Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wordt als volgt gewijzigd:
-
De titel wordt vervangen door:
“Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels inzake vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor cockpitbemanning van zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad”.
-
In artikel 1 wordt lid 1 vervangen door:
“1.In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en voor de afgifte en het behoud van bewijzen van bevoegdheid als piloot en de bijbehorende bevoegdverklaringen, bevoegdheden en certificaten voor zweefvliegtuigen, voor luchtvaartuigen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), i) en ii), van Verordening (EU) 2018/1139.”.
-
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
-
de inleidende zin wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities en, tenzij in dit artikel anders is bepaald, de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1178/2011:”;
-
punt 10 wordt vervangen door de volgende tekst:
-
“dryleaseovereenkomst”: een overeenkomst tussen ondernemingen krachtens welke een zweefvliegtuig wordt geëxploiteerd onder verantwoordelijkheid van de huurder;”;
-
-
de volgende punten 11 tot en met 13 worden toegevoegd:
-
“nationaal bewijs van bevoegdheid”: een bewijs van bevoegdheid als piloot dat een lidstaat overeenkomstig de nationale wetgeving heeft afgegeven vóór de toepassingsdatum van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening of bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011;
-
“deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid”: een bewijs van bevoegdheid voor cockpitbemanning dat voldoet aan de eisen van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening;
-
“conversieverslag”: een verslag op basis waarvan een bewijs van bevoegdheid kan worden omgezet in een deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid;”.
-
-
-
De volgende artikelen 3 bis tot en met 3 quinquies worden ingevoegd na artikel 3:
1.Onverminderd Gedelegeerde Verordening (EU)(*) van de Commissie (*) dienen piloten van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening te voldoen aan de in bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening en in bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 vastgestelde technische voorschriften en administratieve procedures.
2.Als uitzondering op de bevoegdheden van de houders van bewijzen van bevoegdheid als gedefinieerd in bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening, mogen houders van dergelijke bewijzen van bevoegdheid vluchten uitvoeren als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d), zonder te voldoen aan punt SFCL.115, onder a), punt 3, van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening.
3.Een lidstaat mag toestaan dat leerling-piloten die een opleiding volgen voor het behalen van een bewijs van bevoegdheid voor zweefvliegen (SPL) maar die nog niet aan alle eisen voor de afgifte van een SPL overeenkomstig bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening voldoen, zonder toezicht beperkte bevoegdheden uitoefenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:
-
het toepassingsgebied van de verleende bevoegdheden is gebaseerd op een door de lidstaat uitgevoerde veiligheidsrisicobeoordeling, rekening houdend met de opleiding die nodig is om het beoogde bekwaamheidsniveau van de piloot te bereiken;
-
de bevoegdheden blijven beperkt tot:
-
het nationale grondgebied van de lidstaat die toestemming verleent, of een deel daarvan, en
-
zweefvliegtuigen die geregistreerd zijn in de lidstaat die toestemming verleent;
-
-
de houder van een toestemming die een aanvraag indient voor de afgifte van een SPL, krijgt op basis van een aanbeveling van een erkende opleidingsorganisatie (ATO) of een aangemelde opleidingsorganisatie (DTO) vrijstellingen voor de opleiding die hij heeft gevolgd;
-
de lidstaat dient om de drie jaar verslagen en veiligheidsrisicobeoordelingen in bij de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA);
-
de lidstaat houdt toezicht op het gebruik van de in het kader van deze alinea verleende toestemmingen, teneinde een aanvaardbaar niveau van luchtvaartveiligheid te garanderen en passende maatregelen te nemen als er een verhoogd veiligheidsrisico of veiligheidsproblemen wordt geconstateerd.
1.Deel-FCL-bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten die vóór de toepassingsdatum van deze verordening door een lidstaat zijn verleend, worden geacht te zijn verleend overeenkomstig deze verordening. De lidstaten vervangen dergelijke bewijzen van bevoegdheid door bewijzen van bevoegdheid die voldoen aan het in bijlage VI (deel‐ARA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 vastgestelde formaat wanneer zij om administratieve redenen of op verzoek van een houder van een bewijs van bevoegdheid een bewijs van bevoegdheid hernieuwen.
2.Een lidstaat die een bewijs van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten afgeeft overeenkomstig lid 1, dient:
-
alle tot dusver in deel‐FCL-bewijzen van bevoegdheid opgenomen bevoegdheden over te dragen naar het nieuwe formaat van bevoegdheidsbewijs;
-
bevoegdverklaringen voor kunstvliegen die zijn afgegeven overeenkomstig punt FCL.800 van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 om te zetten in bevoegdheden voor geavanceerd kunstvliegen overeenkomstig punt SFCL.200, onder c), van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening;
-
de geldigheidstermijn van een certificaat van vlieginstructeur en het daaraan gekoppelde deel‐FCL-bewijs van bevoegdheid in het logboek van de piloot of een gelijkwaardig document te erkennen. Na die vervaldatum mogen piloten slechts bevoegdheden als instructeur uitoefenen als zij voldoen aan punt SFCL.360 van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening.
3.Houders van nationale bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen die vóór de toepassingsdatum van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening door een lidstaat zijn afgegeven, mogen de bevoegdheden van hun bevoegdheidsbewijs blijven uitoefenen tot en met 8 april 2021. Uiterlijk op die datum zetten de lidstaten die bewijzen van bevoegdheid om in deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdverklaringen, bevoegdheden en certificaten overeenkomstig de elementen uit het omzettingsverslag die voldoen aan de eisen van artikel 4, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 1178/2011.
4.Nationale medische certificaten van piloten die gekoppeld zijn aan een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in lid 2 van dit artikel en die door een lidstaat zijn afgegeven vóór de datum van toepassing van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening blijven geldig tot de datum van hun volgende verlenging of tot 8 april 2021, indien dit eerder is. De verlenging van dergelijke medische certificaten moet voldoen aan de eisen van bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.
1.Met betrekking tot de afgifte van deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten overeenkomstig bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening, wordt opleiding die vóór de toepassingsdatum van deze verordening is begonnen overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011 geacht te voldoen aan de eisen van deze verordening.
2.Voor opleiding die is begonnen vóór de toepassingsdatum van deze verordening of van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, wordt met het oog op de afgifte van deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid vrijstelling verleend op basis van een door de lidstaat in overleg met het EASA opgesteld vrijstellingsverslag.
3.In het in lid 2 genoemde verslag wordt de reikwijdte van de opleiding beschreven en wordt aangegeven voor welke eisen uit deel-SFCL vrijstelling wordt verleend en, indien van toepassing, aan welke eisen de kandidaat moet voldoen om een deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid te krijgen. Het verslag bevat kopieën van alle documenten die nodig zijn om de reikwijdte van de opleiding aan te tonen en kopieën van de nationale regels en procedures op basis waarvan de opleiding is aangevat.
1.Opleidingsorganisaties voor het behalen van het bewijs van bevoegdheid als piloot als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening moeten voldoen aan de eisen van artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011.
2.Opleidingsorganisaties als bedoeld in lid 1, die erkend zijn overeenkomstig bijlage VII (deel‐ORA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of die vóór de datum van toepassing van deze verordening een verklaring hebben ingediend overeenkomstig bijlage VIII (deel‐DTO) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, passen hun opleidingsprogramma’s desgevallend uiterlijk op 8 april 2021 aan.
-
-
Bijlage I (deel‐DEF) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
-
Bijlage II (deel‐SAO) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
-
Bijlage III (deel‐SFCL) wordt toegevoegd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.