Toerekening gezamenlijke grondslag sparen en beleggen bij navordering
Toerekening gezamenlijke grondslag sparen en beleggen bij navordering
Gegevens
- Kenmerk
- KG:202:2023:18
- Publicatiedatum
- 6 juni 2023
- Bron
- Kennisgroepen Standpunten
- Status
- Geldig
Aanleiding
Belastingplichtigen X en Y zijn het gehele jaar fiscale partners. In hun aangiften hebben ze van bankrekening A € 500.000 opgegeven. Hiervan is € 300.000 aan X toegedeeld en € 200.000 aan Y. Ze hebben allebei aangifte inkomstenbelasting gedaan. Er zijn definitieve aanslagen opgelegd conform de ingediende aangiften. Nadat de aanslagen onherroepelijk vast zijn komen te staan, komen X en Y er achter dat ze een fout hebben gemaakt: op bankrekening A stond feitelijk € 900.000. Ze dienen een verzoek tot navordering in voor het bedrag van € 400.000 dat ze niet in hun aangiften hebben aangegeven.
Vraag
Hoe wordt de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen bij navordering verdeeld tussen fiscale partners?
Antwoord
Voor gemeenschappelijke bestanddelen, zoals de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, mogen fiscale partners bij navordering een verdeling kiezen, voor zover het gemeenschappelijke bestanddeel niet is opgenomen in de onherroepelijk vaststaande aanslagen.
In de onherroepelijk vaststaande aanslagen is € 500.000 van het saldo van bankrekening A opgenomen in de onherroepelijk vaststaande aanslagen. Voor het deel van bankrekening A van € 400.000 dat niet is aangegeven geldt de hoofdregel van verdeling tussen fiscale partners. X en Y mogen dus samen kiezen voor een verdeling van de niet eerder aangegeven € 400.000. Als ze geen gezamenlijke keuze maken, wordt het bedrag van € 400.000 gelijk verdeeld over de fiscale partners.
Beschouwing
Wettelijk kader
Artikel 2.17, derde en vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001):
Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen.
De voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen of voor de geheven dividendbelasting tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag, navorderingsaanslag, conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste volzin bedoelde aanslag vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te staan.