Ga verder naar content

Kansspelenbesluit

Geldig vanaf 1 april 2021
Geldig vanaf 1 april 2021

Kansspelenbesluit

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-04-2021]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 juli 1997, nr. 643371/97/6, Directie Wetgeving;

Gelet op de artikelen 6 en 29 van de Wet op de kansspelen;

De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 1997, nr. WO3.97.0501);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 11 november 1997, nr. 664079/97/6, Directie Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

wet: de Wet op de kansspelen;

Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming;

raad van bestuur: de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in artikel 33a van de wet.

Artikel 2

Aan een vergunning, krachtens artikel 3 van de wet verleend, worden in elk geval de navolgende voorschriften verbonden:

  1. er mogen niet meer dan het in de vergunning genoemde aantal bewijzen van deelneming, uitsluitend tegen de daarin aangegeven inleg, worden uitgegeven.

  2. De opbrengst van de door de vergunninghouder verkochte deelnemingsbewijzen wordt afgedragen aan bij of krachtens de vergunning aangewezen begunstigden. De afdracht bedraagt ten minste 40% van de nominale waarde van de verkochte deelnemingsbewijzen.

  3. De afdracht, bedoeld in onderdeel b, wordt geheel voor het in de vergunning omschreven doel aangewend.

  4. Slechts noodzakelijke kosten mogen worden gemaakt.

    Eventuele provisie aan verkopers van deelnemingsbewijzen dient te worden beperkt tot ten hoogste 10% van de nominale waarde der door hun bemiddeling geplaatste deelnemingsbewijzen.

  5. Als deelnemers mogen niet worden toegelaten personen die nog niet de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt. Indien als winnaar van een prijs wordt aangewezen een persoon die ingevolge de vorige volzin niet als deelnemer mocht worden toegelaten, wordt deze deelneming buiten aanmerking gelaten.

  6. Op de bewijzen van deelneming alsmede in alle aankondigingen en voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken moet, voorzover praktisch mogelijk, duidelijk worden vermeld:

    de naam van de vergunninghouder en het adres, waar inlichtingen verkrijgbaar zijn;

    het in de vergunning omschreven doel;

    het aantal bewijzen van deelneming en het bedrag van de inleg;

    plaats en tijdstip van de prijsbepaling.

  7. De niet geplaatste deelnemingsbewijzen moeten vóór het tijdstip van de prijsbepaling worden ingeleverd bij de in de vergunning aangewezen instantie.

  8. Van de gelegenheid, waarvoor vergunning is verleend, moet een afzonderlijke, overzichtelijke, administratie worden gevoerd.

    Een uitgewerkte rekening en verantwoording met toelichtende bescheiden moet binnen de in de vergunning genoemde termijn worden overgelegd aan de in de vergunning aangewezen instantie.

  9. De rekening en verantwoording dient vergezeld te gaan van een onderzoeksverslag en een verklaring omtrent de getrouwheid daarvan, opgesteld door een accountant die is ingeschreven in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep bedoelde register, indien de prijzen en premies gezamenlijk een grotere waarde hebben dan € 4.500.

Artikel 3

De prijsbepaling voor wat betreft gelegenheden, waarvoor ingevolge artikel 3 van de wet vergunning is verleend, geschiedt nà de afsluiting van de plaatsingsactiviteiten in het openbaar, en wel voorzover de gezamenlijke waarde van de prijzen en premies meer dan € 4 500 bedraagt, ten overstaan van een notaris, die het verloop van de prijsbepaling bij proces-verbaal constateert, voorzover de gezamenlijke waarde van de prijzen en premies niet meer dan € 4 500 bedraagt, ten overstaan van een in de vergunning aangewezen persoon, die van zijn bevindingen een kort verslag opmaakt.

Artikel 3a [Vervallen per 01-04-2021]

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11