Fiscaal partnerschap wanneer een bewoner de bloot eigendom en de andere bewoner het recht van gebruik en bewoning van de woning heeft
Fiscaal partnerschap wanneer een bewoner de bloot eigendom en de andere bewoner het recht van gebruik en bewoning van de woning heeft
Gegevens
- Kenmerk
- KG:202:2025:7
- Publicatiedatum
- 27 mei 2025
- Bron
- Kennisgroepen Standpunten
- Status
- Geldig
Aanleiding
Ouders hebben de bloot eigendom van hun woning overgedragen aan hun kind onder voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning als bedoeld in 3:226 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Een aantal jaar na het overlijden van een van de ouders is het kind (alleenstaand en ouder dan 27 jaar) bij de langstlevende ouder gaan wonen. Zowel de ouder als het kind staan het gehele jaar op hetzelfde woonadres ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP).
Vraag
Ontstaat op grond van artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) fiscaal partnerschap tussen twee belastingplichtigen, wanneer de ene belastingplichtige de bloot eigendom heeft van een woning en de andere belastingplichtige een recht van gebruik en bewoning van diezelfde woning heeft?
Antwoord
Nee. Voor fiscaal partnerschap op grond van artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Wet IB 2001 is vereist dat de woning beiden ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economische eigendom. Een recht van gebruik en bewoning wordt niet als (economische) eigendom van de woning aangemerkt.
Beschouwing
Recht van vruchtgebruik (civiel)
Volgens artikel 3:201 BW is een recht van vruchtgebruik een (juridisch) recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Het gaat dan om een beperkt recht dat is afgeleid van een meer omvattend recht, zoals een recht van eigendom.
Op het recht van gebruik en bewoning zijn de regels voor vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing (artikel 3:226 BW). Een recht van gebruik en bewoning is een beperkt recht dat ontstaat door de goederenrechtelijke handeling van vestiging. Het recht heeft gelding tegenover derden. Het geeft de rechthebbende de bevoegdheid een zaak te bewonen, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten die hij voor zich en zijn gezin behoeft. De rechthebbende kan het recht niet vervreemden of bezwaren en mag de woning niet door een ander, niet zijnde een gezinslid, laten bewonen. Bij overlijden vervalt het recht. Zie in dit kader bijvoorbeeld onderdeel 3.3.1 bij de conclusie van A-G Wuisman van 11 september 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI6321. Als gevolg hiervan gaat de waardeverandering de vruchtgebruiker niet aan en is geen sprake van economische eigendom.