Ga verder naar content

Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting

Geldig van 1 januari 2018 tot 1 oktober 2021
Geldig van 1 januari 2018 tot 1 oktober 2021

Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2018 tot 01-10-2021]

Aanhef

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 7 van de Wet op de kansspelbelasting (Stb. 1961, 313), artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en artikel 1 van de Wet van 24 december 1927 (Stb. 416);

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder:

a. wet:

Wet op de kansspelbelasting;

b. belasting:

kansspelbelasting.

Artikel 1a

Het tijdstip waarop de belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet, in het kalenderjaar is verschuldigd, is:

  1. de laatste dag van de kalendermaand waarin de prijs ter beschikking is gesteld, indien:

    1. 1°.

      de inhoudingsplichtige meerdere keren per kwartaal binnenlandse kansspelen organiseert waarop artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet van toepassing is; en

  2. de laatste dag van het kalenderkwartaal waarin de prijs ter beschikking is gesteld, indien:

    1. 1°.

      de afgedragen belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet, in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren per kwartaal gemiddeld niet meer heeft bedragen dan € 15.000; en

    2. 2°.

      aan de inhoudingsplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren niet meer dan twee naheffingaanslagen zijn opgelegd ter zake van de belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet.

Artikel 2

1.

Het register als bedoeld is in artikel 7, eerste lid, van de wet dient te worden gehouden ter plaatse waar de administratie van het kansspel wordt gevoerd.

2.

Elk kansspel dient als één post in het register te worden geboekt. Voor elke post wordt tenminste één blad gebruikt.

3.

Elke post dient in te houden:

  1. een omschrijving van het kansspel;

  2. de dag of dagen waarop het kansspel plaatsvindt;

  3. een specificatie van de prijzen met, voor zover de prijzen niet in geld bestaan, vermelding van de waarde als bedoeld is in artikel 3, derde lid, van de wet;

  4. het totale bedrag van de ter beschikking gestelde en niet van de belasting vrijgestelde prijzen in geld;

  5. het totale bedrag van de ter beschikking gestelde en niet van de belasting vrijgestelde prijzen, welke niet in geld bestaan;

  6. het totale bedrag waarover de belasting wordt berekend;

  7. het tijdstip of de tijdstippen, waarop de prijzen ter beschikking zijn gesteld;

  8. het bedrag van de belasting;

  9. de dag waarop de belasting is afgedragen.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5