Ga verder naar content

Achtste richtlijn van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (79/1072/EEG)

Achtste richtlijn van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (79/1072/EEG)

1979L1072 — NL — 01.01.2007 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

ACHTSTE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 6 december 1979

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen

(79/1072/EEG)

(PB L 331, 27.12.1979, p.11)

Gewijzigd bij:

Publicatieblad

No

page

date

►M1

RICHTLIJN 2006/98/EG VAN DE RAAD van 20 november 2006

L 363

129

20.12.2006


Gewijzigd bij:



NB: Deze geconsolideerde versie bevat referenties naar de Europese rekeneenheid en/of ecu. Vanaf 1 januari 1999 moeten beide worden gelezen als referentie naar de euro — Verordening (EEG) nr. 3308/80 van de Raad (PB L 345 van 20.12.1980, blz. 1) en Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad (PB L 162 van 19.6.1997, blz. 1).




▼B

ACHTSTE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 6 december 1979

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen

(79/1072/EEG)



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op de zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), inzonderheid op artikel 17, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie (2),

Gezien het advies van het Europese Parlement (3),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (4),

Overwegende dat de Raad krachtens artikel 17, lid 4, van Richtlijn 77/388/EEG communautaire uitvoeringsbepalingen dient aan te nemen voor de in lid 3 van genoemd artikel bedoelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen;

Overwegende dat vermeden dient te worden dat een in een Lid-Staat gevestigde belastingplichtige de hem in een andere Lid-Staat ter zake van de levering van goederen en diensten in rekening gebrachte belasting of de ter zake van invoer in die zelfde andere Lid-Staat voldane belasting definitief moet dragen, omdat hij aldus aan een dubbele belastingheffing zou zijn onderworpen;

Overwegende dat een eind dient te worden gemaakt aan de verschillen tussen de thans in de Lid-Staten geldende bepalingen welke soms de oorzaak zijn van verleggingen van het handelsverkeer en verstoringen van de mededingingsverhoudingen;

Overwegende dat een communautaire reglementering van deze materie een stap voorwaarts betekent op de weg naar daadwerkelijke vrijmaking van het personen-, goederen- en dienstenverkeer, en aldus bijdraagt tot verdere voortgang van het proces van economische integratie;

Overwegende dat deze reglementering er niet toe mag leiden dat belastingplichtigen verschillend worden behandeld naar gelang van de Lid-Staat waar zij zijn gevestigd;

Overwegende dat bepaalde vormen van belastingfraude of belastingontwijking dienen te worden voorkomen;

Overwegende dat de Lid-Staten ingevolge artikel 17, lid 4, van Richtlijn 77/388/EEG teruggaaf kunnen weigeren of hiervoor bijkomende voorwaarden kunnen stellen ten aanzien van belastingplichtigen die niet op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd; dat evenwel dient te worden voorkomen dat de voorwaarden waaronder deze belastingplichtigen teruggaaf verkrijgen gunstiger zijn dan die welke voor de belastingplichtigen uit de Gemeenschap gelden;

Overwegende dat in een eerste fase dient te worden volstaan met de aanneming van de in de onderhavige richtlijn vervatte communautaire uitvoeringsbepalingen; dat in deze bepalingen met name wordt gezegd dat van de beslissingen over de verzoeken om teruggaaf mededeling moet worden gedaan binnen zes maanden na het indienen van de verzoeken en dat de teruggaaf binnen dezelfde termijn moet geschieden; dat gedurende een tijdvak van een jaar na de uiterste datum voor de invoering van deze uitvoeringsbepalingen de Italiaanse Republiek dient te worden gemachtigd voor de mededeling van de door haar bevoegde diensten te nemen beslissingen over de door niet op haar grondgebied gevestigde belastingplichtigen ingediende verzoeken en voor de teruggaaf van betaalde belasting een termijn van negen maanden aan te houden, ten einde deze Lid-Staat de gelegenheid te bieden het thans gebruikte systeem te reorganiseren met het oog op de toepassing van de communautaire regeling;

Overwegende dat de Raad later nog bepalingen moet vaststellen om deze communautaire regeling aan te vullen; dat de Lid-Staten, totdat laatstgenoemde bepalingen in werking treden, de belasting die is geheven ter zake van niet onder de onderhavige richtlijn vallende handelingen, teruggeven volgens de voorschriften die zij vaststellen overeenkomstig artikel 17, lid 4, van Richtlijn 77/388/EEG,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt als een niet in het binnenland gevestigde belastingplichtige beschouwd de belastingplichtige als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 77/388/EEG, die gedurende de periode, bedoeld in artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste en tweede zin, in het betrokken land noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening, noch een vaste inrichting heeft gehad van waaruit de handelingen worden verricht, noch, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, aldaar zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft gehad, en die in de voornoemde periode geen leveringen van goederen of diensten heeft verricht waarvan de plaats geacht wordt in het betrokken land te zijn gelegen, met uitzondering van:

a)vervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten, die zijn vrijgesteld uit hoofde van artikel 14, lid 1, sub i), artikel 15 of artikel 16, lid 1, sub B, C en D, van Richtlijn 77/388/EEG,

b)dienstverrichtingen in de gevallen waarin de belasting uitsluitend verschuldigd is door de ontvanger overeenkomstig artikel 21, lid 1, sub b), van Richtlijn 77/388/EEG.

Artikel 2

Elke Lid-Staat geeft aan iedere niet in het binnenland maar in een andere Lid-Staat gevestigde belastingplichtige, onder de in de hierna volgende artikelen gestelde voorwaarden, de belasting over de toegevoegde waarde terug welke is geheven ter zake van de hem door andere belastingplichtigen in het binnenland verleende diensten of geleverde roerende goederen, dan wel ter zake van de invoer van goederen in het betrokken land, een en ander voor zover deze goederen en diensten worden gebruikt voor de handelingen bedoeld in artikel 17, lid 3, sub a) en b), van Richtlijn 77/388/EEG of de dienstverrichtingen bedoeld in artikel 1, sub b).

Artikel 3

Een belastingplichtige als bedoeld in artikel 2, die geen leveringen van goederen of diensten heeft verricht waarvan de plaats geacht wordt in het binnenland te zijn gelegen, moet, om teruggaaf te verkrijgen:

a)bij de in artikel 9, eerste alinea, bedoelde bevoegde dienst een verzoek indienen, opgemaakt overeenkomstig het in bijlage A opgenomen model en vergezeld van de originele facturen of invoerdocumenten. De Lid-Staten stellen een toelichting ter beschikking van de aanvrager, die in elk geval de in bijlage C aangegeven minimaal te verstrekken informatie moet bevatten;

b)door middel van een verklaring, afgegeven door de overheid van de Staat waar hij gevestigd is, aantonen dat hij in die Staat onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde. Wanneer de in artikel 9, eerste alinea, bedoelde bevoegde dienst reeds over een dergelijke verklaring beschikt, behoeft de belastingplichtige gedurende een jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte van de eerste verklaring door de overheid van de Staat waar hij is gevestigd, geen nieuwe verklaring te verstrekken. De Lid-Staten geven geen verklaring af aan belastingplichtigen die krachtens artikel 24, lid 2, van Richtlijn 77/388/EEG vrijstelling van belasting genieten;

c)schriftelijk verklaren dat hij gedurende de periode, bedoeld in artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste en tweede zin, geen leveringen van goederen of diensten heeft verricht waarvan de plaats geacht wordt in het binnenland te zijn gelegen;

d)zich ertoe verplichten alle ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen.

Artikel 4

Een belastingplichtige als bedoeld in artikel 2, die in het binnenland geen leveringen van goederen of diensten heeft verricht waarvan de plaats geacht wordt in het betrokken land te zijn gelegen, met uitzondering van diensten als bedoeld in artikel 1, sub a) en b), moet, om teruggaaf te verkrijgen:

a)voldoen aan de in artikel 3, sub a), b) en d), bedoelde verplichtingen;

b)schriftelijk verklaren dat hij gedurende de periode, bedoeld in artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste en tweede zin, geen leveringen van goederen of diensten heeft verricht waarvan de plaats geacht wordt in het betrokken land te zijn gelegen, met uitzondering van diensten als bedoeld in artikel 1, sub a) en b).

Artikel 5

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het recht op belastingteruggaaf bepaald op grond van artikel 17 van Richtlijn 77/388/EEG, zoals dit wordt toegepast in de Lid-Staat waar de teruggaaf wordt verleend.

Deze richtlijn is niet van toepassing op leveringen van goederen die zijn vrijgesteld of die kunnen worden vrijgesteld krachtens artikel 15, punt 2, van Richtlijn 77/388/EEG.

Artikel 6

De Lid-Staten mogen de in artikel 2 bedoelde belastingplichtigen, naast de in artikel 3 en artikel 4 omschreven verplichtingen, geen andere verplichting opleggen dan die om in bijzondere gevallen de inlichtingen te verstrekken welke voor de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek om teruggaaf nodig zijn.

Artikel 7

1. Het in de artikelen 3 en 4 bedoelde verzoek om teruggaaf moet betrekking hebben op aankopen van goederen of diensten die zijn gefactureerd of op invoer die heeft plaatsgevonden binnen een periode van ten minste drie maanden en ten hoogste een kalenderjaar. Het verzoek kan evenwel betrekking hebben op een periode van minder dan drie maanden, wanneer deze periode het resterende gedeelte van een kalenderjaar vormt. De verzoeken kunnen ook facturen of invoerdocumenten betreffen waarvoor eerder geen verzoek werd ingediend en die betrekking hebben op handelingen welke tijdens het bedoelde kalenderjaar werden verricht. Het verzoek moet uiterlijk zes maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting verschuldigd is geworden, worden ingediend bij de in artikel 9, eerste alinea, bedoelde bevoegde dienst.

Betreft het verzoek een periode van minder dan een kalenderjaar maar ten minste drie maanden, dan moet het bedrag waarop het betrekking heeft ten minste de tegenwaarde in nationale valuta van 200 Europese rekeneenheden belopen; voor verzoeken die een kalenderjaar of het resterende gedeelte van een kalenderjaar bestrijken, moet het bedrag ten minste de tegenwaarde in nationale valuta van 25 Europese rekeneenheden belopen.

2. De gebruikte Europese rekeneenheid is die welke is gedefinieerd in het Financieel Reglement van 21 december 1977 (5); de waarde van de rekeneenheid is die van 1 januari van het jaar waarin de periode valt welke is bedoeld in lid 1, eerste alinea, eerste en tweede zin. De Lid-Staten kunnen de uit de omrekening in nationale valuta voortvloeiende bedragen met maximaal 10 % naar boven of naar beneden afronden.

3. De in artikel 9, eerste alinea, bedoelde bevoegde dienst plaatst zijn visum op elke factuur en elk invoerdocument, opdat deze stukken niet meer voor een ander verzoek kunnen worden gebruikt, en zendt ze binnen een maand terug.

4. Van de beslissingen over verzoeken om teruggaaf moet mededeling worden gedaan binnen zes maanden nadat de betreffende verzoeken, vergezeld van alle documenten die volgens deze richtlijn voor het onderzoek van de verzoeken nodig zijn, bij de in lid 3 bedoelde bevoegde dienst zijn ingediend. De teruggaaf moet plaatsvinden vóór het verstrijken van voornoemde termijn, op verzoek van de aanvrager hetzij in de Lid-Staat waar de teruggaaf wordt verleend, hetzij in de Staat waar hij is gevestigd. In het laatstgenoemde geval komen de bankkosten voor het overmaken ten laste van de aanvrager.

Afwijzende beslissingen moeten met redenen zijn omkleed. Er kan beroep tegen worden ingesteld bij de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat, volgens de vormvereisten en binnen de termijnen die gelden voor klachten omtrent teruggaven waarom door in die Staat gevestigde belastingplichtigen is verzocht.

5. Wanneer teruggaaf op bedrieglijke of anderszins onregelmatige wijze is verkregen, gaat de in lid 3 bedoelde bevoegde dienst direct over tot invordering van de ten onrechte ontvangen bedragen en van de eventuele boetes, volgens de in de betrokken Lid-Staat geldende procedure, onverminderd de bepalingen inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde.

In geval van een bedrieglijk verzoek waarvoor krachtens de nationale wetgeving geen boete kan worden opgelegd, kan de betrokken Lid-Staat elke latere teruggaaf aan de belastingplichtige in kwestie weigeren gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaar, te rekenen vanaf de dag van indiening van het bedrieglijke verzoek. In geval van een bedrieglijk verzoek waarbij een boete is opgelegd maar niet is betaald, kan de betrokken Lid-Staat elke latere teruggaaf aan de betrokken belastingplichtige opschorten totdat de boete is betaald.

Artikel 8

Ten aanzien van niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen kan elke Lid-Staat de teruggaaf weigeren of hiervoor bijzondere voorwaarden stellen.

De voorwaarden waaronder aan deze belastingplichtigen teruggaaf kan worden verleend, mogen niet gunstiger zijn dan die welke voor belastingplichtigen uit de Gemeenschap gelden.

Artikel 9

De Lid-Staten maken op een daarvoor passende wijze bekend bij welke bevoegde dienst de in artikel 3, sub a), en artikel 4, sub a), bedoelde verzoeken kunnen worden ingediend.

De in artikel 3, sub b), en artikel 4, sub a), bedoelde verklaringen betreffende de hoedanigheid van belastingplichtige moeten in overeenstemming zijn met het in bijlage B opgenomen model.

Artikel 10

De Lid-Staten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1981 aan deze richtlijn te voldoen. Deze richtlijn heeft slechts betrekking op verzoeken om teruggaaf betreffende belasting over de toegevoegde waarde op aankopen van goederen of dienstverrichtingen die vanaf deze datum zijn gefactureerd en op invoer die vanaf deze datum heeft plaatsgevonden.

De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van alle belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan in kennis.

Artikel 11

In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 4, kan de Italiaanse Republiek tot 1 januari 1982 de in dat lid genoemde termijn van zes op negen maanden brengen.

Artikel 12

Binnen drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, dient de Commissie, na raadpleging van de Lid-Staten, bij de Raad een verslag in over de toepassing van de bepalingen van de richtlijn, met name van de artikelen 3, 4 en 7.

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.




BIJLAGE A

MODEL

image

image




BIJLAGE B

MODEL

VERKLARING OMTRENT DE HOEDANIGHEID VAN BELASTINGPLICHTIGE

image




BIJLAGE C

In de toelichting minimaal te verstrekken informatie

image

►(4) ►(4)

►(4) A3

►(4) M1

image

►(6) ►(6)

►(6) A3

►(6) A3

►(6) M1

►(6) M1



(1) PB nr. L 145 van 13. 6. 1977, blz. 1.

(2) PB nr. C 26 van 1. 2. 1978, blz. 5.

(3) PB nr. C 39 van 12. 2. 1979, blz. 14.

(4) PB nr. C 269 van 13. 11. 1978, blz. 51.

(5) PB nr. L 356 van 31. 12. 1977, blz. 1.