Loon meestverdienende werknemer in het kader van gebruikelijkloonregeling
Loon meestverdienende werknemer in het kader van gebruikelijkloonregeling
Gegevens
- Kenmerk
- KG:204:2025:10
- Publicatiedatum
- 24 juni 2025
- Bron
- Kennisgroepen Standpunten
- Status
- Geldig
Aanleiding
A en B voeren gezamenlijk het bestuur over en bv. A en B hebben met de bv een arbeidsovereenkomst gesloten en houden ieder 50% van de aandelen in de bv. A geniet een loon van € 230.000 per jaar. B geniet een loon van € 190.000 per jaar. Met uitzondering van de hoogte van het loon zijn de arbeidsovereenkomsten van A en B gelijk. Naast het gezamenlijke bestuur van de bv verrichten A en B geen andere activiteiten.
Er is geen onderzoek gedaan naar de meest vergelijkbare dienstbetrekking; het gebruikelijk loon van B wordt vastgesteld op het loon van de meestverdienende werknemer. De meestverdienende werknemer van de bv zonder aanmerkelijk belang geniet een loon van € 200.000 per jaar.
Vraag
Moet het gebruikelijk loon van een werknemer met een aanmerkelijk belang (hierna: AB-werknemer) worden gesteld op het loon van de meestverdienende andere AB-werknemer in dienst bij de (verbonden) vennootschap?
Antwoord
Ja. Het gebruikelijk loon moet in casu in beginsel worden gesteld op het loon van de werknemer met het hoogste loon in de zin van artikel 12a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Het is hierbij niet van belang of deze werknemer wel of geen aanmerkelijk belang heeft.
Het gebruikelijk loon van B bedraagt derhalve in beginsel € 230.000. B heeft echter de mogelijkheid om met toepassing van de tegenbewijsregeling van artikel 12a, tweede lid, Wet LB 1964 aannemelijk te maken dat het gebruikelijk loon moet worden gesteld op het loon van een werknemer met de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt.
Beschouwing
Wet- en regelgeving
In artikel 12a Wet LB 1964 is geregeld hoe het gebruikelijk loon moet worden vastgesteld. Het betreft een samenstel van regels die moeten leiden tot een zakelijk te achten (gebruikelijk) loon.
De voor deze vraag van belang zijnde bepalingen van dit artikel luiden als volgt:
“1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:
a. het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen;
c. € 56.000.
2. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. (…)
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: (…)
c.meest vergelijkbare dienstbetrekking: de dienstbetrekking die van alle dienstbetrekkingen:
1°. waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt; (…)
d. met het lichaam verbonden lichamen: met het lichaam verbonden vennootschappen als bedoeld in artikel 10a, zevende lid.(…)”