Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens de vergadering van het Comité van ministers van de Raad van Europa in september 2025, houdt in dat de verlenging van de termijn voor de toetreding van Kazachstan tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld tot en met 23 april 2027 wordt gesteund.
Besluit (EU) 2025/1967 van de Raad van 16 september 2025 betreffende het namens de Europese Unie in het Comité van ministers van de Raad van Europa in te nemen standpunt over de verlenging van de termijn voor toetreding van Kazachstan tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement
Besluit (EU) 2025/1967 van de Raad van 16 september 2025 betreffende het namens de Europese Unie in het Comité van ministers van de Raad van Europa in te nemen standpunt over de verlenging van de termijn voor toetreding van Kazachstan tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 2, artikel 82, lid 2, en artikel 84, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “verdrag”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad(1) met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en bij Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad(2) met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement, en is voor de Unie op 1 oktober 2023 in werking getreden. Er zijn momenteel 39 partijen bij het verdrag, waaronder de Unie en 22 lidstaten.
Het Comité van ministers van de Raad van Europa (het “Comité van ministers”) is het besluitvormingsorgaan van de Raad van Europa. Elk van de 46 leden van Raad van Europa heeft recht op één vertegenwoordiger in het Comité van ministers en elke vertegenwoordiger heeft recht op één stem. Alle lidstaten zijn lid van de Raad van Europa en zijn dus vertegenwoordigd in het Comité van ministers.
Op grond van artikel 76, lid 1, van het verdrag kan het Comité van ministers, na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen bij het verdrag, een staat die geen lid is van de Raad van Europa uitnodigen toe te treden tot het verdrag. Een dergelijk besluit vereist een tweederdemeerderheid van het Comité van ministers en de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de partijen die recht hebben op een zetel in het Comité van ministers.
Op 22 april 2020 heeft het Comité van ministers besloten Kazachstan uit te nodigen tot het verdrag toe te treden. Op grond van dat besluit was de uitnodiging geldig voor een periode van vijf jaar vanaf de vaststelling ervan, dat wil zeggen tot en met 23 april 2025.
Bij brief van 3 april 2025 heeft Kazachstan verzocht om verlenging van de termijn voor de toetreding tot het verdrag met twee jaar, dat wil zeggen tot en met 23 april 2027, om zijn interne procedures te kunnen afronden.
Het Comité van ministers zal tijdens zijn vergadering in september 2025 naar verwachting een besluit vaststellen waarbij aan Kazachstan een verlenging met twee jaar van de termijn voor toetreding tot het verdrag wordt verleend.
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Comité van ministers moet worden ingenomen, ten aanzien van de verlenging van de termijn voor toetreding van Kazachstan tot het verdrag, aangezien die verlenging rechtsgevolgen kan hebben voor de Unie. Het gevolg van de verlenging houdt in dat de verstreken uitnodiging aan Kazachstan om toe te treden tot het verdrag wordt vernieuwd en kan derhalve inhouden dat er verdragsbetrekkingen tussen de Unie en Kazachstan in het kader van het verdrag tot stand worden gebracht. De gevolgen van de verlenging kunnen ook van invloed zijn op de wijze waarop besluiten worden genomen in het Comité van de Partijen bij het verdrag.
De toetreding van Kazachstan tot het verdrag zou gunstig zijn voor de Unie, aangezien daarmee de ambitieuze normen van het verdrag tot dat land zouden worden uitgebreid. De Unie zou zich derhalve op het standpunt moeten stellen dat Kazachstan de verlenging met twee jaar van de termijn voor de toetreding tot het verdrag moet krijgen, zodat Kazachstan zijn interne procedures kan afronden.
Aangezien de Unie geen lid is van de Raad van Europa, maar alle lidstaten dat wel zijn, dient het standpunt van de Unie tot uitdrukking worden gebracht door haar gezamenlijk optredende lidstaten.
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2
Het in artikel 1 genoemde standpunt wordt tot uitdrukking gebracht door de gezamenlijk optredende lidstaten die lid zijn van het Comité van ministers van de Raad van Europa.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 16 september 2025.
Voor de Raad
De voorzitter
M. Bjerre