting voor de jaren 2009 en 2010. De informatiebeschikking was terecht genomen omdat de gestelde vragen niet waren beantwoord. Ook in de procedure van mevrouw Y oordeelt het hof dat de informatiebeschikking terecht was genomen. Het ging om informatie die van belang kon zijn voor de bepaling van de hoogte van de aan mevrouw Y op te leggen aanslag IB 2009. De informatie waar de inspecteur om had gevraagd, was gebaseerd op renseignementen van destijds en het ten aanzien van mevrouw Y gewezen arrest van de Hoge Raad waarmee was komen vast te staan dat zij houdster was van een bankrekening in Luxemburg. De inspecteur had zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2009.

NTFR 2015/1559 - Ondeugdelijke rittenadministratie voor auto van de zaak: boeten terecht

ECLI:NL:GHARL:2015:2564, datum uitspraak 31-03-2015, publicatiedatum 10-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. drs. R. Steenman
Belanghebbende heeft in 2011 en 2012 van zijn eigen vennootschap een auto ter beschikking gesteld gekregen. Op zijn verzoek is hem een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ verstrekt door de inspecteur. Belanghebbende heeft in de rittenadministratie van 2011 bepaalde ritten niet verantwoord en hij is uitgegaan van bepaalde standaardkilometers. Voor 2012 heeft belanghebbende drie verschillende rittenadministraties overgelegd. De inspecteur achtte de rittenadministraties ondeugdelijk en heeft over 2011 loonheffing nageheven met een vergrijpboete van 100% en over 2012 met een verzuimboete van € 1.920. De rechtbank heeft de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen in stand gelaten. Belanghebbende heeft tegen de boetebeschikkingen hoger beroep ingesteld. Het hof acht, gelet op de gebrekkige rittenadministratie over 2011, voorwaardelijk opzet aan de zijde van belanghebbende aannemelijk. Het hof acht, overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur, een vergrijpboete van 50% passend en geboden voor het vergrijp dat door belanghebbende is begaan. Met betrekking tot 2012 is het hof van oordeel dat, nu belanghebbende niet heeft geappelleerd tegen de naheffingsaanslag, in hoger beroep vaststaat dat het betalingsverzuim ex art. 67c AWR zich heeft voorgedaan. Overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur, acht het hof een boete van € 960 passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

NTFR 2015/1560 - Geen procesbelang bij bezwaar tegen nihilaanslag en de daarbij gegeven verliesverrekeningsbeschikking

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059, datum uitspraak 10-03-2015, publicatiedatum 10-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. P.G.M. Jansen
Belanghebbende heeft voor 2011 aangifte VPB gedaan naar een belastbaar bedrag, na verrekening van verliezen, van nihil. Belanghebbende heeft nadien, om een verliesverdamping van € 3.000.000 aan te verrekenen verliezen in 2011 te voorkomen, een haventerrein eenmalig met ruim € 4.300.000 opgewaardeerd. De inspecteur heeft deze opwaardering niet geaccepteerd en een nihilaanslag opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De door belanghebbende ingestelde bezwaar- en beroepsprocedure kan haar niet in een betere positie brengen met betrekking tot de aanslag en de verliesverrekeningsbeschikking. De aan belanghebbende opgelegde aanslag kan in bezwaar en beroep niet worden verlaagd. Daarnaast wijzigt ook het belastbare bedrag niet, indien een hoger bedrag aan verliezen uit voorgaande jaren zou moeten worden verrekend.

NTFR 2015/1562 - Theoretische omzetberekening kan stelling dat vereiste aangifte niet is gedaan, niet dragen

ECLI:NL:RBNNE:2015:1476, datum uitspraak 24-02-2015, publicatiedatum 02-04-2015
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015 met annotatie van mr. J. Kastelein
Belanghebbende drijft in de vorm van een bv een horecagelegenheid. Bij deze bv is een boekenonderzoek ingesteld. De inspecteur heeft daarin administratieve gebreken, met name het ontbreken van primaire vastleggingen van de verkopen, geconstateerd en vervolgens een theoretische omzetberekening gemaakt. Vervolgens zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2007 tot en met 2010 opgelegd, waarin de inspecteur de op basis van de theoretische omzetberekening gecorrigeerde winst heeft nagevorderd. In geschil is of deze belastingaanslagen terecht zijn vastgesteld met toepassing van de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat eerst aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast moet worden beoordeeld of sprake is van gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eerst moet de inspecteur bewijzen dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De enkele verwijzing naar de theoretische omzetberekening is daarvoor onvoldoende, nu die theoretische omzetberekening niet is gestaafd door feiten die tot bewijs kunnen dienen. De rechtbank staat de omkering en verzwaring van de bewijslast niet toe. Nu de inspecteur evenmin slaagt in zijn bewijs dat de door de bv aangegeven winst te laag is en de bv hiermee een verkapte winstuitdeling aan belanghebbende heeft gedaan, vernietigt de rechtbank de navorderingsaanslagen.

NTFR 2015/1568 - Toepassing gewijzigd OESO-commentaar op art. 15 en art. 17 OESO-Modelverdrag

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2015
Op 15 juli 2014 is een actualisering verschenen van het OESO-Modelverdrag en het bijbehorende OESO-commentaar (zie NTFR 2014/1979). In het gewijzigde commentaar wordt onder meer ingegaan op de behandeling van ontslagvergoedingen in internationale situaties (art. 15) en op de behandeling van beloningen voor voorbereidende werkzaamheden, zonder publieksgericht optreden, van sporters en artiesten (art. 17). In het onderhavige besluit komt aan de orde hoe met dit nieuwe OESO-commentaar moet worden omgegaan in verhouding tot de – op onderdelen afwijkende – jurisprudentie van de Hoge Raad over deze onderwerpen.