Aflevering 49

Gepubliceerd op 8 december 2016

NTFR 2016/2895 - Vervang de zelfstandigenaftrek door een kleinewerkgeversregeling!

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 geschreven door R.C. de Smit
Het kan geen enkele lezer zijn ontgaan dat de vervanging van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) door de Wet deregulering arbeidsrelatie (Wet DBA) niet zonder slag of stoot is gegaan. Sterker nog: staatssecretaris Wiebes heeft inmiddels aangekondigd deze wet en de daarbij behorende modelovereenkomsten voorlopig in de ijskast te zetten. Wie niet in zijn eigen rechtspraktijk of onderhavig vaktijdschrift geconfronteerd is met de strubbelingen, heeft een en ander wel meegekregen via de landelijke dagbladen of andere (sociale) media. De vraag rijst hoe op structurele wijze een oplossing kan worden gevonden voor de onderhavige problemen. Mijns inziens kan niet worden ontkomen aan het meer gelijk behandelen van zelfstandigen en werknemers op fiscaal terrein.

NTFR 2016/2896 - Brief staatssecretaris aan Eerste Kamer over wijzigingen in fiscaal pakket Belastingplan 2017 en budgettaire gevolgen

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De staatssecretaris heeft in een brief aan de Eerste Kamer laten weten wat de belangrijkste wijzigingen zijn in de gewijzigde voorstellen van wet ten opzichte van de oorspronkelijke wetsvoorstellen in het fiscaal pakket Belastingplan 2017. Daarnaast bevat de brief een overzicht van de budgettaire effecten na behandeling in de Tweede Kamer.

NTFR 2016/2897 - Antwoorden op Kamervragen over belastingaangelegenheden ABN AMRO

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De minister van Financiën heeft in één keer drie sets Kamervragen beantwoord die alle zien op ABN AMRO. Alleen de tweede set vragen gaat over belastingaangelegenheden. Deze vragen betreffen krantenberichten over ‘naheffing’ door de Nederlandse fiscus en over terugvordering van dividendbelasting door de Duitse fiscus met betrekking tot zogenoemde cum/ex-transacties.

NTFR 2016/2898 - Rapport Algemene Rekenkamer over handhavingsbeleid Belastingdienst

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De Algemene Rekenkamer heeft op verzoek van de Tweede Kamer onderzoek gedaan naar het handhavingsbeleid van de Belastingdienst. Daarbij zijn onder meer de resultaten van risicogerichte controles onderzocht. Ook heeft de Algemene Rekenkamer beoordeeld of het verschil tussen de belastingen die op grond van de wet verschuldigd zijn en de daadwerkelijke belastingontvangsten, de zogeheten tax gap, duidelijk kan maken hoe effectief het handhavingsbeleid is. Bovendien is aandacht besteed aan enkele casussen. De vraag luidde of de Belastingdienst erin slaagt grip te krijgen op windhappers (personen die ogenschijnlijk een laag of geen inkomen hebben, en/of een uitgavenpatroon of vermogen dat niet in verhouding staat tot het bekende inkomen); belastingnomaden (mensen die zich uitschrijven uit het bevolkingsregister om buiten het zicht van de Belastingdienst te zijn), en op (tijdelijke) migranten waar het gaat om de heffing van motorrijtuigenbelasting. Het rapport van de Algemene Rekenkamer is aangeboden aan de Tweede Kamer, inclusief de reactie van de staatssecretaris van Financiën.

NTFR 2016/2901 - Geldverstrekkingen aan (klein)dochtervennootschappen vormen onzakelijke leningen

ECLI:NL:HR:2016:2736, datum uitspraak 02-12-2016, publicatiedatum 02-12-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Belanghebbende, X bv, is 50% aandeelhouder van E. G, een 100% Belgische deelneming van E, is in 2012 failliet verklaard. E is in 2008 door een bank gefinancierd (met zekerheden en een aflossingsschema). In 2005 heeft belanghebbende aan E € 100.000 vermogen ter beschikking gesteld. Eind 2009 heeft belanghebbende aan G € 58.750 vermogen ter beschikking gesteld. De jaarlijkse rentevergoeding bedroeg 7,5% respectievelijk 7%. In haar aangifte VPB 2010 heeft belanghebbende het ter beschikking gestelde vermogen als vorderingen op E (€ 100.000) en G (€ 58.750) volledig ten laste van haar resultaat afgewaardeerd. De inspecteur heeft die afwaardering niet toegestaan. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden (6 oktober 2015, nr. 14/01259, NTFR 2015/3055) is dat terecht. Het hof heeft vooropgesteld dat, anders dan de inspecteur betoogde, de geldverstrekkingen als overeenkomsten van geldlening moeten worden aangemerkt. De inspecteur is er wel in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van onzakelijke leningen. Dit, gelet op de omstandigheden dat door belanghebbende geen noemenswaardige zekerheden zijn bedongen, er geen aflossingsschema is overeengekomen en dat de leningen zijn achtergesteld. Het hof achtte het onaannemelijk dat een onafhankelijke derde bereid zou zijn een dergelijk debiteurenrisico – waarbij elke waarborg voor terugbetaling ontbreekt – te aanvaarden zonder een zodanig hoge rente te bedingen dat deze rente feitelijk winstdelend zou zijn.

NTFR 2016/2905 - Opschorting handhaving Wet DBA tot 1 januari 2018

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft aan de Tweede Kamer bericht dat de Belastingdienst in ieder geval tot 1 januari 2018 de Wet DBA niet zal handhaven bij goedwillenden. Hij komt hiermee tegemoet aan de onrust en onzekerheid die er op dit moment is bij opdrachtgevers en opdrachtnemers over de Wet DBA. Het kabinet geeft aan dat de zorgen van opdrachtgevers en opdrachtnemers herkenbaar zijn en aandacht vragen. Ondernemers moeten niet in onzekerheid blijven zitten, zeker niet nu de economie aantrekt. De inzichten die voortkwamen vanuit het Meldpunt DBA en de gesprekken met branches, koepels en bedrijven, leidden ertoe dat de staatssecretaris maatregelen neemt. Hiermee werkt het kabinet aan een oplossing op langere termijn en neemt het op kortere termijn onzekerheid weg. De staatssecretaris neemt deze beslissingen naar aanleiding van de eindrapportage van de Commissie (Model)overeenkomsten Wet DBA onder leiding van prof.mr. Gerrard Boot (Commissie-Boot) en de Tweede Voortgangsrapportage DBA. Beide rapportages waren toegezegd in het debat met de Tweede Kamer op 29 september 2016.

NTFR 2016/2906 - Kamervragen beantwoord over kwaadwillenden in verband met de Wet DBA

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De staatssecretaris van Financiën heeft Tweede Kamervragen beantwoord over de definitie van ‘kwaadwillenden’, die hij in verband met het handhaven van de Wet DBA heeft genoemd (bijlage 4 bij de Tweede voortgangsrapportage Wet DBA). Hij antwoordt dat het om uitzonderlijke gevallen gaat waarin de opdrachtgevers opereren in een context van opzet, fraude of zwendel. De staatssecretaris schat dat het om zo’n tien gevallen zal gaan.

NTFR 2016/2907 - Weer Tweede Kamervragen over de Wet DBA beantwoord

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De staatssecretaris van Financiën heeft, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Tweede Kamervragen beantwoord over de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). De vragen zijn gesteld naar aanleiding van een VVD-filmpje over de Wet DBA en hebben betrekking op de communicatie over de Wet DBA. Verder komen aan de orde het begrip ‘kwaadwillenden’, de hervorming van het arbeidsrecht en de formele aspecten van de beslissing om de handhaving van de Wet DBA op te schorten tot 1 januari 2018.

NTFR 2016/2909 - Brief van SRA, RB en NOAB aan Eerste Kamer over wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Bij SRA, RB en NOAB bestaan grote zorgen over de uitfasering van in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken. Door de partnerproblematiek zal volgens SRA, RB en NOAB het doel van het wetsvoorstel noch de budgettaire opbrengst worden bereikt. SRA, RB en NOAB stellen dat de problematiek dient te zijn ondervangen vóór het wetsvoorstel in werking treedt.

NTFR 2016/2910 - NOB-commentaar aan Eerste Kamer op wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De NOB heeft het wetsvoorstel Uitfasering pensioen in eigen beheer al eerder becommentarieert (NTFR 2016/2666 en NTFR 2016/2487). Nog altijd blijven enkele belangrijke aspecten volgens de NOB onderbelicht. De NOB ziet met name onduidelijkheden ter zake van de positie van de (ex-)partner van de dga en andere situaties waarin compensatie van anderen dan de dga nodig is. De NOB vraagt aandacht voor enkele concrete voorbeelden en stelt enkele aanvullende vragen.

NTFR 2016/2918 - Kamerbrief over moties en toezeggingen Wonen

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Minister Blok (Wonen en Rijksdienst) heeft de Tweede Kamer een brief gestuurd over verschillende moties en toezeggingen. In de brief gaat hij onder meer in op de hoogte van de door woningcorporaties te betalen overdrachtsbelasting en vennootschapsbelasting. De gegevens over de overdrachtsbelasting zijn nog niet beschikbaar op basis van de integrale bestanden van de Belastingdienst. Hier wordt aan gewerkt, maar dit is op korte termijn nog niet beschikbaar. Wel kan alvast op basis van gegevens bij BZK over woningcorporaties de afgedragen overdrachtsbelasting worden geraamd op € 17 tot € 21 miljoen in 2013 en op € 13 tot € 18 miljoen in 2014.

NTFR 2016/2919 - Antwoorden op Kamervragen over (gevolgen overdrachtsbelasting) omvorming Holland Casino

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de transformatie van de rechtsvorm van Holland Casino van een stichting naar een naamloze vennootschap. Die transformatie gaat niet via een juridische omzetting als bedoeld in art. 2:18 BW. De staatssecretaris heeft daar bewust voor gekozen omdat bij omzetting sprake zou zijn van zogenoemd ‘beklemd vermogen’. Het vermogen van de stichting ten tijde van de omzetting en de vruchten daarvan kunnen alleen na toestemming van de rechter worden aangewend voor andere doeleinden dan het oorspronkelijke doel van de stichting. Dit zou de flexibiliteit van de toekomstige bedrijfsvoering van Holland Casino nv verminderen en zou een waardeverminderend effect bij eventuele verkoop kunnen hebben. Holland Casino wordt als gevolg van de transformatie overdrachtsbelasting verschuldigd ter hoogte van 6% over de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken. Het uiteindelijk verschuldigde bedrag is ter beoordeling aan de belastinginspecteur. Holland Casino schat in dat de overdrachtsbelasting een bedrag van circa € 5 miljoen zal belopen. Holland Casino wordt niet gecompenseerd voor de verschuldigde overdrachtsbelasting.

NTFR 2016/2922 - Overschrijding redelijke termijn in verwijzingsprocedure gecompenseerd met kortere cassatieprocedure: geen immateriëleschadevergoeding

ECLI:NL:HR:2016:2673, datum uitspraak 25-11-2016, publicatiedatum 25-11-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. A.A. Fase
In de onderhavige Minas-zaak heeft Hof Den Bosch op 27 maart 2013 uitspraak gedaan. De Hoge Raad heeft die uitspraak gecasseerd bij arrest van 8 augustus 2014, nr. 13/02211, NTFR 2014/2150 en de zaak verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dit verwijzingshof heeft op 8 december 2015 uitspraak gedaan (nr. 14/00937, NTFR 2016/455). Belanghebbende klaagt erover dat de redelijke termijn is overschreden en dat zij daarom recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. De Hoge Raad zet uiteen dat voor de behandeling van de zaak in cassatie een termijn van twee jaar geldt en voor de behandeling na verwijzing een jaar. Het verwijzingshof heeft die termijn overschreden. De Hoge Raad compenseert dit echter met de kortere behandelingsduur in cassatie. Nu de termijn tussen de uitspraak van Hof Den Bosch en de uitspraak van het verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden minder dan drie jaar is, is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, aldus de Hoge Raad.

NTFR 2016/2923 - Geen ambtshalve onderzoek naar verschoonbaarheid van het niet (tijdig) betalen van griffierecht

ECLI:NL:HR:2016:2712, datum uitspraak 02-12-2016, publicatiedatum 02-12-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. J. van de Merwe
De rechtbank (Rechtbank Gelderland 23 februari 2016, nr. 15/2802) heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet betalen van griffierecht. In de verzetprocedure heeft de rechtbank nagelaten te onderzoeken of belanghebbende ter zake van het niet betalen in verzuim is geweest. Volgens de Hoge Raad hoefde de rechtbank dit ook niet te doen. Nu belanghebbende in beroep en verzet geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht, mocht de rechtbank aannemen dat het niet betalen niet verschoonbaar is. De rechtbank was ook niet gehouden ambtshalve te onderzoeken of er nog andere redenen zijn waardoor de niet betaling verschoonbaar is, aangezien belanghebbende daarover niets had aangevoerd. Verder is de vraag of de rechtbank, ondanks de nietontvankelijkverklaring, gehouden was om te beslissen op het verzoek om immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Dit is alleen anders als de rechtbank uitspraak doet nadat meer dan 1,5 jaar zijn verstreken sinds het instellen van het beroep. Bij verzet eindigt deze termijn met de uitspraak op verzet. De vergoeding kan alleen worden toegekend ter zake van overschrijding van de procedure bij de rechtbank. De nietontvankelijkverklaring van het beroep brengt immers mee dat het optreden van het bestuursorgaan niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.

NTFR 2016/2924 - Verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn behoeft niet te worden gemotiveerd

ECLI:NL:HR:2016:2604, datum uitspraak 18-11-2016, publicatiedatum 18-11-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Belanghebbende heeft bij Hof Den Bosch verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft niet beslist op het verzoek. Volgens de Hoge Raad is dit onjuist. Als het verzoek is afgewezen omdat het niet is gemotiveerd, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien een dergelijk verzoek geen motivering behoeft. Als het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, ontbreekt een beslissing op het verzoek en kleeft aan de hofuitspraak ook in zoverre een gebrek. Verwijzing moet volgen.

NTFR 2016/2925 - De enkele vernietiging in hoger beroep van een rechtbankuitspraak vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling van de inspecteur

ECLI:NL:HR:2016:2670, datum uitspraak 25-11-2016, publicatiedatum 25-11-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Hof Den Bosch (2 november 2012, nr. 08/00581, NTFR 2012/2683) heeft dat hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep bij de rechtbank van belanghebbende ongegrond verklaard. Het hof heeft de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat de rechtbankuitspraak is vernietigd. In cassatie houdt deze beslissing geen stand. De enkele omstandigheid dat in hoger beroep een rechtbankuitspraak wordt vernietigd levert immers geen grond op voor een proceskostenveroordeling van de inspecteur die in het gelijk is gesteld. Voor een uitzondering op deze regel ontbreekt in de hofuitspraak een motivering.

NTFR 2016/2928 - Verzoek om herziening van verwijzingsarrest moet worden afgewezen omdat nieuwe feiten in verwijzingsprocedure aan de orde kunnen komen

ECLI:NL:PHR:2016:1054, datum uitspraak 27-10-2016, publicatiedatum 02-11-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. C.J.D. Warren
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het verzoek van de erven van belanghebbenden tot herziening van het (tipgevers)arrest HR 18 december 2015, nr. 15/01348, NTFR 2016/352. In dat arrest is het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond verklaard, met verwijzing naar Hof Den Bosch ter verdere behandeling en beslissing. Het onderhavige herzieningsverzoek van belanghebbenden heeft tot inzet dat vanwege nieuw gebleken omstandigheden het voornoemde beroep in cassatie van de staatssecretaris alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

NTFR 2016/2929 - Indiener van cassatieberoepschrift is niet bevoegd

ECLI:NL:HR:2016:2750, datum uitspraak 02-12-2016, publicatiedatum 02-12-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
De rechtbank (Rechtbank Gelderland 14 juli 2016, nr. 15/6942) heeft uitspraak op verzet gedaan betreffende een aan A bv opgelegde aanslag. A bv heeft derhalve als belanghebbende te gelden. Tegen deze uitspraak op verzet is cassatieberoep ingesteld door X. De griffier van de Hoge Raad heeft aan de indiener van het cassatieberoepschrift gevraagd een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is tot het indienen van het beroepschrift. De indiener is in gebreke gebleven. De Hoge Raad oordeelt daarom dat het cassatieberoep onbevoegdelijk is ingesteld. Om die reden wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

NTFR 2016/2930 - Belastingrechter niet bevoegd bij beslissingen tot kwijtschelding en uitstel

ECLI:NL:HR:2016:2735, datum uitspraak 02-12-2016, publicatiedatum 02-12-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
In een procedure over de aanslag IB/PVV heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet bevoegd is op een verzoek tot kwijtschelding te beslissen en dat belanghebbende zich daarvoor tot de ontvanger moet wenden. Tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger staat administratief beroep open bij de directeur van de belastingen. Tegen een ongegrondverklaring van dat beroep staat geen beroep bij de belastingrechter open, maar kan uitsluitend een vordering worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. De Hoge Raad acht dit oordeel juist. In dat verband merkt de Hoge Raad nog op dat dit niet alleen geldt bij beslissingen tot kwijtschelding (art. 26 IW 1990), maar ook bij beslissingen tot uitstel (art. 25 IW 1990). De Hoge Raad komt daarmee terug van hetgeen is overwogen in HR (civiel) 12 augustus 2016, nr. 15/01496, NTFR 2016/2687, onderdeel 3.6.

NTFR 2016/2931 - Toerekening gelden G-rekening van belastingschuldige conform art. 7 IW 1990

ECLI:NL:HR:2016:2724, datum uitspraak 02-12-2016, publicatiedatum 02-12-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. J.D. Schouten
Belanghebbende is bestuurder en enig aandeelhouder van A, welke vennootschap bestuurder en enig aandeelhouder is van een bv. Aan die bv zijn drie naheffingsaanslagen LB/PVV van in totaal € 913.960 opgelegd die na een uitspraak van Rechtbank Breda onherroepelijk zijn geworden. De naheffingsaanslagen zijn gedeeltelijk voldaan met een op de G-rekening van de bv aanwezig saldo en een OB-teruggaaf. Omdat betaling van het restant uitbleef, is belanghebbende als bestuurder voor € 806.513 voor onbetaald gebleven belastingschulden aansprakelijk gesteld. Zij is niet aansprakelijk gesteld voor bedragen ex art. 32, lid 2, IW 1990. Hof Den Bosch (11 februari 2016, nr. 13/00893) achtte die aansprakelijkstelling terecht. De hofuitspraak houdt in cassatie echter geen stand op de gronden vermeld in het arrest met nr. 16/01532 (HR 2 december 2016). Verder zet de Hoge Raad uiteen dat de stelling van belanghebbende dat de ontvanger € 90.615 van de G-rekening van de bv volledig had moeten afboeken op de belastingschulden (waarvoor zij aansprakelijk is gesteld) en niet op bedragen als bedoeld in art. 32, lid 2, IW 1990 (waarvoor belanghebbende niet aansprakelijk is gesteld), niet juist is.

NTFR 2016/2932 - Aansprakelijkstelling zonder vooraankondiging is niet strijdig met Europees eigendomsrecht

ECLI:NL:HR:2016:2722, datum uitspraak 02-12-2016, publicatiedatum 02-12-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van mr. J.D. Schouten
Belanghebbende is bestuurder en enig aandeelhouder van een bv. Aan die bv is een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd die na een uitspraak van Rechtbank Breda onherroepelijk is geworden. Omdat betaling uitbleef, is belanghebbende als bestuurder daarvoor aansprakelijk gesteld. Hof Den Bosch (11 februari 2016, nr. 13/00892, NTFR 2016/1256) achtte die aansprakelijkstelling terecht. De hofuitspraak houdt in cassatie echter geen stand. Vast staat dat de ontvanger niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, maar het hof heeft daaraan geen gevolgen verbonden. Volgens de Hoge Raad heeft het hof echter ten onrechte niet gereageerd op het standpunt van belanghebbende dat de niet overgelegde stukken van belang zijn voor de vraag of belanghebbende (i) een verwijt als bedoeld in art 36, lid 2, IW 1990 kan worden gemaakt en (ii) of de bv opzet of grove schuld in de zin van art. 7, lid 2, Uitv.besl. IW 1990 kan worden verweten. Verder heeft het hof niet onderkend dat art. 49, lid 7, IW 1990 niet verhindert dat de bestuurder in een aansprakelijkstellingsprocedure feiten en omstandigheden betreffende de belastingaanslag kan aanvoeren die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan. Verder zet de Hoge Raad uiteen dat het in de IW 1990 en AWR voorziene stelsel van rechtsbescherming erin voorziet dat een aansprakelijkstellingsbeschikking door de rechter kan worden vernietigd of verminderd indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Aan de door dit stelsel geboden mogelijkheid tot betwisting van de aansprakelijkstelling wordt, anders dan belanghebbende betoogt, geen afbreuk gedaan als een vooraankondiging van de beschikking, zoals hier, ontbreekt.

NTFR 2016/2935 - A-G Wattel ziet geen aanleiding voor Hoge Raad om terug te komen van HR NTFR 2015/2035 inzake teruggaaf van dividendbelasting aan buitenlandse beleggingsfondsen

ECLI:NL:PHR:2016:1105, datum uitspraak 09-11-2016, publicatiedatum 18-11-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van prof. dr. J. Vleggeert
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (1 augustus 2016, nrs. 12/29, 12/30, 12/152 t/m 12/154, NTFR 2016/2222 en nrs. 15/6759 t/m 15/6762, NTFR 2016/2253) heeft de Hoge Raad verzocht om een prejudiciële beslissing in twee zaken over de EU-rechtelijke vergelijkbaarheid van (beleggers in) niet-ingezeten beleggingsfondsen en (beleggers in) ingezeten fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet VPB 1969 (fbi’s). In beide zaken is in geschil of de belanghebbende op grond van zijn EU-recht op vrij verkeer van kapitaal (thans art. 63 VWEU) op dezelfde voet als een fbi recht had op teruggave van dividendbelasting. De samenhangende zaak is die met nr. 16/03954.

NTFR 2016/2936 - A-G Wattel adviseert Hoge Raad in eerste nationale prejudiciële vragenzaak over dividendbelasting HvJ in te schakelen

ECLI:NL:PHR:2016:1106, datum uitspraak 09-11-2016, publicatiedatum 18-11-2016
Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 met annotatie van prof. dr. J. Vleggeert
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2016, nrs. 12/29, 12/30 en 12/152 t/m 12/154, NTFR 2016/2222 en nrs. 15/6759 t/m 15/6762, NTFR 2016/2253) heeft de Hoge Raad verzocht om een prejudiciële beslissing in twee zaken over de EU-rechtelijke vergelijkbaarheid van (beleggers in) niet-ingezeten beleggingsfondsen en (beleggers in) ingezeten fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet VPB 1969 (fbi’s). In beide zaken is in geschil of belanghebbende op grond van zijn EU-recht op vrij verkeer van kapitaal (nu art. 63 VWEU) op dezelfde voet als een fbi recht had op teruggave van dividendbelasting. De samenhangende zaak is die met nr. 16/03955 (conclusie van 9 november 2016).

NTFR 2016/2938 - Staatssecretaris geeft uitstel voor eerste notificatie country-by-country-reporting tot en met 1 september 2017

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016
Op basis van art. 29d Wet VPB 1969 dient een groepsentiteit van een multinationale groep die fiscaal inwoner is van Nederland uiterlijk op de laatste dag van het verslagjaar van de multinationale groep aan de inspecteur te berichten of zij de rapporterende entiteit is, en zo nee, welke entiteit wel de rapporterende entiteit is. Op de datum waarop deze binnenlandse notificatie voor de eerste keer moet worden gedaan, zullen niet alle MCAA-notificaties zijn gedaan. Dit betekent dat het ten tijde van de eerste binnenlandse notificatie niet volledig duidelijk is tussen welke landen een overeenkomst tot uitwisseling van country-by-country-informatie tot stand is gekomen. Het is dan ook niet redelijk om aan de datum voor de binnenlandse notificatie vast te houden.

NTFR 2016/2939 - EC publiceert mededeling over het begrip staatssteun

Aflevering 49, gepubliceerd op 08-12-2016 geschreven door A.F. Gunn
Op 19 juli 2016 verscheen van de kant van de Europese Commissie de definitieve versie van de Mededeling betreffende het begrip ‘staatssteun’ in de zin van art. 107, lid 1, Verdrag betreffende de Werking van de EU (2016/C 262/01). De mededeling geeft een nadere toelichting op het Europese staatssteunbegrip van art. 107, lid 1, VWEU. De mededeling behandelt de bestaande Europese jurisprudentie en de beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie, en bevat voorts enkele eigen standpunten van de EC. De mededeling gaat in op de kernbegrippen van het steunverbod en de criteria voor steun (het bestaan van een voordeel, selectiviteit, beïnvloeding van het handelsverkeer en de mededinging). Voorts bevat de mededeling specifieke verduidelijking op het vlak van staatssteun en infrastructuur en een uitgebreide passage over fiscale staatssteun. De mededeling vervangt de mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen uit 1998.