Ga verder naar content

Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken

Geldig vanaf 18 juli 2007
Geldig vanaf 18 juli 2007

Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 18-07-2007]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 30 oktober 1996, nr. WDB96/492M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort;

Gelet op artikel 44 van de Wet waardering onroerende zaken;

De Raad van State gehoord (advies van 3 december 1996, nr. WO6.96.0506);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 6 januari 1997, nr. WDB96/602U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

1.

Dit besluit geeft uitvoering aan artikel 44 van de Wet waardering onroerende zaken.

2.

In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 2

Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde onherroepelijk is komen vast te staan doch binnen vijf jaren na het nemen van de beschikking terzake blijkt dat deze waarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert de in artikel 1, tweede lid, van de wet bedoelde gemeenteambtenaar, ingeval de waarde had behoren te zijn vastgesteld op een bedrag dat ten minste 20 percent, met een minimum van € 5000, lager is dan de te hoog vastgestelde waarde, zo spoedig mogelijk bij beschikking de te hoog vastgestelde waarde.

Artikel 3

Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde ten gunste van een belanghebbende wordt verminderd, vermindert de in artikel 1, tweede lid, van de wet bedoelde gemeenteambtenaar dienovereenkomstig en gelijktijdig bij beschikking de te hoog vastgestelde waarde ten gunste van alle overige belanghebbenden ten aanzien van wie met betrekking tot dezelfde onroerende zaak de waarde eveneens te hoog is vastgesteld.

Artikel 4