Home

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/358 van de Commissie van 4 maart 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wat betreft bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen (Voor de EER relevante tekst)

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/358 van de Commissie van 4 maart 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wat betreft bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen (Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad(1), en met name de artikelen 23, 27 en 31,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De Commissie dient de nodige uitvoeringsbepalingen vast te stellen teneinde de eisen voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen voor zweefvliegen te bepalen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139, voor zover die luchtvaartuigen voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), i) en ii), van die verordening.

  2. In het licht van de specifieke aard van de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor cockpitbemanning van zweefvliegtuigen, is er behoefte aan specifieke voorschriften en een afzonderlijke verordening inzake bevoegdheidsbewijzen voor zweefvliegen. Die eisen moeten gebaseerd zijn op de algemene regels voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid aan cockpitbemanning als vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie(2). Die eisen moeten echter worden geherstructureerd en vereenvoudigd om ervoor te zorgen dat zij evenredig zijn en op een risicogebaseerde aanpak berusten en tegelijk te waarborgen dat zweefvliegtuigpiloten bekwaam zijn en blijven om hun activiteiten uit te voeren en hun verantwoordelijkheden uit te oefenen. Voorts moeten de voorschriften voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen worden aangepast om rekening te houden met de overdracht van de regels inzake bewijzen van bevoegdheid van Verordening (EU) nr. 1178/2011 naar Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie(3).

  3. Overeenkomstig artikel 12, lid 2 bis, punt 3, van Verordening (EU) nr. 1178/2011 mogen de lidstaten tot en met 8 april 2020 nationale regels voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen blijven toepassen voor de toegang tot bepaalde basisbevoegdheden van piloten. Een aantal lidstaten hebben de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) meegedeeld dat het behoud van die nationale regels voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen, op grond waarvan leerling-piloten zonder toezicht beperkte bevoegdheden mogen uitoefenen en stapsgewijs basisbevoegdheden verwerven, als laagdrempelige en betaalbare toegang tot vliegen bevorderlijk is voor de luchtsport en activiteiten als recreatief piloot. De general aviation toegankelijker maken en promoten ligt in de lijn van de doelstellingen van het stappenplan van het EASA voor de general aviation, namelijk een meer evenredige, flexibele en proactieve regelgeving tot stand brengen(4). Om die redenen moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om de nationale regels voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen te handhaven overeenkomstig de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/430 van de Commissie(5) ingevoerde beginselen voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen (SPL). De lidstaten moeten de Commissie en het EASA echter op de hoogte brengen wanneer zij degelijke toestemmingen verlenen. Zij dienen ook toe te zien op het gebruik van die mogelijkheid teneinde een aanvaardbaar niveau van luchtvaartveiligheid te handhaven.

  4. Om een soepele overgang te waarborgen, moeten alle certificaten, toestemmingen en goedkeuringen die vóór de toepassingsdatum van Verordening (EU) nr. 1178/2011 en overeenkomstig die verordening aan piloten van zweefvliegtuigen zijn afgegeven, geldig blijven. Vóór de toepassingsdatum en overeenkomstig deze verordening afgegeven nationale bewijzen van bevoegdheid als zweefvlieger moeten worden omgezet in overeenkomstig deze verordening afgegeven bewijzen van bevoegdheid door middel van omzettingsverslagen die worden opgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in overleg met het EASA.

  5. Voor opleidingen tot zweefvlieger die overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 werden aangevat vóór de toepassingsdatum van deze verordening moet volledige vrijstelling worden verleend omdat zij aan identieke of zelfs ruimere opleidingseisen beantwoorden dan de eisen waarin deze verordening voorziet. Voor opleidingen die vóór de toepassingsdatum van deze verordening werden aangevat overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, moet vrijstelling worden verleend op basis van door de lidstaten opgestelde vrijstellingsverslagen.

  6. De bestaande opleidingsorganisaties moeten voldoende tijd krijgen om hun opleidingsprogramma’s desgevallend aan te passen in het kader van de vereenvoudigde opleidingseisen.

  7. De maatregelen waarin deze verordening voorziet, zijn gebaseerd op advies nr. 01/2019(6) van het EASA overeenkomstig artikel 75, lid 2, onder b) en c), en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139.

  8. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wordt als volgt gewijzigd:

  1. De titel wordt vervangen door:

    “Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels inzake vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor cockpitbemanning van zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad”.

  2. In artikel 1 wordt lid 1 vervangen door:

    “1.

    In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en voor de afgifte en het behoud van bewijzen van bevoegdheid als piloot en de bijbehorende bevoegdverklaringen, bevoegdheden en certificaten voor zweefvliegtuigen, voor luchtvaartuigen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), i) en ii), van Verordening (EU) 2018/1139.”.

  3. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de inleidende zin wordt vervangen door:

      “Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities en, tenzij in dit artikel anders is bepaald, de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1178/2011:”;

    2. punt 10 wordt vervangen door de volgende tekst:

      1. “dryleaseovereenkomst”: een overeenkomst tussen ondernemingen krachtens welke een zweefvliegtuig wordt geëxploiteerd onder verantwoordelijkheid van de huurder;”;

    3. de volgende punten 11 tot en met 13 worden toegevoegd:

      1. “nationaal bewijs van bevoegdheid”: een bewijs van bevoegdheid als piloot dat een lidstaat overeenkomstig de nationale wetgeving heeft afgegeven vóór de toepassingsdatum van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening of bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011;

      2. “deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid”: een bewijs van bevoegdheid voor cockpitbemanning dat voldoet aan de eisen van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening;

      3. “conversieverslag”: een verslag op basis waarvan een bewijs van bevoegdheid kan worden omgezet in een deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid;”.

  4. De volgende artikelen 3 bis tot en met 3 quinquies worden ingevoegd na artikel 3:

    1.

    Onverminderd Gedelegeerde Verordening (EU)(*) van de Commissie (*) dienen piloten van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening te voldoen aan de in bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening en in bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 vastgestelde technische voorschriften en administratieve procedures.

    2.

    Als uitzondering op de bevoegdheden van de houders van bewijzen van bevoegdheid als gedefinieerd in bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening, mogen houders van dergelijke bewijzen van bevoegdheid vluchten uitvoeren als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d), zonder te voldoen aan punt SFCL.115, onder a), punt 3, van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening.

    3.

    Een lidstaat mag toestaan dat leerling-piloten die een opleiding volgen voor het behalen van een bewijs van bevoegdheid voor zweefvliegen (SPL) maar die nog niet aan alle eisen voor de afgifte van een SPL overeenkomstig bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening voldoen, zonder toezicht beperkte bevoegdheden uitoefenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

    1. het toepassingsgebied van de verleende bevoegdheden is gebaseerd op een door de lidstaat uitgevoerde veiligheidsrisicobeoordeling, rekening houdend met de opleiding die nodig is om het beoogde bekwaamheidsniveau van de piloot te bereiken;

    2. de bevoegdheden blijven beperkt tot:

      1. het nationale grondgebied van de lidstaat die toestemming verleent, of een deel daarvan, en

      2. zweefvliegtuigen die geregistreerd zijn in de lidstaat die toestemming verleent;

    3. de houder van een toestemming die een aanvraag indient voor de afgifte van een SPL, krijgt op basis van een aanbeveling van een erkende opleidingsorganisatie (ATO) of een aangemelde opleidingsorganisatie (DTO) vrijstellingen voor de opleiding die hij heeft gevolgd;

    4. de lidstaat dient om de drie jaar verslagen en veiligheidsrisicobeoordelingen in bij de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA);

    5. de lidstaat houdt toezicht op het gebruik van de in het kader van deze alinea verleende toestemmingen, teneinde een aanvaardbaar niveau van luchtvaartveiligheid te garanderen en passende maatregelen te nemen als er een verhoogd veiligheidsrisico of veiligheidsproblemen wordt geconstateerd.

    1.

    Deel-FCL-bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten die vóór de toepassingsdatum van deze verordening door een lidstaat zijn verleend, worden geacht te zijn verleend overeenkomstig deze verordening. De lidstaten vervangen dergelijke bewijzen van bevoegdheid door bewijzen van bevoegdheid die voldoen aan het in bijlage VI (deel‐ARA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 vastgestelde formaat wanneer zij om administratieve redenen of op verzoek van een houder van een bewijs van bevoegdheid een bewijs van bevoegdheid hernieuwen.

    2.

    Een lidstaat die een bewijs van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten afgeeft overeenkomstig lid 1, dient:

    1. alle tot dusver in deel‐FCL-bewijzen van bevoegdheid opgenomen bevoegdheden over te dragen naar het nieuwe formaat van bevoegdheidsbewijs;

    2. bevoegdverklaringen voor kunstvliegen die zijn afgegeven overeenkomstig punt FCL.800 van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 om te zetten in bevoegdheden voor geavanceerd kunstvliegen overeenkomstig punt SFCL.200, onder c), van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening;

    3. de geldigheidstermijn van een certificaat van vlieginstructeur en het daaraan gekoppelde deel‐FCL-bewijs van bevoegdheid in het logboek van de piloot of een gelijkwaardig document te erkennen. Na die vervaldatum mogen piloten slechts bevoegdheden als instructeur uitoefenen als zij voldoen aan punt SFCL.360 van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening.

    3.

    Houders van nationale bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen die vóór de toepassingsdatum van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening door een lidstaat zijn afgegeven, mogen de bevoegdheden van hun bevoegdheidsbewijs blijven uitoefenen tot en met 8 april 2021. Uiterlijk op die datum zetten de lidstaten die bewijzen van bevoegdheid om in deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdverklaringen, bevoegdheden en certificaten overeenkomstig de elementen uit het omzettingsverslag die voldoen aan de eisen van artikel 4, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 1178/2011.

    4.

    Nationale medische certificaten van piloten die gekoppeld zijn aan een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in lid 2 van dit artikel en die door een lidstaat zijn afgegeven vóór de datum van toepassing van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening blijven geldig tot de datum van hun volgende verlenging of tot 8 april 2021, indien dit eerder is. De verlenging van dergelijke medische certificaten moet voldoen aan de eisen van bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

    1.

    Met betrekking tot de afgifte van deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten overeenkomstig bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening, wordt opleiding die vóór de toepassingsdatum van deze verordening is begonnen overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011 geacht te voldoen aan de eisen van deze verordening.

    2.

    Voor opleiding die is begonnen vóór de toepassingsdatum van deze verordening of van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, wordt met het oog op de afgifte van deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid vrijstelling verleend op basis van een door de lidstaat in overleg met het EASA opgesteld vrijstellingsverslag.

    3.

    In het in lid 2 genoemde verslag wordt de reikwijdte van de opleiding beschreven en wordt aangegeven voor welke eisen uit deel-SFCL vrijstelling wordt verleend en, indien van toepassing, aan welke eisen de kandidaat moet voldoen om een deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid te krijgen. Het verslag bevat kopieën van alle documenten die nodig zijn om de reikwijdte van de opleiding aan te tonen en kopieën van de nationale regels en procedures op basis waarvan de opleiding is aangevat.

    1.

    Opleidingsorganisaties voor het behalen van het bewijs van bevoegdheid als piloot als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening moeten voldoen aan de eisen van artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011.

    2.

    Opleidingsorganisaties als bedoeld in lid 1, die erkend zijn overeenkomstig bijlage VII (deel‐ORA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of die vóór de datum van toepassing van deze verordening een verklaring hebben ingediend overeenkomstig bijlage VIII (deel‐DTO) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, passen hun opleidingsprogramma’s desgevallend uiterlijk op 8 april 2021 aan.

  5. Bijlage I (deel‐DEF) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

  6. Bijlage II (deel‐SAO) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

  7. Bijlage III (deel‐SFCL) wordt toegevoegd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Ze is van toepassing met ingang van 8 april 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 maart 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula von der Leyen

BIJLAGE I

Bijlage I “Definities (deel‐DEF)” van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wordt als volgt gewijzigd:

  1. De inleidende zin wordt vervangen door:

    “Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities en, tenzij in deze bijlage anders is gedefinieerd, de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie en van punt FCL.010 van bijlage I (deel‐FCL) bij die verordening:”.

  2. Punt 13 wordt vervangen door:

    1. “Nacht”: de periode tussen het einde van de burgerlijke avondschemering en het begin van de burgerlijke ochtendschemering. De burgerlijke schemering eindigt ’s avonds wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat en begint ’s morgens wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat;”.

  3. De volgende punten 14 tot en met 19 worden toegevoegd:

    1. “Vaardigheidstest”: het aantonen van vaardigheden ten behoeve van de afgifte van een bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of de uitbreiding van een bevoegdheid, met inbegrip van de eventuele vereiste mondelinge examens;

    2. “Bekwaamheidsbeoordeling”: het aantonen van vaardigheden, kennis en houding ten behoeve van de eerste afgifte, hernieuwde afgifte of verlenging van een certificaat van instructeur of examinator;

    3. “Vliegtijd”:

      1. voor zelfstartende zweefvliegtuigen en touring motor gliders (TMG) is dit de totale tijd vanaf het moment waarop een vliegtuig zich voor het eerst in beweging zet om op te stijgen tot het moment waarop het aan het eind van de vlucht uiteindelijk tot stilstand komt;

      2. voor zweefvliegtuigen is dit de totale tijd vanaf het moment waarop het zweefvliegtuig de aanloop begint voor het opstijgen tot het moment waarop het aan het eind van de vlucht uiteindelijk tot stilstand komt;

    4. “Bekwaamheidsproef”: het aantonen van vaardigheden om te voldoen aan de eisen inzake recentheid zoals vastgesteld in deze verordening, met inbegrip van het eventueel vereiste mondelinge examen;

    5. “Solovlucht”: een vlucht gedurende welke een leerling-piloot de enige inzittende is van een luchtvaartuig;

    6. “Overlandvlucht”: een vlucht met behulp van standaardnavigatieprocedures buiten het zicht of de door bevoegde autoriteit gedefinieerde afstand van het vertrekgebied.”.

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IIIEISEN VOOR DE AFGIFTE VAN BEVOEGDHEIDSBEWIJZEN VOOR DE BEMANNING VAN ZWEEFVLIEGTUIGEN