Home

KG 202:2025:12 Uitgaven vervoer indien meerdere personen in één huishouden minder dan 100 meter zelfstandig kunnen lopen

KG 202:2025:12 Uitgaven vervoer indien meerdere personen in één huishouden minder dan 100 meter zelfstandig kunnen lopen

Gegevens

Kenmerk
KG:202:2025:12
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Bron
Kennisgroepen Standpunten
Status
Geldig

Aanleiding

Een ouder en een meerderjarig kind (dat jonger is dan 27 jaar) hebben beiden een lichamelijke beperking waardoor zij minder dan 100 meter zelfstandig kunnen lopen. Zij voeren een gezamenlijke huishouding en de ouder betaalt de vervoerskosten voor zichzelf en het kind.

Vragen

  1. Kan het kind het forfaitaire bedrag voor vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), in aanmerking nemen als uitgaven voor specifieke zorgkosten?

  2. Kan de ouder het forfaitaire bedrag voor vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, voor het kind in aanmerking nemen als uitgaven voor specifieke zorgkosten?

  3. Hoe luidt het antwoord op vragen 1 en 2 wanneer zowel het kind als de ouder uitgaven voor vervoer ten behoeve van het kind hebben gemaakt?

Antwoorden

  1. Nee, het kind kan het forfaitaire bedrag voor vervoer niet in aanmerking nemen als uitgaven voor specifieke zorgkosten, omdat de kosten voor vervoer niet op het kind drukken.

  2. Ja, de ouder kan het forfaitaire bedrag voor vervoer voor het kind in aanmerking nemen als uitgaven voor specifieke zorgkosten, omdat de kosten voor vervoer op de ouder drukken en het kind behoort tot de kring van personen waarvan uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen. Een redelijke wetsuitleg van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 brengt met zich dat dit onderdeel niet de kring van personen als bedoeld in artikel 6.16 Wet IB 2001 beperkt.

  3. Wanneer zowel het kind als de ouder uitgaven voor vervoer ten behoeve van het kind hebben gemaakt, hebben ze allebei recht op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten wegens vervoer voor het kind. Het forfaitaire bedrag dient te worden verdeeld tussen het kind en de ouder. Bij de bepaling van de toedeling van het forfaitaire bedrag kan rekening worden gehouden met de verdeling van de uitgaven van vervoer voor het kind.

Beschouwing

Beantwoording vraag 1:

Kan het kind het forfaitaire bedrag voor vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, in aanmerking nemen als uitgaven voor specifieke zorgkosten?

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, Wet IB 2001 bestaat de persoonsgebonden aftrek uit het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen. Uitgaven voor specifieke zorgkosten behoren tot de persoonsgebonden aftrek.

Als voorwaarde om uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking te nemen geldt dat de uitgaven op belastingplichtige moeten drukken. In dit verband is sprake van drukkende uitgaven wanneer belastingplichtige de kosten uit eigen middelen voldoet, zonder dat deze elders zijn of kunnen worden verhaald. 

Het kind is voor de eigen aangifte inkomstenbelasting de belastingplichtige. Het kind heeft zelf geen kosten voor vervoer gemaakt. Aangezien de ouder de kosten voor vervoer heeft gemaakt, drukken die kosten dus niet op de belastingplichtige en kan de belastingplichtige deze uitgaven voor specifieke zorgkosten niet in aanmerking nemen als persoonsgebonden aftrek.

Beantwoording vraag 2:

Beantwoording vraag 3: