Ga verder naar content

Belastingregeling voor het Koninkrijk

Geldig vanaf 10 oktober 2010

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 10-10-2010]

Aanhef

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Regeringen van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het stuk van de belastingen een onderlinge regeling bij Rijkswet wordt vastgesteld;

dat het derhalve wenselijk is zulke regelen met toepassing van artikel 38 van het Statuut voor het Koninkrijk vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Algemene bepaling

Artikel 1

1.

In Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden vreemdelingen niet onderworpen aan enige belasting of daarmede verband houdende verplichting welke drukkender is dan die, waaraan Nederlanders onder overigens gelijke omstandigheden worden onderworpen.

2.

Een lichaam dat is opgericht naar het recht van een land van het Koninkrijk wordt in een ander land van het Koninkrijk niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen, waaraan lichamen die naar het recht van het andere land zijn opgericht onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

3.

De belasting in een van de landen van niet-inwoners ter zake van een binnen dat land aangehouden vaste inrichting is in beginsel niet drukkender dan de belasting van inwoners die dezelfde werkzaamheden onder overigens gelijke omstandigheden uitoefenen. De vorige volzin heeft geen betrekking op aan de personen of de persoonlijke omstandigheden gebonden tegemoetkomingen, zoals die welke verleend worden op grond van gezinssamenstelling en besteding van het inkomen.

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 2

Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting

Afdeling 1. Belastingen naar inkomen en vermogen

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13a

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Afdeling 2. Belastingen ter zake van successie en schenking

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Afdeling 3. Zegelbelastingen

Artikel 30

Artikel 31

Afdeling 4. Belastingen op motorrijtuigen

Artikel 32

Artikel 33

Afdeling 5. Bijzondere bepalingen

Artikel 34

Artikel 35

Afdeling 6. Anti-misbruikbepalingen

Artikel 35a

Artikel 35b

Hoofdstuk III. Wederzijdse bijstand

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 38

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49