Aflevering 1

Gepubliceerd op 7 januari 2016

NTFR 2016/312 - Hoe zit het met de fundering?

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 geschreven door mr. A.J. van Lint
Op zoek naar steun voor zijn plannen heeft staatssecretaris Wiebes overleg gevoerd met vele verschillende fracties. ‘Ik heb koffie gedronken tot ik er een half delirium van kreeg’Kamerstukken II, 2015-2016, 34 302, nr. 25-20, p.1., liet hij de Tweede Kamer weten, maar tot een voldoende breed draagvlak om de plannen met een gerust hart naar de Eerste Kamer te sturen kwam het niet. Voor de camera verzuchtte de geplaagde bewindspersoon: ‘Belasting verhogen is moeilijk, maar dan moet je ze eens verlagen, dat is nog veel moeilijker!’ Wat maakt belastingverlaging zo’n lastig proces? Zijn er naast voor de hand liggende politieke oorzaken wellicht ook argumenten vanuit de fiscale wetenschap aan te dragen die dit fenomeen (mede) kunnen verklaren?

NTFR 2016/314 - Wetten Belastingplan 2016 in het Staatsblad gepubliceerd

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De wetten die tot het Belastingplan 2016 behoren zijn, evenals de Wet uitvoering common reporting standard, in het Staatsblad gepubliceerd. Over de desbetreffende wetten zijn tegelijkertijd referendabiliteitsbesluiten gepubliceerd op grond van de Wet raadgevend referendum. Daaruit blijkt dat alleen voor de Wet implementatie wijzigingen moeder-dochterrichtlijn 2015 geen referendum mogelijk is.

NTFR 2016/315 - Wijziging van enige uitvoeringsregelingen 2016

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De Regeling tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns wijzigt de uitvoeringsregelingen op het terrein van de directe belastingen, de indirecte belastingen, het formele belastingrecht en het douanerecht. Ook wijzigt deze regeling enkele tarieven in de Wet op de accijns. De wijzigingen vloeien onder meer voort uit het Belastingplan 2016 (BP 2016) en enkele andere wijzigingswetten. Daarnaast worden een aantal zelfstandige wijzigingen aangebracht en enkele redactionele wijzigingen.

NTFR 2016/316 - Eerste Kamer neemt pakket Belastingplan 2016 (incl. novelle) aan

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Belastingplan 2016 c.s. en de novelle bij dat wetsvoorstel aangenomen. Dit betekent dat de wetsvoorstellen Belastingplan 2016, Overige fiscale maatregelen 2016, Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds, Wet tegemoetkomingen loondomein en de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 zijn aangenomen. In dezelfde stemmingen is de Wet uitvoering Common Reporting Standard aangenomen.

NTFR 2016/318 - Rapport ‘Beleidsdoorlichting dienstverlening Belastingdienst’.

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De staatssecretaris van Financiën heeft het rapport ‘Beleidsdoorlichting dienstverlening Belastingdienst’ aan de Tweede Kamer gestuurd. De beleidsartikelen uit de rijksbegroting moeten periodiek worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. De onderhavige beleidsdoorlichting betreft een partiële doorlichting van de doelstelling van dienstverlening.

NTFR 2016/320 - Wijziging uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
In het verzamelbesluit tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen is een aantal wijzigingen opgenomen ten behoeve van de jaarlijkse aanpassing van de uitvoeringsbesluiten op het terrein van de directe belastingen, de indirecte belastingen, het formele belastingrecht, de inkomensafhankelijke regelingen en de voorkoming van dubbele belasting. De wijzigingen vloeien onder meer voort uit wijzigingen in de wetgeving op genoemde terreinen bij het Belastingplan 2016. Verder bevat het verzamelbesluit een aantal meer technische wijzigingen.

NTFR 2016/321 - Landbouwvrijstelling is van toepassing bij inbreng in vof van stille reserve

ECLI:NL:PHR:2015:2355, datum uitspraak 25-11-2015, publicatiedatum 11-12-2015
Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van M.A.H. Reimert
Vanaf 2001 drijft belanghebbende tezamen met haar echtgenoot een melkveebedrijf in de vorm van een maatschap. Tot de maatschap behoort een perceel grond, bestaande uit een deel cultuurgronden en een deel grond dat behoort onder en bij de bedrijfsopstallen. De cultuurgrond is bij de aankoop ervan op de balans geactiveerd tegen de boekwaarde, verminderd met een vervangingsreserve. De ondergrond en de opstallen zijn tegen boekwaarde gewaardeerd.

NTFR 2016/326 - Werkprogramma herziening pensioenstelsel

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het werkprogramma herziening pensioenstelsel werkprogramma aan de Tweede Kamer gestuurd. Het kabinet benadrukt het belang om voortgang te blijven maken met de vernieuwing van ons pensioenstelsel. Het werkprogramma laat in dat verband zien welke vraagstukken en oplossingsrichtingen de komende maanden zullen worden onderzocht en uitgewerkt. Verder laat het zien wat het betekent voor de uitwerkingsnota die het kabinet voor de zomer van 2016 aan de Kamer zal sturen. Het kabinet werkt een aantal concrete varianten uit in het werkprogramma. Deze passen binnen de kaders en randvoorwaarden uit de brief van 6 juli 2015.

NTFR 2016/329 - Belastingplichtige en de koning zijn geen gelijke gevallen

ECLI:NL:PHR:2015:2420, datum uitspraak 18-12-2015, publicatiedatum 18-12-2015
Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. P.T. van Arnhem
Belanghebbende is aangeslagen voor de IB/PVV. Hij maakt op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak op de vrijstelling van de heffing van IB/PVV, zoals die geldt voor (bepaalde) leden van het Koninklijk Huis op grond van art. 40 GW. In deze conclusie gaat A-G Niessen in op die aanspraak.

NTFR 2016/330 - Verplichte winstneming door wettelijke pensioenverplichtingenwaarderingsregels voor pensioen-bv die feitelijke leiding naar Nederland heeft verplaatst

ECLI:NL:HR:2015:3605, datum uitspraak 18-12-2015, publicatiedatum 18-12-2015
Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. H. Lohuis
De werkzaamheden van belanghebbende bestaan uit het uitvoeren van een pensioenverplichting aan haar enig aandeelhouder. Sinds 1994 wordt geen pensioen meer opgebouwd. De ingangsdatum van het pensioen is 1 oktober 2012. Per 1 januari 2009 is de feitelijke leiding van belanghebbende verplaatst van Curaçao naar Nederland. Hierdoor is belanghebbende onbeperkt binnenlands belastingplichtig geworden voor de vennootschapsbelasting. Bij het opleggen van de aanslag VPB 2008/2009 heeft de inspecteur een belaste gedeeltelijke vrijval van de pensioenverplichtingen in aanmerking genomen. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden (25 november 2014, nr. 14/00074, NTFR 2015/698) is dat niet terecht. Volgens het hof hebben art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8, lid 6, Wet VPB 1969 slechts betrekking op mutaties van pensioenverplichtingen die zich in een bepaald jaar voordoen en dat deze bepalingen pensioenverplichtingen die in de openingsbalans worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer, in de eindbalans van het eerste jaar van de belastingplicht onaangetast laten. De Hoge Raad casseert de hofuitspraak. Gelijk is geoordeeld in HR 16 oktober 2015, nr. 13/04121, NTFR 2015/3006 is, gezien de tekst en ontstaansgeschiedenis van genoemde artikelen, geen grond aanwezig om de waarderingsregels uit deze bepalingen buiten toepassing te laten indien zij ertoe leiden dat een gedeelte van een pensioenvoorziening verplicht ten gunste van de winst vrijvalt. Anders dan belanghebbende betoogt, is de heffing over de vrijvalwinst evenmin in strijd met het EU-recht. De Hoge Raad verwijst daarvoor naar de onderdelen 10.7 en 10.8 van de conclusie van A-G Wattel in deze zaak (NTFR 2015/2440).

NTFR 2016/331 - Geen onzakelijke lening wegens ontbreken gelieerdheid

ECLI:NL:HR:2015:3599, datum uitspraak 18-12-2015, publicatiedatum 18-12-2015
Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van dr. mr. M van Dun
Belanghebbende houdt alle aandelen in dochter B bv en tezamen vormen ze een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. B bv is eind 2007 een samenwerking aangegaan met D S.A. en natuurlijk persoon E. Binnen deze samenwerking is afgesproken dat B bv een satellietcommunicatiesysteem aankoopt. Ter financiering daarvan is B bv een lening aangegaan bij E. In 2009 is de samenwerking beëindigd en is afgesproken dat B bv geen verplichting meer heeft om de van E geleende bedragen terug te betalen. De inspecteur heeft de vrijval van de schuld aan E tot de winst van belanghebbende van 2009 gerekend. Naar het oordeel van Hof Amsterdam, 15 januari 2015, nr. 14/00464 (NTFR 2015/1161) is dat terecht. De geldverstrekking kan volgens het hof niet als een onzakelijke lening worden aangemerkt omdat van gelieerdheid tussen E enerzijds en B bv en belanghebbende anderzijds geen sprake is. De Hoge Raad onderschrijft dat oordeel.

NTFR 2016/334 - Regeling aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
Deze ministeriële regeling houdt verband met de nieuwe gestandaardiseerde documentatieverplichtingen die met ingang van 1 januari 2016 in de Wet VPB 1969 zijn opgenomen voor multinationale groepen over de verrekenprijzen die zij binnen het concern hanteren. Deze nieuwe documentatieverplichtingen zijn ingevolge de wet Overige fiscale maatregelen 2016 (OFM 2016) neergelegd in hoofdstuk VIIa van de Wet VPB 1969 en zien op het opstellen – en waar nodig aan de Belastingdienst verstrekken – van een landenrapport, een groepsdossier en een lokaal dossier. Met deze nieuwe documentatieverplichtingen implementeert Nederland voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016 de uitkomst van actiepunt 13 van het OESO BEPS-project. In de onderhavige ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de vorm en de inhoud van voornoemd rapport en voornoemde dossiers. Daartoe bevat de regeling in de bijlages modellen – telkens in zowel de Nederlandse als de Engelse taal – volgens welke het landenrapport, het groepsdossier en het lokale dossier moeten worden opgemaakt. Hierbij wordt aangesloten bij de bijlagen I, II en III van het in de Transfer Pricing Guidelines op te nemen nieuw hoofdstuk V, zoals dat is opgenomen in het OESO-rapport ‘Guidance on Transfer Pricing Documentation and Country-by-Country reporting’.

NTFR 2016/335 - Wijzigingsbesluit fonds voor gemene rekening: Lichter toestemmingsvereiste (‘besloten’) fgr

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De staatssecretaris heeft door middel van een wijzigingsbesluit het besluit gewijzigd over het fonds voor gemene rekening (fgr; besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1870M, NTFR 2007/175). In lijn met en in aanvulling op het nieuwe cv-besluit (BLKB 2015/1209M) is de toets verlicht of een fgr belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Er geldt geen VPB-belastingplicht als aan het toestemmingsvereiste wordt voldaan of als sprake is van de zogenoemde inkoopvariant. De verlichting betreft de (verdergaande) goedkeuring waarmee het ‘enkelvoudig toestemmingsvereiste’ wordt geïntroduceerd. Daardoor kan bij een samenwerkingsverband met een toestemmingsvariant die wordt gecombineerd met een fgr met een inkoopvariant of met een toestemmingsvariant (‘stapelen’) gemakkelijker aan het toestemmingsvereiste worden voldaan.

NTFR 2016/336 - Nieuw cv-besluit: lichter toestemmingsvereiste besloten cv

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De staatssecretaris heeft het besluit over de commanditaire vennootschap (cv) opnieuw uitgebracht. Daarin is onder meer een nieuw standpunt opgenomen over juridische (af)splitsing (2.3.). De belangrijkste wijzigingen betreffen de toets of een cv belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Er geldt geen VPB-belastingplicht als aan het toestemmingsvereiste wordt voldaan. Allereerst mag onder vijf voorwaarden de toestemming voortaan achteraf worden verleend (2.2.). Verder wordt door een (verdergaande) goedkeuring het ‘enkelvoudig toestemmingsvereiste’ geïntroduceerd (5.2.). Daardoor kan bij een cv die deelneemt in een andere cv (‘stapelen’) gemakkelijker aan het toestemmingsvereiste worden voldaan. In dit onderdeel wordt een vergelijkbare regeling getroffen voor een fonds voor gemene rekening (fgr); in lijn hiermee en in aanvulling daarop wordt het fgr-besluit (BLKB 2007/175) gewijzigd (d.m.v. BLKB 2015/1511M). Deze goedkeuring geldt voor (boek)jaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. Het besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1869M, NTFR 2007/176, vervalt.

NTFR 2016/340 - Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over verlaging douanewaarde wegens reparatiekosten ingevoerde auto's

ECLI:NL:HR:2015:3464, datum uitspraak 04-12-2015, publicatiedatum 04-12-2015
Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
Belanghebbende heeft douanerechten betaald voor het in het vrije verkeer brengen van drie auto’s uit Japan. Bij twee auto’s zijn in het tweede/derde jaar na invoer defecten geconstateerd en op basis van garantieverplichtingen op kosten van de Japanse verkoper/fabrikant gerepareerd. Bij de derde auto is binnen een jaar na invoer in het kader van een terugroepactie uit voorzorg – eveneens op kosten van de fabrikant – een onderdeel vervangen. Belanghebbende stelt dat de als douanewaarde gehanteerde transactiewaarde moet worden verminderd met de reparatiekosten (respectievelijk de vervangingskosten) en heeft verzocht om terugbetaling van douanerechten. De inspecteur heeft dat geweigerd. Volgens de rechtbank (Rechtbank Noord-Holland 20 december 2013, nrs. 13/1936 en 13/1955, NTFR 2014/753) is dat terecht. De Hoge Raad heeft echter Unierechtelijke twijfels. Daarom legt hij de zaak voor aan het HvJ met de volgende vragen:

NTFR 2016/343 - Kamerbrief over impact verhuurderheffing op solvabiliteit woningcorporaties

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
Minister Blok van Rijksdienst en Wonen reageert op zijn toezegging aan het Eerste Kamer een nadere analyse van de financiële positie van de woningcorporaties aan de Eerste Kamer te doen toekomen, waaronder de impact van de verhuurderheffing. In de eerste helft van het komende jaar brengt de minister een tweetal rapportages uit die een actueel, sectorbreed antwoord kunnen geven op deze vragen. De minister verwacht in april 2016 de Staat van de Volkshuisvesting aan de Kamer te sturen, waarin hij onder meer zal ingaan op de door hem als stelselverantwoordelijke benoemde prioriteiten. Verder heeft hij de Kamer eind 2013 toegezegd om met twee volle jaren ervaring met de verhuurderheffing (2014 en 2015) een fundamentele evaluatie uit te voeren van dit instrument. Hij verwacht deze evaluatie eind mei 2016 aan de Kamer te kunnen toesturen.

NTFR 2016/344 - Wetsvoorstel doorstroming huurmarkt 2015 naar Tweede Kamer

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
De ministers Van der Steur van Veiligheid en Justitie en Blok van Wonen en Rijksdienst hebben bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel voor de Wet doorstroming huurmarkt 2015 ingediend. Volgens de afspraak in het Woonakkoord van februari 2013 (NTFR 2013/364) worden de (jaarlijkse) inkomensafhankelijke huurverhogingen voor verschillende inkomenscategorieën vervangen door de huursombenadering. Het wetsvoorstel limiteert de gemiddelde huurstijgingen die een woningcorporatie mag doorvoeren. De wettelijke maximering van de gemiddelde huurstijging sluit aan bij het sociaal huurakkoord dat Aedes en de Woonbond eerder dit jaar sloten. Bij dat huurakkoord geldt de randvoorwaarde dat de verhuurderheffing volgens afspraak kan worden gerealiseerd. Deze afspraak is zo geïnterpreteerd dat de verdiencapaciteit van verhuurders gehandhaafd moet blijven. Daarnaast worden in het huurrecht de mogelijkheden om met tijdelijke huurcontracten te werken uitgebreid om de doorstroming op de huurmarkt verder te bevorderen.

NTFR 2016/346 - Ondanks invoeren onjuist kenteken in Parkmobile-app is verschuldigde parkeerbelasting wel betaald

ECLI:NL:PHR:2015:2303, datum uitspraak 10-11-2015, publicatiedatum 27-11-2015
Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Belanghebbende was eigenaar van een auto, merk Daihatsu. Zij heeft ten behoeve van de voldoening van parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam met haar mobiele telefoon de Daihatsu laten registreren bij Parkmobile. Via Parkmobile biedt de gemeente parkeerders de mogelijkheid de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen door middel van het bij de aanvang van het parkeren aanmelden en bij het einde van het parkeren afmelden van een bij Parkmobile geregistreerd voertuig. Naast de Daihatsu heeft belanghebbende ook de Honda van haar vriend – waarin zij soms rijdt – laten registreren bij Parkmobile met zichzelf als gebruiker. Die registratie sluit aan bij het gegeven dat parkeerbelasting wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

NTFR 2016/348 - Informatiebeschikking kan betrekking hebben op meer belastingmiddelen en belastingjaren, maar niet op middel waaraan belanghebbende niet is onderworpen

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
Belanghebbende, een stichting, exploiteert een winkel. Na een ingesteld boekenonderzoek betreffende de aangiften IB, VPB en OB over de jaren 2007-2011, heeft de inspecteur de conclusie getrokken dat belanghebbende de wettelijke administratieplicht in die jaren heeft geschonden. Daarom heeft hij een informatiebeschikking vastgesteld. Hof Arnhem-Leeuwarden (29 april 2015, nr. 14/00775, NTFR 2015/1809) heeft de informatiebeschikking in stand gelaten. De Hoge Raad oordeelt dat een informatiebeschikking betrekking kan hebben op meer dan één belastingmiddel en/of meer dan één belastingjaar. Maar aangezien belanghebbende als stichting niet onderworpen kan zijn aan de inkomstenbelasting, kan de informatiebeschikking geen betrekking hebben op aan belanghebbende op te leggen aanslagen in die belasting. De informatiebeschikking is in zoverre onjuist.

NTFR 2016/349 - Overgangsrecht heffingsrente/belastingrente niet discriminerend

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
Het eerste boekjaar van belanghebbende is een verlengd boekjaar dat loopt van 29 november 2011 tot en met 31 december 2012. Aan belanghebbende is op 22 juni 2013 een voorlopige aanslag VPB opgelegd ter zake van dit boekjaar. Er is € 1.221 heffingsrente in rekening gebracht. In het overgangsrecht bij de invoering van de belastingrente is geregeld dat het (voor belanghebbende ongunstige) heffingsrenteregime van toepassing blijft voor aanslagen die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen vóór 1 januari 2012. In geschil is of dit onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod. De Hoge Raad oordeelt dat daarvan geen sprake is. Een volkomen gelijke behandeling van boekjaren die wel of juist niet aanvangen op de datum waarop een wetswijziging in werking treedt, is vaak onmogelijk of praktisch moeilijk uitvoerbaar. De wetgever heeft de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden.

NTFR 2016/350 - Uitspraak op bezwaar doet informatiebeschikking vervallen voor zover deze ziet op dezelfde belasting en hetzelfde jaar

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. J. Berns
Aan belanghebbende is met dagtekening 9 juli 2011 een aanslag IB 2008 opgelegd. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar aangetekend. Het geschil zag op de vraag of een weiland een aanhorigheid vormde. Eind december 2011 heeft de inspecteur een boekenonderzoek over de jaren 2006 en volgende aangekondigd bij belanghebbende. De inspecteur heeft daarbij verzocht om informatie over inkomsten genoten uit garantstellingen, over gebruikelijk loon en over fictief rendement. Omdat de gevraagde informatie niet is verstrekt, heeft de inspecteur op 20 april 2012 een informatiebeschikking voor de jaren 2006 en volgende vastgesteld. Het bezwaar inzake de aanslag IB 2008 heeft de inspecteur op 27 april 2012 afgewikkeld. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 juli 2014, nr. 13/01199 (NTFR 2014/2317) heeft geoordeeld dat toepassing van art. 52a, lid 3, AWR – waarin is bepaald dat de informatiebeschikking vervalt zodra een aanslag of beschikking is genomen voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is – slechts het jaar 2008 kan raken. De uitspraak op bezwaar voor dat jaar doet derhalve niet af aan de geldigheid van de informatiebeschikking voor de andere jaren. De Hoge Raad acht dit juist. Het hof heeft verder geoordeeld dat de in de informatiebeschikking gestelde vragen in het geheel geen betrekking hebben op de vraag of een weiland een aanhorigheid is, een kwestie die aan de orde was in de bezwaarprocedure. Het hof heeft de informatiebeschikking daarom ook voor het jaar 2008 in stand gelaten. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Art. 52a, lid 3, AWR laat geen ruimte om te onderzoeken of een aanslag of beschikking een andere component van de belastingschuld betreft dan de informatiebeschikking die betrekking heeft op dezelfde belasting en op hetzelfde jaar. Verder heeft het hof ten onrechte niet onderzocht of het controledossier en een intern memo tot de stukken van het geding behoren.

NTFR 2016/351 - Art. 27a AWR geeft inspecteur niet zonder meer de mogelijkheid tot het geven van informatiebeschikking in beroepsfase

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
Aan belanghebbende is een aanslag VPB 2005 opgelegd. Daartegen is bezwaar gemaakt. Bij de rechtbank is in augustus 2009 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Hof Arnhem-Leeuwarden (NTFR 2015/1035) heeft geoordeeld dat op 1 juli 2011 het beroep aanhangig was en dat de inspecteur op grond van art. 27a AWR ook in die beroepsfase de mogelijkheid had tot het uitoefenen van de informatiebevoegdheden, waaronder het geven van een informatiebeschikking. Nu een informatiebeschikking ontbreekt kan de omkering geen toepassing vinden. De Hoge Raad is het daarmee niet eens. Het hof heeft namelijk miskend dat de inspecteur in de beroepsfase slechts een informatiebeschikking kan geven als de rechtbank gebruik maakt van haar in art. 27a AWR gegeven bevoegdheid. Nu de rechtbank daarvan geen gebruik heeft gemaakt, was de inspecteur niet in de gelegenheid in de beroepsfase een informatiebeschikking te geven. De hofuitspraak blijft desalniettemin in stand nu het hof, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld dat de door de inspecteur aangevoerde gronden sowieso geen omkering van de bewijslast rechtvaardigen.

NTFR 2016/354 - Rechtbank heeft boete niet berekend over nagevorderde belasting, maar over belastbaar inkomen

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. drs. R. Steenman
Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB 2003 t/m 2005 met boetes opgelegd in verband met niet aangegeven inkomsten uit hennepteelt. Na bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen verminderd. De rechtbank heeft deze navorderingsaanslagen in stand gelaten, maar de vergrijpboetes verminderd tot 5% van de verschuldigde belasting over de inkomsten uit hennepteelt. In het dictum van haar uitspraak heeft de rechtbank de boetes verminderd tot de daar genoemde bedragen. In cassatie blijkt dat de rechtbank in het dictum de boetes niet heeft berekend over de nagevorderde bedragen aan inkomstenbelasting, maar over het belastbare inkomen uit werk en woning. De boetes zijn dus naar een onjuiste grondslag vastgesteld. De Hoge Raad doet de zaak zelf af door de boetes te verminderen tot de juiste bedragen.

NTFR 2016/360 - GSB versus Zwitserland: inlichtingenuitwisseling met VS getoetst aan art. 8 EVRM

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016 met annotatie van mr. L.E.C. Neve
Uit verklaringen van een ex-medewerker van UBS Bank blijkt dat 52.000 Amerikaanse belastingplichtigen bankrekeningen aanhouden bij UBS in Zwitserland die niet zijn gemeld aan de Amerikaanse belastingdienst. De Amerikaanse fiscus vervolgt UBS in de VS en dit leidt tot grote diplomatieke consternatie met Zwitserland. Uiteindelijk sluiten IRS en UBS een zogenaamd Deferred Prosecution Agreement (DPA), waarin wordt vastgelegd dat UBS klantengegevens overdraagt en een schikking betaalt van $ 780 miljoen. Een dag na het ondertekenen van de DPA dagvaardt IRS UBS in een zogenaamde John Doe-procedure tot overdracht van die 52.000 dossiers. Om dat mogelijk te maken wordt er een Memorandum of Understanding (MoU) gesloten tussen Zwitserland en de VS voor de toepassing van het Verdrag ter voorkoming dubbele belasting 1996. IRS dient op 31 augustus 2009 een groepsaanvraag bij de Zwitserse belastingdienst ESTV in voor opgave van rekeningen die aangehouden zijn tussen 1 januari 2001 en 31 december 2008 en waarvan een Amerikaanse belastingplichtige economisch belanghebbende is (indirect) of tekeningsbevoegdheid bezit (direct). De Zwitserse federale rechter wijst de overdracht van bancaire gegevens op grond van de groepsaanvraag af, omdat het Verdrag 1996 als voorwaarde stelt dat sprake is van belastingfraude en daarvan niet is gebleken. Ook is het MoU geen verdrag, want niet parlementair goedgekeurd, zodat het geen voorrang heeft op bestaande wetgeving. Op 31 maart 2010 wordt dan een nieuw protocol ondertekend en parlementair goedgekeurd. In procedure is nu een beschikking van de Zwitserse belastingdienst ESTV om bijstand te verlenen aan de VS. Belanghebbende gaat daartegen in beroep in Zwitserland, en wegens schending van de hoorplicht wordt de beschikking vernietigd. Na een nieuwe procedure neemt ESTV een nieuwe beschikking, waartegen belanghebbende opnieuw in beroep gaat, dat door het federale hof ongegrond wordt verklaard. Op 14 december 2012 worden de stukken aan de VS gezonden. Belanghebbende komt in beroep bij het EHRM met twee beroepsgronden: (i) inlichtingenuitwisseling is een inbreuk op het door art. 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven en (ii) schending van het discriminatieverbod van art. 14 in combinatie met art. 8. Hij vindt het onrechtvaardig dat de uitwisseling uitsluitend de informatie over klanten van UBS betreft en niet over die van andere banken. Het EHRM neemt met belanghebbende aan dat bancaire informatie kan worden beschouwd als persoonlijke zaken die worden beschermd door art. 8 EVRM (verwijzing naar M.N. v. San Marino, nr. 28005/12). Het EHRM toetst dan de vereisten van art. 8, lid 2: (i) voorzien bij wet, (ii) noodzakelijk en (iii) legitiem doel. Daarbij worden de belangen van betrokkene afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van de Zwitserse staat, die zich geen vervolging van een systeembank in Amerika kan en wil veroorloven. Het EHRM vindt de inbreuk voor belanghebbende ‘gering’, omdat geen persoonlijke rechten aan de orde zijn en omdat belanghebbende een volledige juridische beoordeling van de Zwitserse rechter heeft gekregen. De ‘geringe’ belangen van betrokkene en de zware belangen van de Zwitserse staat geven de staat een grote vrijheid van beoordeling. Schending van art. 8 wordt afgewezen. De klacht van discriminatie in behandeling omdat klanten van andere banken niet benaderd worden, wordt ook afgewezen.

NTFR 2016/365 - Administratieve regeling tussen bevoegde autoriteiten van Nederland en VS inzake FATCA-verdrag

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
Dit besluit bevat een bekendmaking van de in november 2015 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en de VS tot stand gekomen administratieve regeling voor de toepassing in de praktijk van het FATCA-verdrag met de VS inzake de automatische uitwisseling van financiële rekeninginformatie. De regeling bevat een aantal praktische afspraken over onder meer de FATCA-registratie van Nederlandse financiële instellingen, het tijdstip en de wijze van informatie-uitwisseling, (fouten)herstel en handhaving, alsook vertrouwelijkheid en dataprotectie. De regeling is op 30 november 2015 in werking getreden.

NTFR 2016/366 - Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportageverplichtingen Common Reporting Standard

Aflevering 1, gepubliceerd op 07-01-2016
Ingevolge de Wet uitvoering Common Reporting Standard is met ingang van 1 januari 2016 in de WIB onder meer een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur identificatie- en rapportagevoorschriften voor rapporterende financiële instellingen worden gegeven met het oog op het verstrekken van de CRS-informatie. In het onderhavige Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard zijn op basis hiervan identificatie- en rapportagevoorschriften opgenomen die zijn ontleend aan de door de OESO ontwikkelde CRS en aan Richtlijn 2014/107/EU. Deze schrijven voor hoe een financiële instelling moet bepalen of sprake is van een te rapporteren rekening. Het gaat daarbij met name om de vraag in welk land haar rekeninghouders, of in het geval van een passieve niet-financiële entiteit (passieve NFE) de uiteindelijke belanghebbende daarvan, fiscaal gezien wonen of zijn gevestigd; dat wil zeggen of dit een aan CRS deelnemende land is. De voorschriften maken hierbij onderscheid tussen bestaande rekeningen en nieuwe rekeningen, tussen rekeningen van natuurlijke personen en die van entiteiten en tussen zogenoemde lagewaarderekeningen en hogewaarderekeningen van natuurlijke personen. Voor de (combinatie van de) verschillende categorieën gelden eigen identificatieprocedures. Financiële instellingen moeten de gegevens ter zake van rekeningen die kwalificeren als te rapporteren rekeningen aan de Belastingdienst verstrekken (zodat de Belastingdienst deze gegevens vervolgens op automatische basis aan de andere deelnemende CRS-landen kan verstrekken). In dit kader bevat het onderhavige Uitvoeringsbesluit tevens regels over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens en de termijn waarbinnen de eerste identificatie van de bestaande rekeningen moet zijn afgerond.