Ga verder naar content

Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen

Geldig van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022
Geldig van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022

Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2021 tot 01-01-2022]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, van 12 juli 1990, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. IBI 88/33/U55;

Overwegende, dat het gewenst is nadere regels te stellen omtrent de naheffingsaanslag, het aanbrengen en verwijderen van de wielklem alsmede omtrent het wegslepen en in bewaring stellen van een voertuig met betrekking tot de gemeentelijke parkeerbelastingen;

Gelet op de artikelen 283a, zevende lid, en 283b, dertiende en vijftiende lid, van de gemeentewet;

Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën (advies van 27 april 1990, nr. 63948 RGF 1/187);

De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1990, nr. W04.90.0361);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 14 november 1990, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. IBI 88/33/U 61;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  1. wet: de Gemeentewet;

  2. wielklem: het in artikel 235, eerste lid, van de wet bedoelde mechanisch hulpmiddel waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden;

  3. bewaringsregister: het in artikel 235, zesde lid, van de wet bedoelde register;

  4. gemeenteambtenaar: de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedoelde gemeenteambtenaar.

Artikel 1a

De voorschriften van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de wet, kunnen inhouden dat het in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden, indien de belastingplichtigen voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte ten dienste staan.

Artikel 2

1.

De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:

  1. vaste informatieverwerkingskosten;

  2. variabele informatieverwerkingskosten;

  3. kosten van afschrijving;

  4. kosten van interest;

  5. personeelskosten;

  6. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.

2.

Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19