Home

Richtlijn (EU) 2026/470 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2026 tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven (Voor de EER relevante tekst)

Richtlijn (EU) 2026/470 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2026 tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 50 en 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In haar mededeling van 11 februari 2025 met de titel “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging”, tekende de Commissie een visie uit voor een uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda die in de praktijk snelle en tastbare verbeteringen oplevert voor mensen en bedrijven. Dat vereist meer dan een incrementele benadering, en het is noodzakelijk dat de Unie voortvarend handelt om die doelstelling te behalen. De Commissie, het Europees Parlement, de Raad, de autoriteiten van de lidstaten op alle niveaus en de belanghebbenden moeten samenwerken om de regelgeving van de Unie, de lidstaten en de regio’s te stroomlijnen en te vereenvoudigen en het beleid doeltreffender uit te voeren.

(2) De Commissie heeft de vaste wil om de rapporteringsdruk terug te dringen en het concurrentievermogen te versterken. In dat verband is het noodzakelijk om de Richtlijnen 2006/43/EG(3), 2013/34/EU(4), (EU) 2022/2464(5) en (EU) 2024/1760(6) van het Europees Parlement en de Raad te wijzigen, zonder afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen die uiteengezet zijn in de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal” (de “Europese Green Deal”), en de mededeling van de Commissie van 8 maart 2018, getiteld “Actieplan: duurzame groei financieren” (het “actieplan duurzame financiering”).

(3) Gezien het gewijzigde toepassingsgebied wat betreft ondernemingen die onderworpen moeten worden aan vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, zou het onevenredig zijn om auditkantoren die de assurance van duurzaamheidsrapportering wensen uit te voeren, toelatingsvereisten op te leggen die gelijkwaardig zijn aan die voor auditkantoren die audits van financiële overzichten uitvoeren. Die toelatingsvereisten hebben betrekking op de natuurlijke personen die het werk verrichten namens het auditkantoor, de meerderheid van de stemrechten van het auditkantoor en de meerderheid van de leden van het bestuurs- of leidinggevende orgaan van het auditkantoor. Auditkantoren die de assurance van duurzaamheidsrapportering wensen uit te voeren, moeten er alleen voor zorgen dat zij ten minste één voornaamste duurzaamheidsvennoot aanwijzen die aan de vereisten met het oog op toelating voldoet en die in de betrokken lidstaat is toegelaten als wettelijke auditor.

(4) Artikel 26 bis, lid 1, van Richtlijn 2006/43/EG schrijft voor dat lidstaten erop toezien dat wettelijke auditors en auditkantoren de assurance van duurzaamheidsrapportering uitvoeren met inachtneming van de beperkte-assurancestandaarden die door de Commissie tegen 1 oktober 2026 zouden worden vastgesteld. Ondernemingen hebben zich bezorgd getoond over de werkzaamheden van assuranceverleners en hebben aangegeven dat er behoefte was aan flexibiliteit bij het omgaan met specifieke risico’s en kritieke thema’s die in het domein van duurzaamheidsassurance worden geconstateerd. De Commissie moet rekening houden met die zorgen bij het werk aan de beperkte-assurancestandaarden. Het ontbreken van geharmoniseerde assurancestandaarden is een van de oorzaken van de problemen waarmee ondernemingen worden geconfronteerd, en het is daarom van belang dat de Commissie een passende gedelegeerde handeling vaststelt. Om voldoende tijd te bieden voor de ontwikkeling van de beperkte-assurancestandaarden, moet de uiterste datum voor de vaststelling ervan worden uitgesteld tot 1 juli 2027.

(5) Artikel 26 bis, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2006/43/EG machtigt de Commissie om tegen 1 oktober 2028 standaarden voor een redelijke mate van zekerheid vast te stellen, na een beoordeling van de haalbaarheid voor auditors en voor ondernemingen. Om te vermijden dat de assurancekosten voor ondernemingen stijgen, moet het vereiste worden geschrapt dat standaarden voor een redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld.

(6) Op grond van artikel 45 van Richtlijn 2006/43/EG moeten de bevoegde autoriteiten van een lidstaat overgaan tot registerinschrijving van auditors en auditorganisaties van een derde land die assuranceverklaringen afgeven over de duurzaamheidsinformatie van entiteiten uit derde landen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in die lidstaat. De voorwaarden voor die registratie betreffen de vereisten waaraan de meerderheid van de leden van het bestuurs- of leidinggevende orgaan van de auditorganisatie van een derde land moet voldoen, de vereisten waaraan de auditor van een derde land moet voldoen, de toe te passen assurancestandaarden en de publicatie van een jaarlijks transparantieverslag door de auditorganisatie van een derde land. Daarnaast moeten de lidstaten de in het register ingeschreven auditors en auditorganisaties van een derde land onderwerpen aan hun stelsels van publiek toezicht, hun kwaliteitsborgingsstelsels en hun onderzoeks- en sanctieregelingen. Rekening houdend met het huidige internationale landschap op het gebied van regelgeving inzake duurzaamheidsrapportering en de assurance daarvan, en aangezien registratie noodzakelijk is voor de geldigheid van de assuranceverklaringen binnen de Unie, zou het onevenredig zijn om te eisen dat in de eerste jaren van toepassing van de regeling inzake duurzaamheidsassurance aan die registratievoorwaarden wordt voldaan. Bovendien is het toezicht op geregistreerde auditors en auditorganisaties van een derde land afhankelijk van het bestaan van gelijkwaardigheids- of adequaatheidsbesluiten. Daarom moeten gedurende een overgangsperiode vereenvoudigde registratievoorwaarden en een vrijstelling van toezicht worden ingevoerd voor auditors en auditorganisaties van een derde land die assuranceverklaringen afgeven over de duurzaamheidsinformatie van entiteiten van een derde land waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat zijn toegelaten. De vereenvoudigde registratie moet mogelijk zijn op voorwaarde dat bepaalde informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat wordt verstrekt. De bevoegde autoriteiten moeten de registratie weigeren indien die informatie niet wordt verstrekt.

(7) Artikel 19 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, met uitzondering van micro-ondernemingen, waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, op individueel niveau duurzaamheidsrapportering opstellen en publiceren. In het rapport getiteld “De toekomst van het Europese concurrentievermogen” werd het kader voor duurzaamheidsrapportering aangemerkt als “een belangrijke bron van regeldruk”, en werd er in dat verband geconcludeerd dat “beter rekening moet worden gehouden met de omvang van de ondernemingen waar de regelgeving betrekking op heeft”. Om de rapporteringsdruk voor ondernemingen te verminderen en de rapporteringsdoelstellingen op een meer evenredige manier te verwezenlijken, moet de verplichting om duurzaamheidsrapportering op individueel niveau op te stellen en te publiceren, worden beperkt tot ondernemingen met een netto-omzet van meer dan 450 000 000 EUR en een gemiddelde van meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar, zoals gedefinieerd in de nationale maatregelen tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU. Dat gerichtere toepassingsgebied, dat ook moet gelden voor groepen en uitgevende instellingen, zal ervoor zorgen dat de lasten van verplichte duurzaamheidsrapportering beperkt blijven tot de grootste ondernemingen, groepen en uitgevende instellingen. Dergelijke ondernemingen, groepen en uitgevende instellingen zijn verantwoordelijk voor de grootste ecologische, sociale en governance-effecten (ESG-effecten). Tegelijkertijd zijn zij het meest in staat om de kosten die verband houden met ESG-rapportering op te vangen. Ondernemingen, groepen en uitgevende instellingen onder de gespecificeerde drempels mogen nog steeds vrijwillig duurzaamheidsrapportering uitvoeren; deze mogelijkheid wordt aanzienlijk vergemakkelijkt door de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik die bij deze richtlijn worden ingevoerd.

(8) Artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU specificeert dat verzekeringsondernemingen en kredietinstellingen die grote ondernemingen zijn of kleine en middelgrote ondernemingen, met uitzondering van micro-ondernemingen, waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, onderworpen zijn aan de in die richtlijn bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, ongeacht hun rechtsvorm. Aangezien deze richtlijn het toepassingsbereik van individuele duurzaamheidsrapportering beperkt, moet een dergelijke beperking van het toepassingsbereik ook gelden voor verzekeringsondernemingen en kredietinstellingen.

(9) Met het oog op het waarborgen van samenhang tussen de wetgeving inzake duurzame financiering is het belangrijk te overwegen of vereisten met betrekking tot ESG of duurzaamheid voor de financiële sector, met inbegrip van sectorspecifieke wetgeving inzake financiële diensten, de verwachtingen van Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA’s) en de verwachtingen van toezichthouders op nationaal niveau zodanig moeten worden geformuleerd of aangepast dat zij in overeenstemming zijn met de verplichtingen voor duurzaamheidsrapportering die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/34/EU. Het handhaven van consistentie, ook met betrekking tot ondernemingen die niet onder het toepassingsgebied van de artikelen 19 bis en 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU vallen, zal zorgvuldige aandacht en mogelijk actie van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de ETA’s vereisen.

(10) Hoewel de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (European Financial Stability Facility — EFSF) die is ingesteld bij de EFSF-Kaderovereenkomst, op grond van artikel 8 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad(7) is vrijgesteld van de bij die richtlijn vastgestelde regeling inzake duurzaamheidsrapportering, is de EFSF onderworpen aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering van Richtlijn 2013/34/EU. Ook al is de EFSF een grote onderneming met een in die richtlijn vermelde rechtsvorm, toch heeft zij een mandaat dat grotendeels vergelijkbaar is met het mandaat van het Europees stabiliteitsmechanisme (European Stability Mechanism — ESM), namelijk het waarborgen van de financiële stabiliteit binnen de Unie door tijdelijke financiële bijstand te verlenen aan lidstaten met de euro als valuta. Het ESM is echter niet onderworpen aan vereisten inzake duurzaamheidsrapportering. Opdat de EFSF dezelfde behandeling ten aanzien van duurzaamheidsrapportering zou krijgen als het ESM, en ter wille van de consistentie met de uitzonderingsregeling uit Richtlijn 2004/109/EG, moet de EFSF daarom worden vrijgesteld van de in Richtlijn 2013/34/EU bepaalde regeling inzake duurzaamheidsrapportering.

(11) Op grond van artikel 19, lid 1, vierde alinea, van Richtlijn 2013/34/EU moeten grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, met uitzondering van micro-ondernemingen, waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, namelijk ondernemingen die onderworpen zijn aan een verplichte duurzaamheidsrapportering, rapporteren over de essentiële immateriële middelen en hun rol in het bedrijfsmodel en de waardecreatie van de onderneming. Om te zorgen voor consistentie met het nieuwe toepassingsgebied en om de doelstellingen van die rapportering op een meer evenredige manier te verwezenlijken, moet dat vereiste alleen gelden voor ondernemingen met een netto-omzet van meer dan 450 000 000 EUR en gemiddeld meer dan 1 000 werknemers over het boekjaar.

(12) Artikel 19 bis, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat ondernemingen informatie rapporteren over hun eigen activiteiten en over hun waardeketen. Er zijn aanwijzingen dat ondernemingen in de waardeketen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, onevenredige verzoeken om informatie ontvangen van rapporterende ondernemingen, niettegenstaande de bestaande beperkingen die zijn vastgelegd in die richtlijn. Het is daarom noodzakelijk om beschermingsmaatregelen in te voeren voor ondernemingen in de waardeketen die het gemiddelde aantal van 1 000 werknemers over het voorgaande boekjaar niet overschrijden, om de lasten voor die ondernemingen (de “beschermde ondernemingen”) te beperken. Rapporterende ondernemingen moeten zich kunnen baseren op een eigen verklaring van ondernemingen in hun waardeketen om de omvang van die ondernemingen te bepalen. Verdere verificatie door de rapporterende onderneming is niet nodig. Rapporterende ondernemingen mogen zich echter niet baseren op een zelf opgegeven omvang waarvan zij weten of redelijkerwijs geacht kunnen worden te weten dat deze kennelijk onjuist is. Wanneer rapporterende ondernemingen informatie over hun waardeketen trachten te verkrijgen, moet het hun worden verboden van beschermde ondernemingen informatie te verlangen die bepaalde grenzen overschrijdt. Die grenzen moeten overeenstemmen met de grenzen die zijn vastgelegd in de door de Commissie vast te stellen duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik. Tegelijkertijd moeten beschermde ondernemingen in de waardeketen van de rapporterende ondernemingen een wettelijk recht krijgen om het verstrekken van informatie die die grenzen overschrijdt te weigeren. Om de doeltreffendheid van dat recht te waarborgen en kleinere ondernemingen te vrijwaren van de last om proactief te beoordelen of dat recht van toepassing is, moet van rapporterende ondernemingen die ervoor kiezen informatie op te vragen die die grenzen overschrijdt, worden verlangd dat zij ervoor zorgen dat de beschermde ondernemingen worden geïnformeerd over de gevraagde aanvullende informatie en over hun wettelijke recht om het verstrekken van die informatie te weigeren. Om evenredigheid te waarborgen, moet de reikwijdte van dit “waardeketenplafond” op de volgende manieren worden beperkt. Ten eerste mag het niet verboden worden om informatie op vrijwillige basis te delen, bijvoorbeeld informatie die gewoonlijk wordt gedeeld tussen ondernemingen in een bepaalde sector. Ten tweede mag geen afbreuk gedaan worden aan een eventuele verplichting, hetzij contractueel bepaald, hetzij uit hoofde van Unierecht of nationaal recht, om informatie te verstrekken die niet verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden. Ten derde mag het waardeketenplafond alleen van toepassing zijn op het verzamelen van informatie ten behoeve van de rapportering van duurzaamheidsinformatie zoals voorgeschreven door Richtlijn 2013/34/EU. Het mag geen afbreuk doen aan de vereisten van de Unie om een procedure inzake passende zorgvuldigheid toe te passen of informatie te verzamelen voor andere doeleinden, zoals voor het risicobeheer van de rapporterende onderneming. Ondernemingen die overeenkomstig die beperkingen rapporteren, moeten worden geacht te voldoen aan hun verplichtingen om informatie over de waardeketen te rapporteren, zoals voorgeschreven door Richtlijn 2013/34/EU. Het is belangrijk dat rapporterende ondernemingen alleen voor zover dat nodig is informatie opvragen bij ondernemingen in hun waardeketen. Het is met name belangrijk dat zij minder informatie opvragen dan die welke in de standaarden voor vrijwillig gebruik is gespecificeerd, indien zij niet alle informatie in die standaarden nodig hebben. Assuranceverleners moeten hun assuranceverklaring opstellen met inachtneming van de bescherming die wordt geboden aan ondernemingen in de waardeketen. Verder moet de rapporterende onderneming, aangezien mogelijk niet alle vereiste informatie altijd beschikbaar is bij ondernemingen in de waardeketen, aan de rapporteringsvereisten voor informatie over de waardeketen kunnen voldoen door gebruik te maken van informatie die zij rechtstreeks heeft verkregen van ondernemingen in haar waardeketen of, in voorkomend geval, van schattingen van die informatie.

(13) Gezien de wijziging van de reeks toepassingsdatums die is vastgesteld in Richtlijn (EU) 2022/2464, moet Richtlijn 2013/34/EU worden gewijzigd om de overgangsperiode van drie jaar te vereenvoudigen en om te verduidelijken dat deze ingaat op het moment waarop een onderneming verplicht wordt duurzaamheidsinformatie te rapporteren overeenkomstig de Richtlijnen 2013/34/EU en (EU) 2022/2464.

(14) Er zijn omstandigheden waarin ondernemingen, onder voorbehoud van assurance, bij de toepassing van vereisten inzake duurzaamheidsrapportering bepaalde informatie moeten kunnen weglaten. Die omstandigheden moeten nader worden uitgewerkt en verduidelijkt. Ten eerste kan de openbaarmaking van duurzaamheidsinformatie in bepaalde gevallen de commerciële positie van een onderneming ernstig schaden. In dergelijke gevallen moet het de onderneming worden toegestaan die informatie weg te laten, mits aan specifieke voorwaarden voor de weglating is voldaan zodat dergelijke gevallen uitzonderlijk blijven en ook de belangen van de gebruikers van gerapporteerde duurzaamheidsinformatie adequaat worden beschermd. In dat verband wordt de commerciële positie van de rapporterende onderneming niet ernstig aangetast door het feit dat ondernemingen uit derde landen niet verplicht zijn dezelfde informatie te rapporteren. Ten tweede moeten ondernemingen bepaalde informatie kunnen weglaten die betrekking heeft op intellectueel kapitaal, intellectuele eigendom, knowhow, technologische informatie of de resultaten van innovatie die zouden worden aangemerkt als bedrijfsgeheim zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad(8). Ten derde moeten ondernemingen gerubriceerde informatie kunnen weglaten. Ten slotte zou er informatie kunnen zijn die vertrouwelijk moet worden gehouden om redenen die geen verband houden met commerciële schade, bedrijfsgeheimen of rubricering. Ondernemingen moeten met name vrij zijn om informatie die op grond van andere rechtshandelingen van de Unie of nationaal recht moet worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang of openbaarmaking, achterwege te laten. Bovendien mogen de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering ondernemingen niet verplichten informatie openbaar te maken die schadelijk zou zijn voor de privacy van natuurlijke personen of voor de veiligheid van natuurlijke of rechtspersonen. Zeker in de huidige geopolitieke context is dat erg belangrijk. Met name defensieondernemingen moeten gevoelige informatie waarvan de openbaarmaking schadelijk zou kunnen zijn voor hun eigen veiligheid of voor die van andere rechtspersonen, waaronder lidstaten, achterwege kunnen laten.

(15) Artikel 29 quater, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU machtigt de Commissie om beperkte duurzaamheidsrapporteringsstandaarden vast te stellen die specificeren welke informatie moet worden gerapporteerd door kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, kleine en niet-complexe instellingen, verzekeringscaptives en herverzekeringscaptives die een beroep doen op de in artikel 19 bis, lid 6, van die richtlijn bedoelde afwijking om een beperkte duurzaamheidsrapportering te verstrekken. Aangezien deze richtlijn kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, uitsluit van de regeling inzake duurzaamheidsrapportering, moet de machtiging voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen met duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor die kleine en middelgrote ondernemingen worden geschrapt. Verwijzingen naar artikel 29 quater van Richtlijn 2013/34/EU moeten dienovereenkomstig uit die richtlijn worden geschrapt.

(16) Artikel 19 bis, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU biedt kleine en middelgrote ondernemingen, met uitzondering van micro-ondernemingen, waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, de mogelijkheid van een opt-out uit de regeling inzake duurzaamheidsrapportering voor de eerste twee jaar dat die regeling van toepassing is. Aangezien deze richtlijn kleine en middelgrote ondernemingen uitsluit van de regeling inzake duurzaamheidsrapportering, moet de bepaling die een opt-out voor twee jaar toestaat, worden geschrapt.

(17) Artikel 29 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat moederondernemingen van groepen van een bepaalde omvang duurzaamheidsrapportering op geconsolideerd niveau moeten opstellen en publiceren. Het is evenwel passend meer flexibiliteit te bieden in het geval van participatieondernemingen. Met name wanneer een groep van die omvang uitsluitend bestaat vanwege de diverse investeringen van een participatieonderneming, zou geconsolideerde rapportering praktische moeilijkheden en lasten met zich kunnen meebrengen en slechts van beperkt nut kunnen zijn voor andere marktdeelnemers. Bijgevolg moeten participatieondernemingen die moederondernemingen van dergelijke groepen zijn, de mogelijkheid hebben om te kiezen of zij geconsolideerde duurzaamheidsinformatie rapporteren dan wel die informatie achterwege laten. Die mogelijkheid moet, gezien het doel dat ermee wordt beoogd, strikt worden beperkt. Er mag alleen gebruik van worden gemaakt wanneer de moederonderneming voldoet aan de definitie van participatieonderneming, met inbegrip van het vereiste om zich niet direct of indirect te mengen in het bestuur van de dochterondernemingen, onverminderd haar rechten als een aandeelhouder. Die rechten omvatten het recht om te stemmen tijdens algemene aandeelhoudersvergaderingen, wat, afhankelijk van de nationale vennootschapsrechtelijke regels, onder meer betrekking zou kunnen hebben op de benoeming van leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, teneinde een passend toezicht op en een passende bescherming van die investeringen te waarborgen. Daarnaast mag die mogelijkheid voor participatieondernemingen alleen gelden wanneer zij deelnemingen aanhouden in ondernemingen waarvan de bedrijfsmodellen en activiteiten onafhankelijk van elkaar zijn. Dit sluit gevallen uit waarin de dochterondernemingen van een participatieonderneming nauw met elkaar verbonden zijn door hun bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld wanneer de activiteiten van een dochteronderneming de activiteiten van een andere dochteronderneming mogelijk maken of rechtstreeks ondersteunen. Tot slot mag die mogelijkheid geen afbreuk doen aan eventuele rapporteringsverplichtingen die van toepassing zouden kunnen zijn op andere ondernemingen in de groep, bijvoorbeeld wanneer een onderneming in de groep als zodanig onder het toepassingsgebied van artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU valt.

(18) Richtlijn (EU) 2022/2464 schrijft voor dat bepaalde ondernemingen duurzaamheidsinformatie moeten rapporteren overeenkomstig de verplichte Europese duurzaamheidsrapporteringsstandaarden (European Sustainability Reporting Standards — ESRS). In juli 2023 heeft de Commissie de eerste reeks ESRS goedgekeurd. Om snel werk te maken van de vereenvoudiging en stroomlijning van duurzaamheidsrapportering zal de Commissie, binnen zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn, een gedelegeerde handeling vaststellen ter herziening van de eerste reeks ESRS met het oog op een ingrijpende hervorming van de ESRS door: i) de datapunten te schrappen die het minst belangrijk worden geacht voor de algemene doelstelling van duurzaamheidsrapportering; ii) waar mogelijk prioriteit te geven aan kwantitatieve datapunten boven beschrijvende tekst; iii) een verder onderscheid te maken tussen verplichte en vrijwillige datapunten; iv) duidelijke instructies te geven over de wijze waarop het materialiteitsbeginsel moet worden toegepast, zodat ondernemingen alleen informatie van materieel belang moeten rapporteren en het risico wordt verminderd dat verleners van assurancediensten ondernemingen onbedoeld ertoe aanzetten om informatie te rapporteren die niet noodzakelijk is, of om buitensporige middelen in te zetten voor de materialiteitsbeoordeling; v) de consistentie met andere onderdelen van de Uniewetgeving, waaronder wetgeving inzake financiële diensten, te verbeteren, en vi) zo veel mogelijk rekening te houden met interoperabiliteit met mondiale duurzaamheidsrapporteringsstandaarden. Door de herziening zullen bepalingen worden verhelderd die onduidelijk worden gevonden, en zal de structuur en presentatie van de standaarden worden vereenvoudigd. Ook zullen door de herziening andere wijzigingen worden aangebracht die noodzakelijk zouden kunnen blijken in het licht van de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de eerste reeks ESRS. Bij de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden moet ook rekening worden gehouden met de moeilijkheden die ondernemingen zouden kunnen ondervinden bij het verzamelen van informatie van actoren in hun hele waardeketen, met name van actoren die niet onderworpen zijn aan de vastgelegde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en van leveranciers in opkomende markten en economieën.

(19) Wanneer de samenstelling van een groep gedurende het boekjaar verandert als gevolg van de overname of fusie van ondernemingen, zou de integratie van die ondernemingen in het duurzaamheidsrapporteringsproces voor dat boekjaar extra tijd vergen en administratieve uitdagingen met zich kunnen meebrengen. Het is daarom passend om de moederonderneming die aan geconsolideerde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering onderworpen is, in staat te stellen de duurzaamheidsrapportering voor dergelijke nieuw overgenomen of gefuseerde ondernemingen uit te stellen tot het daaropvolgende boekjaar. Wanneer een onderneming gedurende het boekjaar een groep ondernemingen verlaat, zou het bovendien onevenredig zijn om van de moederonderneming die aan geconsolideerde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering onderworpen is, te verlangen duurzaamheidsinformatie over die onderneming te verstrekken voor dat boekjaar. Het is daarom passend om de moederonderneming toe te staan de duurzaamheidsinformatie over de onderneming die de groep heeft verlaten niet op te nemen in het geconsolideerde bestuursverslag voor dat boekjaar. Aangezien bepaalde gebeurtenissen die de ondernemingen betreffen die zijn overgenomen of gefuseerd of die de groep ondernemingen hebben verlaten, niettemin gevolgen kunnen hebben voor de effecten van de groep op, of de risico’s of opportuniteiten van de groep in verband met, duurzaamheidskwesties, is het passend om van de moederonderneming die ervoor kiest geen duurzaamheidsinformatie over die ondernemingen voor een boekjaar te verstrekken, te verlangen dat zij die belangrijke gebeurtenissen vermeldt in haar geconsolideerde bestuursverslag.

(20) Artikel 29 ter, lid 1, derde alinea, van Richtlijn 2013/34/EU machtigt de Commissie om door middel van gedelegeerde handelingen sectorspecifieke rapporteringsstandaarden vast te stellen, waarbij de eerste reeks van die standaarden uiterlijk op 30 juni 2026 zou worden vastgesteld. Om te vermijden dat het aantal voorgeschreven datapunten dat ondernemingen moeten rapporteren toeneemt, moet die machtiging worden geschrapt. Afhankelijk van de vraag van ondernemingen die onderworpen zijn aan de in Richtlijn 2013/34/EU vastgestelde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, kan de Commissie ondernemingen ondersteunen door sectorspecifieke richtsnoeren te verstrekken die de toepassing van de ESRS binnen een bepaalde sector illustreren en vergemakkelijken, met inbegrip van richtsnoeren voor de uitvoering van de dubbele materialiteitsbeoordeling, die erop gericht is duurzaamheidskwesties in kaart te brengen die waarschijnlijk van materieel belang zijn voor een gemiddelde onderneming die in die bepaalde sector actief is. Dergelijke richtsnoeren moeten gebaseerd zijn op overleg met de relevante belanghebbenden. In voorkomend geval zou rekening kunnen worden gehouden met relevante internationale standaarden.

(21) Artikel 29 ter, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat duurzaamheidsrapporteringsstandaarden geen informatieverschaffing mogen specificeren waarvoor ondernemingen van kleine en middelgrote ondernemingen in hun waardeketen informatie zouden moeten verkrijgen die verder gaat dan de informatie die openbaar moet worden gemaakt op grond van de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten. Aangezien deze richtlijn kleine en middelgrote ondernemingen uitsluit waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, moeten worden uitgesloten van de regeling inzake duurzaamheidsrapportering, en om de rapporteringsdruk te verminderen voor ondernemingen in de waardeketen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren, mogen de standaarden inzake duurzaamheidsrapportering geen informatieverschaffing specificeren die ondernemingen zou verplichten om van ondernemingen in hun waardeketen die over het boekjaar gemiddeld tot 1 000 werknemers hebben, informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie die openbaar moet worden gemaakt op grond van de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik door ondernemingen die niet over hun duurzaamheid hoeven te rapporteren.

(22) De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om een gedelegeerde handeling vast te stellen die voorziet in duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik door beschermde ondernemingen. Die standaarden moeten evenredig zijn aan alsook aansluiten bij de capaciteiten en kenmerken van die ondernemingen, en evenredig zijn aan de omvang en complexiteit van hun activiteiten. Andere ondernemingen die niet verplicht zijn duurzaamheidsinformatie te rapporteren, moeten er ook voor kunnen kiezen om gebruik te maken van die standaarden. De duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik moeten in vereenvoudigde taal zijn opgesteld en rekening houden met het “denk eerst klein”-beginsel, waarbij modulariteit wordt toegepast om flexibiliteit en progressie bij openbaarmakingen mogelijk maken. De duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik moeten zoveel mogelijk rekening houden met Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad(9). In die standaarden moet ook, voor zover mogelijk, de structuur worden gespecificeerd die voor het weergeven van die informatie moet worden gebruikt. Totdat de Commissie duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik vaststelt, staat het ondernemingen die vrijwillig duurzaamheidsinformatie rapporteren vrij om dit doen overeenkomstig Aanbeveling (EU) 2025/1710 van de Commissie(10), die is gebaseerd op de door Efrag ontwikkelde vrijwillige standaard voor kleine en middelgrote ondernemingen (Voluntary Sustainability Reporting Standard for SMEs — VSME). Met het oog op continuïteit en evenredigheid moeten de door de Commissie bij een gedelegeerde handeling vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik worden gebaseerd op die aanbeveling.

(23) Om te waarborgen dat de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik afgestemd blijven op relevante ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheidsrapportering, moet de Commissie die standaarden ten minste om de vier jaar evalueren. Bij die evaluatie moet de Commissie terdege rekening houden met ontwikkelingen die relevant zijn voor duurzaamheidsrapportering, alsook met de vraag of de standaarden ondernemingen in staat stellen de desbetreffende doelstellingen te verwezenlijken, waaronder: i) het verstrekken van informatie die voldoet aan de gegevensbehoeften van ondernemingen die bij hun leveranciers duurzaamheidsinformatie opvragen; ii) het verstrekken van informatie die voldoet aan de gegevensbehoeften van financiële instellingen en beleggers, waardoor ondernemingen gemakkelijker toegang krijgen tot financiering; iii) het verbeteren van het beheer van duurzaamheidskwesties, met inbegrip van, naargelang het geval, milieu- en sociale aspecten zoals verontreiniging en de gezondheid en veiligheid van de werknemers, op een wijze die het concurrentievermogen en de veerkracht van ondernemingen versterkt, en iv) het bijdragen tot een duurzamere en inclusievere economie. Indien die doelstellingen niet verwezenlijkt zijn, moet de Commissie de standaarden dienovereenkomstig wijzigen.

(24) Artikel 29 quinquies van Richtlijn 2013/34/EU schrijft voor dat ondernemingen die moeten voldoen aan de vereisten van artikel 19 bis en 29 bis van die richtlijn, hun bestuursverslag, of, in voorkomend geval, geconsolideerde bestuursverslag, opstellen in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie(11) gespecificeerde uniforme elektronische verslagleggingsformaat en hun duurzaamheidsrapportering van markup (tagging) voorzien, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad(12) bedoelde informatieverschaffing, overeenkomstig het in die gedelegeerde verordening gespecificeerde elektronische verslagleggingsformaat. Om ondernemingen duidelijkheid te verschaffen, moet worden gespecificeerd dat, in afwachting dat markupregels voor duurzaamheidsrapportering worden vastgesteld door middel van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie, ondernemingen niet verplicht mogen worden hun duurzaamheidsrapportering van markup te voorzien.

(25) Artikel 33, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU specificeert dat de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming collectief de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat bepaalde documenten worden opgesteld en gepubliceerd overeenkomstig de vereisten van die richtlijn. Om ondernemingen flexibiliteit te bieden en hun rapporteringsdruk te verminderen, moeten lidstaten erin kunnen voorzien dat de collectieve verantwoordelijkheid van de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming voor de inachtneming van de vereisten van die richtlijn wat betreft de digitalisering van het bestuursverslag beperkt blijft tot de publicatie ervan in het uniforme elektronische verslagleggingsformaat, met inbegrip van de markup van de daarin vervatte duurzaamheidsrapportering.

(26) Op grond van artikel 40 bis, lid 1, vierde en vijfde alinea, van Richtlijn 2013/34/EU moeten bepaalde dochterondernemingen in de Unie van een onderneming uit een derde land die in de Unie een netto-omzet van meer dan 150 000 000 EUR genereert, of, bij gebreke van dit soort dochterondernemingen, bijkantoren in de Unie van een onderneming uit een derde land die een netto-omzet van meer dan 40 000 000 EUR genereren, op het groepsniveau of, indien niet van toepassing, op het individuele niveau van de onderneming uit het derde land duurzaamheidsinformatie publiceren en toegankelijk maken. Om de lasten voor ondernemingen uit derde landen in dezelfde mate te verlichten als de lasten voor ondernemingen die onder de artikelen 19 bis en 29 bis van die richtlijn vallen, moet de netto-omzetdrempel voor de onderneming uit een derde land worden opgetrokken van 150 000 000 EUR tot 450 000 000 EUR. Daarnaast moet, ter wille van de vermindering van de lasten, de grootte van een dochteronderneming uit een derde land en een bijkantoor van een onderneming uit een derde land die dient om te bepalen of die dochterondernemingen en bijkantoren onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/34/EU vallen wat betreft duurzaamheidsrapportering, ook worden bijgesteld. De netto-omzetdrempel voor de dochteronderneming uit een derde land en het bijkantoor van een onderneming uit een derde land moet worden vastgesteld op 200 000 000 EUR. De rapporteringsvereisten voor de dochteronderneming van of het bijkantoor van de onderneming uit een derde land uit hoofde van artikel 40 bis verschillen van de rapporteringsvereisten voor ondernemingen uit hoofde van de artikelen 19 bis en 29 bis. De dochteronderneming van of het bijkantoor van de onderneming uit een derde land die of dat onder artikel 40 bis valt, is alleen verplicht het door de onderneming uit een derde land verstrekte duurzaamheidsverslag te publiceren en beschikbaar te stellen, terwijl ondernemingen die onder de artikelen 19 bis en 29 bis vallen, voor zichzelf moeten rapporteren. Het is daarom niet nodig om dezelfde drempels toe te passen bij het bepalen welke dochterondernemingen of bijkantoren onderworpen zijn aan de rapporteringsvereisten uit hoofde van artikel 40 bis en welke ondernemingen onderworpen zijn aan de rapporteringsvereisten uit hoofde van de artikelen 19 bis en 29 bis. Voorts moet het, om een gelijk speelveld te waarborgen, moederondernemingen uit derde landen die participatieondernemingen zijn met dochterondernemingen waarvan de bedrijfsmodellen en activiteiten onafhankelijk zijn van elkaar, worden toegestaan geen duurzaamheidsverslag overeenkomstig artikel 40 bis te publiceren en toegankelijk te maken.

(27) Om ervoor te zorgen dat ondernemingen toegang hebben tot praktische informatie over de toepassing van verplichte en vrijwillige duurzaamheidsrapporteringsstandaarden zoals vastgesteld in Richtlijn 2013/34/EU, en om de lasten van de toepassing van die duurzaamheidsrapporteringsstandaarden te verlichten, moet de Commissie voorzien in een specifiek onlineportaal. Het specifieke onlineportaal moet toegang bieden tot informatie, richtsnoeren en ondersteuning, met inbegrip van relevante modellen, met betrekking tot duurzaamheidsrapporteringsstandaarden. Het specifieke onlineportaal moet worden gekoppeld aan de eventueel door de lidstaten aangeboden online steunmaatregelen, zodat rekening kan worden gehouden met de nationale context.

(28) Om de administratieve lasten te verminderen die voortvloeien uit het voldoen aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering die voornamelijk verband houden met het verzamelen, verwerken en delen van gegevens tussen ondernemingen, moet de Commissie een verslag indienen met voorstellen voor initiatieven die ondernemingen in staat stellen gegevens op een veilige, naadloze en geautomatiseerde manier te verzamelen, te verwerken en uit te wisselen. Dat moet onder meer inhouden: dat geharmoniseerde, gestandaardiseerde en gestructureerde digitale gegevensformaten worden versterkt voor het efficiënt delen van activiteitsgegevens tussen bedrijven, zoals elektronische facturen of digitale VSME-verslagen; dat technische minimumvereisten worden vastgesteld voor digitale systemen die worden gebruikt voor het beheer en de rapportering van duurzaamheidsgegevens om de interoperabiliteit te waarborgen; dat wordt gezorgd voor toegang tot betrouwbare en gekwalificeerde gegevens, en dat de mogelijkheid wordt gewaarborgd om gegevens te delen via een open en gemeenschappelijke infrastructuur van de Unie voor gegevensuitwisseling.

(29) Om de netto-omzetdrempels voor ondernemingen die aan vereisten inzake duurzaamheidsrapportering moeten voldoen, aan te passen, vanwege het feit dat de inflatie na verloop van tijd hun reële waarde zal uithollen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(13). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(30) In artikel 5, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2022/2464 wordt gespecificeerd vanaf welke datums de lidstaten de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering van Richtlijn 2013/34/EU moeten toepassen, waarbij die datums verschillen naargelang de grootte van de betrokken onderneming. Aangezien alleen ondernemingen met een netto-omzet van meer dan 450 000 000 EUR en gemiddeld meer dan 1 000 werknemers gedurende het boekjaar, waar passend op groepsniveau, onderworpen moeten zijn aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, moeten de criteria voor het bepalen van de toepassingsdatums worden bijgesteld, en moet de vermelding van kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, worden geschrapt.

(31) Het is belangrijk te zorgen voor rechtszekerheid met betrekking tot de beperking van het toepassingsgebied wat ondernemingen betreft die onderworpen zijn aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, vooral wat betreft de personele werkingssfeer van de desbetreffende bepalingen op elk moment. Bijgevolg moet artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt a), van Richtlijn (EU) 2022/2464, dat betrekking heeft op de eerste reeks ondernemingen die onder die richtlijn vallen, worden gewijzigd om de toepassing ervan te beperken tot drie boekjaren vanaf 1 januari 2024. Voor boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen, moet artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt b), van Richtlijn (EU) 2022/2464, dat betrekking heeft op de tweede reeks ondernemingen die onder die richtlijn vallen, van toepassing zijn. Bijgevolg vallen ondernemingen die wel onder artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt a), van die richtlijn vallen maar niet onder artikel 5, lid 2, eerste alinea, punt b), ervan, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vanaf de boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen. Niettemin moeten de lidstaten, om de lasten zo snel mogelijk te verminderen, die ondernemingen kunnen vrijstellen van rapporteringsverplichtingen met betrekking tot de boekjaren die beginnen tussen 1 januari 2025 en 31 december 2026. De lidstaten moeten die afwijking toepassen op een wijze die de naleving van het rechtszekerheidsbeginsel waarborgt.

(32) In artikel 5, lid 2, derde alinea, van Richtlijn (EU) 2022/2464 wordt gespecificeerd vanaf welke datums de lidstaten de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering van Richtlijn 2004/109/EG moeten toepassen, waarbij die datums verschillen naargelang de grootte van de betrokken uitgevende instelling. Aangezien alleen ondernemingen met een netto-omzet van meer dan 450 000 000 EUR en gemiddeld meer dan 1 000 werknemers gedurende het boekjaar, waar passend op groepsniveau, onderworpen moeten zijn aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, moeten de criteria voor het bepalen van de toepassingsdatums worden bijgesteld, en moet de vermelding van kleine en middelgrote ondernemingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in de Unie zijn toegelaten, worden geschrapt.

(33) Het is belangrijk te zorgen voor rechtszekerheid met betrekking tot de beperking van het toepassingsgebied wat uitgevende instellingen betreft die onderworpen zijn aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, vooral wat betreft de personele werkingssfeer van de desbetreffende bepalingen op elk moment. Bijgevolg moet artikel 5, lid 2, derde alinea, punt a), van Richtlijn (EU) 2022/2464, dat betrekking heeft op de eerste reeks uitgevende instellingen die onder die richtlijn vallen, worden gewijzigd om de toepassing ervan te beperken tot drie boekjaren vanaf 1 januari 2024. Voor boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen, moet artikel 5, lid 2, derde alinea, punt b), van Richtlijn (EU) 2022/2464, dat betrekking heeft op de tweede reeks uitgevende instellingen die onder die richtlijn vallen, van toepassing zijn. Bijgevolg vallen uitgevende instellingen die wel onder artikel 5, lid 2, derde alinea, punt a), van die richtlijn vallen maar niet onder artikel 5, lid 2, derde alinea, punt b), ervan, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vanaf de boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen. Niettemin moeten de lidstaten, om de lasten zo snel mogelijk te verminderen, dergelijke uitgevende instellingen kunnen vrijstellen van rapporteringsverplichtingen met betrekking tot de boekjaren die beginnen tussen 1 januari 2025 en 31 december 2026. De lidstaten moeten die afwijking toepassen op een wijze die de naleving van het rechtszekerheidsbeginsel waarborgt.

(34) Als gevolg van de wijziging van het toepassingsgebied van ondernemingen die onderworpen zijn aan de verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportering, moeten de bepalingen over de herziening en rapportering in Richtlijn (EU) 2022/2464 worden aangepast. Om ervoor te zorgen dat de doelstelling van de Unie om de openbaarmaking van voldoende gegevens over de duurzaamheid van ondernemingen mogelijk te maken, wordt verwezenlijkt, moet de Commissie beoordelen of het nieuwe toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2022/2464, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, passend is. Die beoordeling moet met name gebaseerd zijn op enerzijds een analyse van de behoefte aan duurzaamheidsgegevens om particuliere investeringen aan te trekken ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en anderzijds een analyse van de invloed van duurzaamheidsrapportering op het concurrentievermogen van ondernemingen in de Unie. Het is ook belangrijk dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de ontwikkelde beste praktijken en de mate waarin ondernemingen daadwerkelijk gereed zijn om duurzaamheidsinformatie te verstrekken uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2464. Daartoe en in het licht van het evenredigheidsbeginsel is het belangrijk dat de Commissie bij het overwegen van een mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied onderzoekt of die uitbreiding moet worden gecompenseerd met een eventuele vereenvoudigde rapporteringsregeling.

(35) Richtlijn (EU) 2024/1760 mag geen rechtvaardiging vormen voor een verlaging van het niveau van de bescherming van bepaalde rechten en belangen die worden geboden door het nationale recht of collectieve overeenkomsten die van toepassing waren op het tijdstip van de vaststelling van die richtlijn. Dat mag de lidstaten echter niet beletten om bij de uitvoering van die richtlijn hun nationale wetgeving inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid die van toepassing was op het moment van de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/1760, aan te passen om die wetgeving, en met name het toepassingsgebied ervan, uit te breiden of ervoor te zorgen dat die wetgeving in overeenstemming is met de richtlijn.

(36) Richtlijn (EU) 2024/1760 heeft niet tot doel een alomvattend kader te bieden voor de bescherming van de mensenrechten of het milieu ten aanzien van de activiteiten van ondernemingen. In plaats daarvan heeft zij tot doel het nationale recht inzake algemene verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid voor die ondernemingen en de aansprakelijkheid in dat verband te harmoniseren, om ervoor te zorgen dat ondernemingen die actief zijn op de interne markt, bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Procedures inzake passende zorgvuldigheid vullen de specifieke wettelijke verplichtingen ter bescherming, op directe of indirecte wijze, van de mensenrechten of het milieu aan, en komen niet in de plaats daarvan. Die specifieke wettelijke verplichtingen komen onder meer, maar zeker niet uitsluitend, uit: het recht inzake arbeid, arbeidstijd en gelijkheid; het recht inzake gezondheid en veiligheid op het werk, onder meer wat betreft het omgaan met gevaarlijke materialen; het recht op het gebied van bouwnormen en ruimtelijke ordening, en het recht inzake product- of voedselveiligheid. Dergelijke wettelijke verplichtingen vallen allemaal buiten het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2024/1760, tenzij en voor zover zij algemene verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid bevatten. Om de rechtszekerheid te vergroten en ervoor te zorgen dat de noodzakelijke regelgevingsvrijheid uitdrukkelijk wordt behouden, moet Richtlijn (EU) 2024/1760 worden gewijzigd om de grenzen van het toepassingsgebied van die richtlijn verder te verduidelijken.

(37) Richtlijn (EU) 2024/1760 legt aan bepaalde ondernemingen uitgebreide verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid op. Daarom is het toepassingsgebied ervan beperkt tot zeer grote ondernemingen. Niettemin werd in het rapport getiteld “De toekomst van het Europese concurrentievermogen” het kader voor passende zorgvuldigheid aangemerkt als “een belangrijke bron van regeldruk”, en werd in dit verband geconcludeerd dat “beter rekening moet worden gehouden met de omvang van de ondernemingen waar de regelgeving betrekking op heeft”. Bovendien kunnen de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2024/1760 het best worden verwezenlijkt met betrekking tot de grootste ondernemingen, die de grootste invloed hebben op hun waardeketens, de grootste impact hebben op de mensenrechten en het milieu, en beschikken over de meeste middelen om de passende zorgvuldigheid diligent toe te passen. Om al die redenen en in overeenstemming met de cruciale doelstelling van vereenvoudiging moet het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2024/1760 worden beperkt. De omzetdrempel van 450 000 000 EUR moet worden verhoogd tot 1 500 000 000 EUR, en de drempel van 1 000 werknemers moet worden verhoogd tot 5 000 werknemers. Dienovereenkomstig moeten de drempels inzake ondernemingen die franchise- of licentieovereenkomsten hebben gesloten, worden verhoogd tot 75 000 000 EUR wat royalty’s betreft en 275 000 000 EUR wat omzet betreft.

(38) Artikel 4, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 verbiedt lidstaten om op het gebied dat onder die richtlijn valt, in hun nationale recht bepalingen op te nemen waarin verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu worden vastgelegd die afwijken van die in specifieke bepalingen van die richtlijn. Om te voorkomen dat lidstaten verder gaan dan die richtlijn en om te vermijden dat een gecompartimenteerd regelgevingslandschap tot stand komt dat resulteert in rechtsonzekerheid en nodeloze lasten, moeten de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake volledige harmonisatie worden uitgebreid met aanvullende bepalingen die de kernaspecten van de procedure inzake passende zorgvuldigheid regelen. Dat omvat met name de identificatieplicht, de verplichting om negatieve effecten te prioriteren, de verplichtingen om negatieve effecten die zijn geconstateerd of hadden moeten worden geconstateerd, aan te pakken, de verplichting om te voorzien in een klachten- en meldingsmechanisme, de verplichting om maatregelen met betrekking tot passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven te monitoren en de verplichting om de onder die richtlijn vallende aspecten te rapporteren. Tegelijkertijd moeten de lidstaten onverminderd strengere bepalingen kunnen invoeren met betrekking tot andere aspecten of bepalingen inzake passende zorgvuldigheid die specifieker zijn wat betreft het doel of het bestreken gebied ervan. Die bepalingen omvatten bepalingen van nationaal recht die specifieke negatieve effecten of specifieke activiteitensectoren reguleren teneinde een ander niveau van bescherming van mensen-, arbeids- en sociale rechten, het milieu of het klimaat te bereiken. Om de rechtszekerheid te vergroten en de nodige regelgevingsvrijheid te waarborgen, met name wat betreft nieuwe specifieke risico’s waarvoor verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van belang zouden kunnen zijn, moet worden verduidelijkt dat dergelijke bepalingen onder meer verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid met betrekking tot specifieke producten, diensten of situaties omvatten. Omgekeerd vormen nationale regels die verder gaan dan een specifieke doelstelling of een specifiek gebied, bijvoorbeeld door de procedure inzake passende zorgvuldigheid in het algemeen te reguleren of door passende zorgvuldigheid in een hele sector te reguleren, niet dergelijke bepalingen.

(39) Artikel 5 van Richtlijn (EU) 2024/1760 verplicht lidstaten om erop toe te zien dat grote ondernemingen vanaf een bepaalde grootte due diligence uitvoeren voor mensenrechten en milieu. Artikel 8 van die richtlijn vereist dat die ondernemingen passende maatregelen nemen om negatieve effecten vast te stellen en te beoordelen, rekening houdend met de desbetreffende risicofactoren. Ondernemingen moeten worden verplicht een verkennend onderzoek uit te voeren, uitsluitend op basis van redelijkerwijs beschikbare informatie, om in kaart te brengen op welke van hun eigen activiteitengebieden, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketens, die van hun zakenpartners, zich waarschijnlijk negatieve effecten zullen voordoen. Bij het uitvoeren van het verkennend onderzoek hoeven ondernemingen negatieve effecten niet systematisch op entiteitsniveau vast te stellen, maar moeten zij algemene gebieden verkennen. Bij het verkennend onderzoek moeten ondernemingen zich uitsluitend baseren op informatie waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken, hetgeen in de regel uitsluit dat informatie wordt opgevraagd bij zakenpartners. Niettemin beschikken ondernemingen over flexibiliteit bij het beoordelen van de informatie waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken.

(40) Op basis van de resultaten van het verkennende onderzoek moeten ondernemingen worden verplicht een diepgaande beoordeling uit te voeren op de gebieden waar zich het meest waarschijnlijk negatieve effecten zullen voordoen en waar deze het ernstigst zullen zijn. Ondernemingen mogen niet worden verplicht om informatie op te vragen bij zakenpartners bij wie geen vermoedelijke en ernstige risico’s zijn vastgesteld. De diepgaande beoordeling moet gericht zijn op het verkrijgen van nauwkeurige en betrouwbare informatie over met name de aard, de omvang, de oorzaken, de ernst en de waarschijnlijkheid van de vastgestelde negatieve effecten, zodat de onderneming waar relevant de prioritering van vastgestelde feitelijke en potentiële negatieve effecten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2024/1760 kan uitvoeren en passende maatregelen kan nemen om deze aan te pakken overeenkomstig die richtlijn. Om ondernemingen extra flexibiliteit te bieden, moet een onderneming, wanneer zij negatieve effecten vaststelt die op verschillende gebieden even waarschijnlijk of ernstig zijn, de mogelijkheid hebben om prioriteit te geven aan de beoordeling van negatieve effecten waarbij directe zakenpartners betrokken zijn. Ondernemingen hoeven alleen passende maatregelen te nemen met het oog op de vaststelling van negatieve effecten. Zij hoeven dus niet elk negatief effect op hun activiteiten of op die van hun dochterondernemingen en zakenpartners vast te stellen. In sommige gevallen kan dat ertoe leiden dat een dergelijk effect niet wordt vastgesteld en dus niet wordt voorkomen, beperkt, beëindigd of tot een minimum beperkt, ondanks het feit dat de onderneming haar verplichtingen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2024/1760 volledig is nagekomen. Hieruit volgt dat ondernemingen niet uit hoofde van die richtlijn zouden worden gestraft voor een dergelijk effect.

(41) Om het “doorsijpeleffect” naar andere ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen en kleine midcap-ondernemingen, te beperken wanneer het gaat om de grondige beoordeling van zakenpartners, mogen ondernemingen die onder Richtlijn (EU) 2024/1760 vallen, zakenpartners alleen om informatie verzoeken wanneer die informatie noodzakelijk is. Het is belangrijk dat elk verzoek gericht, redelijk en evenredig is. In het geval van zakenpartners met minder dan 5 000 werknemers mogen ondernemingen alleen om informatie verzoeken wanneer de informatie redelijkerwijs niet op andere wijze kan worden verkregen, bijvoorbeeld uit informatie waarover zij beschikken of uit andere bronnen.

(42) Op grond van artikel 8, lid 3, van Richtlijn (EU) 2024/1760 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat ondernemingen, ten behoeve van de vaststelling en beoordeling van de negatieve effecten, gebruik kunnen maken van passende middelen, waaronder onafhankelijke verslagen en informatie die is verzameld via het kennisgevingsmechanisme en de klachtenprocedure van die richtlijn. Om de lasten in verband met naleving te verlichten voor ondernemingen en de relevante zakenpartners, moet worden gespecificeerd dat digitale oplossingen en initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden ook passende middelen kunnen vormen. Daarom moeten ondernemingen de mogelijkheid hebben om de nodige informatie te verkrijgen door middel van initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden om dubbele verzoeken te voorkomen. Ondernemingen behouden echter ook de mogelijkheid om de informatie individueel te verkrijgen.

(43) Aangezien prioriteit moet worden gegeven aan de aanpak van negatieve effecten op basis van de ernst en waarschijnlijkheid ervan en aangezien de negatieve effecten geleidelijk moeten worden aangepakt, mag een onderneming, indien het niet mogelijk is alle door haar vastgestelde negatieve effecten tegelijkertijd volledig aan te pakken, niet worden bestraft uit hoofde van Richtlijn (EU) 2024/1760.

(44) Ondernemingen zouden zich in situaties kunnen bevinden waarin hun productie sterk afhankelijk is van inputs van een of meer specifieke leveranciers. Met name wanneer aan de bedrijfsactiviteiten van dit soort leverancier ernstige negatieve effecten verbonden zijn (met inbegrip van kinderarbeid of aanzienlijke milieuschade) en de onderneming zonder succes alle maatregelen met betrekking tot passende zorgvuldigheid heeft uitgeput om die effecten tegen te gaan, moet de onderneming als uiterste maatregel de zakelijke relatie opschorten terwijl zij met die leverancier aan een oplossing werkt, zo mogelijk door deze opschorting als extra drukkingsmiddel te gebruiken. De opschorting moet eindigen zodra het negatieve effect is aangepakt.

(45) Om de lasten voor ondernemingen te verlichten en stakeholderbetrokkenheid evenrediger te maken, mogen ondernemingen alleen worden verplicht in overleg te treden met werknemers, hun vertegenwoordigers zoals vakbonden, en personen en gemeenschappen van wie rechten of belangen direct worden geraakt, of kunnen worden geraakt, door de producten en activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en haar zakenpartners, en die een band hebben met de specifieke fase van de procedure inzake passende zorgvuldigheid die wordt toegepast. Dat omvat personen of gemeenschappen in de buurt van door zakenpartners geëxploiteerde fabrieken wanneer die personen of gemeenschappen rechtstreeks worden beïnvloed door vervuiling, of inheemse volkeren die hun recht op land of hulpbronnen rechtstreeks geraakt zien door de wijze waarop een zakenpartner land, bossen of water verwerft, ontwikkelt of anderszins gebruikt. Bovendien moet stakeholderbetrokkenheid alleen vereist zijn voor bepaalde delen van de procedure inzake passende zorgvuldigheid — namelijk de identificatiefase — voor de ontwikkeling van actieplannen en versterkte actieplannen en bij het vormgeven van herstelmaatregelen.

(46) Om de administratieve lasten voor ondernemingen te verminderen, moet de Commissie de algemene richtsnoeren met betrekking tot passende zorgvuldigheid uiterlijk op 26 juli 2027 vaststellen. Tegelijkertijd moet de toepassingsdatum van Richtlijn (EU) 2024/1760 voor alle ondernemingen worden uitgesteld tot 26 juli 2029. Die periode van twee jaar moet ondernemingen voldoende tijd geven om bij het nemen van maatregelen met betrekking tot passende zorgvuldigheid rekening te houden met de praktische sturing en de goede praktijken uit de richtsnoeren van de Commissie.

(47) De bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake het transitieplan voor klimaatmitigatie werden onevenredig geacht, met name vanwege de administratieve last voor ondernemingen en toezichthoudende autoriteiten, en zouden kunnen leiden tot rechtsonzekerheid. Die bepalingen moeten worden ingetrokken om de verplichtingen te stroomlijnen en een gerichtere en doeltreffendere uitvoering van die richtlijn te bevorderen.

(48) Artikel 27, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 schrijft voor dat de lidstaten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vaststellen. Artikel 27, lid 2, van die richtlijn schrijft voor dat de lidstaten, bij de beslissing over het al dan niet opleggen van sancties en bij het bepalen van de aard en het passende niveau ervan, naar behoren rekening moeten houden met een reeks factoren die de ernst van de inbreuk bepalen en met verzwarende of verzachtende factoren. Artikel 27, lid 4, van die richtlijn schrijft voor dat de lidstaten zich bij het opleggen van geldboeten moeten baseren op de wereldwijde netto-omzet van de betrokken onderneming. Dat vereiste lijkt echter onnodig en zou ten onrechte aldus kunnen worden uitgelegd dat geldboeten uitsluitend of hoofdzakelijk op de wereldwijde netto-omzet moeten worden gebaseerd. In plaats daarvan moeten de toezichthoudende autoriteiten, overeenkomstig het vereiste dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn, op passende wijze rekening houden met de wereldwijde netto-omzet, of, in het geval van ondernemingen die tot een groep behoren, de geconsolideerde wereldwijde netto-omzet van de uiteindelijke moederonderneming, in samenhang met de reeks factoren die is opgenomen in artikel 27, lid 2, van die richtlijn. Het vereiste om geldboeten op de wereldwijde netto-omzet te baseren, moet dan ook worden geschrapt. Om een gelijk speelveld in de hele Unie te waarborgen en in overeenstemming met de harmonisatiedoelstelling, moeten de lidstaten daarentegen worden verplicht een uniform maximum voor geldboeten vast te stellen van 3 % van de wereldwijde netto-omzet. De toepassing van dat maximum op ondernemingen die tot een groep behoren, moet worden verduidelijkt. Voorts moet de Commissie, om de handhavingspraktijken binnen de Unie consistenter te maken, in samenwerking met de lidstaten richtsnoeren uitwerken die toezichthoudende autoriteiten helpen bij het bepalen van de hoogte van geldboeten.

(49) Met het oog op een betere naleving van het subsidiariteitsbeginsel moet de specifieke Uniebrede aansprakelijkheidsregeling waarin Richtlijn (EU) 2024/1760 voorziet, worden geschrapt. Tegelijk moet, op grond van zowel internationaal recht als Unierecht, van lidstaten worden verlangd dat zij erop toezien dat slachtoffers van negatieve effecten daadwerkelijke toegang tot de rechter hebben en dat zij het recht van slachtoffers op een doeltreffende voorziening in rechte garanderen, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 8 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 9, lid 3, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten er dus op toezien dat, indien een onderneming aansprakelijk wordt gehouden voor niet-nakoming van de in Richtlijn (EU) 2024/1760 vastgelegde verplichtingen op het vlak van passende zorgvuldigheid, en die niet-nakoming schade heeft veroorzaakt, slachtoffers volledige compensatie kunnen krijgen. Die compensatie moet worden toegekend in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Gelet op de verschillen in regels en tradities die op het nationale niveau bestaan waar het gaat om het toestaan van representatieve vorderingen, moet het specifieke vereiste op dat punt in Richtlijn (EU) 2024/1760 worden geschrapt. Die schrapping doet niet af aan bepalingen van het toepasselijke nationale recht die een vakbond, een niet-gouvernementele mensenrechten- of milieuorganisatie, een andere niet-gouvernementele organisatie of een nationale mensenrechteninstelling toestaan om vorderingen in te stellen om de rechten van de mogelijk benadeelde partij af te dwingen, of om dit soort vorderingen die door dergelijke partij worden ingesteld, te ondersteunen. Voorts moet, om dezelfde reden, het vereiste worden geschrapt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de aansprakelijkheidsregels prevaleren in gevallen waarin het recht dat van toepassing is op vorderingen in die zin, niet het nationale recht van de lidstaat is. Die schrapping houdt geen beperking in van de mogelijkheid voor lidstaten om te bepalen dat de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2024/1760, bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad(14), in gevallen waarin het recht dat van toepassing is op vorderingen in die zin, niet het recht van een lidstaat is.

(50) Artikel 36, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 schrijft voor dat de Commissie uiterlijk op 26 juli 2026 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indient over de noodzaak om, op maat van gereglementeerde financiële ondernemingen, aanvullende vereisten inzake passende zorgvuldigheid op het gebied van duurzaamheid vast te stellen met betrekking tot het verrichten van financiële diensten en beleggingsactiviteiten, met vermelding van de verschillende opties voor dergelijke vereisten inzake passende zorgvuldigheid en de gevolgen daarvan. Aangezien de uiterste datum voor die herziening niet genoeg tijd laat om rekening te houden met de ervaring die wordt opgedaan met het nieuw vastgestelde, algemene kader voor passende zorgvuldigheid, moeten de bepalingen over de herziening en rapportering in Richtlijn (EU) 2024/1760 worden gewijzigd.

(51) De omzettingstermijn moet met één jaar worden uitgesteld en de datums met ingang waarvan de lidstaten Richtlijn (EU) 2024/1760 moeten toepassen, moeten voor alle ondernemingen die onder het toepassingsgebied van die richtlijn vallen worden gelijkgesteld om ondernemingen meer tijd te geven zich voor te bereiden op de vereisten van die richtlijn. Daarnaast moeten verschillende andere datums in die richtlijn worden gewijzigd om rekening te houden met dat uitstel met één jaar en met het in Richtlijn (EU) 2025/794 gespecificeerde uitstel.

(52) Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(53) Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 Wijzigingen van Richtlijn 2006/43/EG

Richtlijn 2006/43/EG wordt als volgt gewijzigd:

  1. in artikel 3 wordt lid 4 vervangen door:

    “4.

    Alleen entiteiten die aan de volgende voorwaarden voldoen, mogen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden toegelaten als auditkantoren:

    1. de natuurlijke personen die namens een auditkantoor wettelijke controles van jaarrekeningen uitvoeren, moeten ten minste voldoen aan de in de artikel 4, artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1, artikel 8, leden 1 en 2, artikel 9, artikel 10, lid 1, eerste alinea, artikel 11 en artikel 12 van deze richtlijn gestelde voorwaarden voor wettelijke controle en toegelaten zijn in die lidstaat als wettelijke auditors;

    2. een meerderheid van de stemrechten van de entiteit is in het bezit van auditkantoren die in een lidstaat zijn toegelaten, of van natuurlijke personen die ten minste voldoen aan de in de artikel 4, artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1, artikel 8, leden 1 en 2, artikel 9, artikel 10, lid 1, eerste alinea, artikel 11 en artikel 12 van deze richtlijn gestelde voorwaarden voor wettelijke controle. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke natuurlijke personen ook in een andere lidstaat moeten zijn toegelaten. Voor de wettelijke controle van coöperaties, spaarbanken en soortgelijke instellingen als bedoeld in artikel 45 van Richtlijn 86/635/EEG, of van een dochteronderneming of wettelijke opvolger van een coöperatie, een spaarbank of een soortgelijke instelling als bedoeld in artikel 45 van Richtlijn 86/635/EEG, kunnen de lidstaten andere specifieke bepalingen inzake de stemrechten vaststellen;

    3. een meerderheid — van ten hoogste 75 % — van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de entiteit bestaat uit auditkantoren die in een lidstaat zijn toegelaten, of uit natuurlijke personen die ten minste voldoen aan de uit hoofde van artikel 4, artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1, artikel 8, leden 1 en 2, artikel 9, artikel 10, lid 1, eerste alinea, artikel 11 en artikel 12 van deze richtlijn gestelde voorwaarden voor wettelijke controle. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke natuurlijke personen ook in een andere lidstaat moeten zijn toegelaten. Wanneer dit orgaan uit slechts twee leden bestaat, moet één van deze leden ten minste aan de in dit punt gestelde voorwaarden voldoen;

    4. het kantoor voldoet aan de in artikel 4 gestelde voorwaarde.

    De lidstaten mogen alleen bijkomende voorwaarden stellen in verband met het bepaalde onder c). Die voorwaarden staan in verhouding tot het nagestreefde doel en gaan niet verder dan hetgeen strikt noodzakelijk is.”

    ;

  2. in artikel 24 ter, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

    “De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de assurance van duurzaamheidsrapportering door een auditkantoor wordt uitgevoerd, dat auditkantoor ten minste één voornaamste duurzaamheidsvennoot aanwijst die ten minste moet voldoen aan de in artikel 4 en de artikelen 6 tot en met 12 gestelde voorwaarden en in de betrokken lidstaat als wettelijke auditor moet zijn toegelaten. Die voornaamste duurzaamheidsvennoot kan de voornaamste auditvennoot of een van de voornaamste auditvennoten zijn. Het auditkantoor verstrekt de voornaamste duurzaamheidsvennoot/-vennoten voldoende middelen en personeelsleden die over de benodigde deskundigheid en bekwaamheid beschikken om hun taken juist uit te voeren.”

    ;

  3. in artikel 26 bis wordt lid 3 vervangen door:

    “3.

    De Commissie stelt uiterlijk op 1 juli 2027 overeenkomstig artikel 48 bis gedelegeerde handelingen vast in aanvulling op deze richtlijn teneinde te voorzien in beperkte-assurancestandaarden die de procedures bepalen die de auditor of auditors en het auditkantoor of de auditkantoren moeten uitvoeren om zijn of haar of hun conclusies te trekken over de assurance van duurzaamheidsrapportering, met inbegrip van opdrachtplanning, risicobeoordeling en respons op risico’s, en van het soort conclusies die in de assuranceverklaring over de duurzaamheidsrapportering of, waar van toepassing, in de controleverklaring moeten worden opgenomen.

    De Commissie keurt de in de eerste alinea bedoelde beperkte-assurancestandaarden goed en waarborgt dat die standaarden:

    1. volgens geijkte procedures, onder publiek toezicht en op transparante wijze zijn opgesteld;

    2. bijdragen tot een grote geloofwaardigheid en hoge kwaliteit van de jaarlijkse of geconsolideerde duurzaamheidsrapportering, en

    3. bevorderlijk zijn voor het algemeen belang van de Unie.”

    ;

  4. artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 5, tweede alinea, punt a), wordt vervangen door:

      1. de meerderheid van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de auditorganisaties van een derde land voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 4 tot en met 10, met uitzondering van artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 3, en artikel 10, lid 1, tweede alinea, worden gesteld;”

      ;

    2. het volgende lid wordt ingevoegd:

      “5 ter.

      De lidstaten passen de leden 1 tot en met 5 bis niet toe op assuranceverklaringen betreffende jaarlijkse of geconsolideerde duurzaamheidsrapportering die zijn afgegeven voor boekjaren die aanvangen in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2030 in gevallen waarin de betrokken auditor of auditorganisatie van een derde land de bevoegde autoriteiten van de lidstaat het volgende verstrekt:

      1. de naam en het adres van de betrokken auditor of auditorganisatie van een derde land en informatie over de juridische structuur ervan;

      2. de verklaring dat de auditor van een derde land die het assuranceverklaring ondertekent, kennis heeft verworven op het gebied van duurzaamheidsrapportering en de assurance daarvan, en de informatie over de hoeveelheid van die kennis die is verworven;

      3. indien de auditor of auditorganisatie van een derde land tot een netwerk behoort, een beschrijving van dat netwerk;

      4. de assurancestandaarden en de onafhankelijkheidsvereisten die zijn toegepast op de assurance van de duurzaamheidsrapportering in kwestie;

      5. een beschrijving van het interne kwaliteitscontrolesysteem van de auditorganisatie van een derde land die de assurance van de duurzaamheidsrapportering bestrijkt, en

      6. de vermelding of en wanneer de laatste kwaliteitsbeoordeling van de auditor of auditorganisatie van een derde land voor de assuranceopdrachten voor duurzaamheidsrapportering is uitgevoerd en de nodige informatie over de uitkomst van die kwaliteitsbeoordeling.

      Na ontvangst van de in de eerste alinea vermelde informatie registreren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat de betrokken auditor of auditorganisatie van een derde land met het oog op de assurance van duurzaamheidsrapportering en maken zij duidelijk dat de registratie heeft plaatsgevonden in het kader van de in de eerste alinea vermelde overgangsregeling inzake registratie. Indien de betrokken auditor of auditorganisatie van een derde land de in de eerste alinea vermelde informatie niet verstrekt, registreren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die auditor of auditorganisatie van een derde land niet.”

      ;

  5. in artikel 48 bis, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door:

    “De in artikel 26 bis, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd.”.

Artikel 2 Wijzigingen van Richtlijn 2013/34/EU

Richtlijn 2013/34/EU wordt als volgt gewijzigd:

  1. artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 3 wordt de inleidende formule vervangen door:

      “De in de artikelen 19 bis, 29 bis, 29 quinquies, 30 en 33, artikel 34, lid 1, tweede alinea, punt a bis), en leden 2 en 3, en artikel 51 van deze richtlijn voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn ook van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die betrekking hebben op de volgende ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm, op voorwaarde dat het daarbij ondernemingen betreft die, op hun balansdatum, een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden:”

      ;

    2. lid 4 wordt vervangen door:

      “4.

      De in de artikelen 19 bis, 29 bis en 29 quinquies voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn niet van toepassing op de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (European Financial Stability Facility — EFSF) die is ingesteld bij de EFSF-Kaderovereenkomst, of op in artikel 2, punt 12), b) en f), van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad(*) vermelde financiële producten.

  2. artikel 3, lid 13, wordt vervangen door:

    “13.

    De Commissie evalueert ten minste om de vijf jaar de in de volgende bepalingen bedoelde drempelwaarden met het oog op aanpassing aan de gevolgen van de inflatie en stelt, waar passend, overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen tot wijziging van die drempelwaarden vast, rekening houdend met de inflatiemaatstaven als gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie:

    1. de leden 1 tot en met 7 van dit artikel;

    2. artikel 19, lid 1, vierde alinea, artikel 19 bis, lid 1, eerste alinea, artikel 29 bis, lid 1, eerste alinea, en

    3. artikel 40 bis, lid 1, tweede, vierde en vijfde alinea.”

    ;

  3. in artikel 19, lid 1, wordt de vierde alinea vervangen door:

    “Ondernemingen die op hun balansdatum een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden, rapporteren over de essentiële immateriële middelen en lichten toe hoe het bedrijfsmodel van de onderneming fundamenteel afhankelijk is van die middelen en hoe die middelen een bron voor de waardecreatie van de onderneming zijn.”

    ;

  4. artikel 19 bis wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

      “Ondernemingen die op hun balansdatum een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden, nemen in hun bestuursverslag informatie op die nodig is om inzicht te krijgen in de effecten van de onderneming op duurzaamheidskwesties, alsook informatie die nodig is om te begrijpen hoe duurzaamheidskwesties van invloed zijn op de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de onderneming.”

      ;

    2. lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

      1. na de eerste alinea worden de volgende alinea’s ingevoegd:

        “Voor de toepassing van de derde, vierde en vijfde alinea wordt verstaan onder:

        1. “rapporterende onderneming”: een onderneming die verplicht is te rapporteren op grond van lid 1 van dit artikel;

        2. “beschermde onderneming”: een onderneming die:

          1. op haar balansdatum een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het voorgaande boekjaar niet overschrijdt, en

          2. deel uitmaakt van de waardeketen van een rapporterende onderneming;

        3. “vrijwillige standaarden”: standaarden voor vrijwillig gebruik zoals bedoeld in artikel 29 quater bis.

        Rapporterende ondernemingen kunnen zich baseren op een eigen verklaring van ondernemingen in hun waardeketen om te bepalen of zij beschermde ondernemingen zijn. Rapporterende ondernemingen worden niet verplicht stappen te ondernemen om de in een dergelijke eigen verklaring vervatte informatie te verifiëren. Zij mogen zich echter niet baseren op de eigen verklaring wanneer zij weten of redelijkerwijs geacht kunnen worden te weten dat de verklaring kennelijk onjuist is.

        Beschermde ondernemingen hebben het recht om, in antwoord op een verzoek dat is gedaan met het oog op duurzaamheidsrapportering zoals vereist door deze richtlijn, te weigeren informatie te verstrekken die verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden. Voorts:

        1. verlangen rapporterende ondernemingen bij de vaststelling van contractuele en andere regelingen om te voldoen aan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, niet van beschermde ondernemingen dat zij informatie verstrekken die verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden;

        2. zijn contractuele bepalingen die in strijd zijn met punt a) niet bindend, zonder dat dit afbreuk doet aan de bindende aard van de overige bepalingen van het contract;

        3. waarborgt een rapporterende onderneming, wanneer zij direct of indirect om informatie verzoekt van beschermde ondernemingen met het oog op duurzaamheidsrapportering zoals vereist door deze richtlijn, en een deel van of al die informatie verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, dat de beschermde ondernemingen worden geïnformeerd over:

          1. welke informatie verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, en

          2. het wettelijke recht van beschermde ondernemingen om te weigeren de informatie te verstrekken;

        4. worden rapporterende ondernemingen die de nodige informatie over hun waardeketen rapporteren zonder van beschermde ondernemingen informatie te rapporteren die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, geacht te hebben voldaan aan de in de eerste alinea beschreven verplichting om informatie over de waardeketen te rapporteren.

        Niets in de vierde alinea:

        1. is van invloed op informatieverzoeken voor andere doeleinden dan de duurzaamheidsrapportering zoals vereist bij deze richtlijn, met inbegrip van verzoeken om te voldoen aan de vereisten van de Unie ten aanzien van ondernemingen om een procedure inzake passende zorgvuldigheid uit te voeren, of

        2. legt aan ondernemingen in de waardeketen de verplichting op om duurzaamheidsinformatie te verstrekken of impliceert een dergelijke verplichting.

        Gedurende de eerste drie jaar waarin zij onderworpen is aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering overeenkomstig lid 1 en indien niet alle nodige informatie over haar waardeketen beschikbaar is, legt de onderneming uit welke inspanningen zijn geleverd om de nodige informatie over haar waardeketen te verkrijgen, waarom niet alle nodige informatie kon worden verkregen en welke plannen zij heeft om in de toekomst alle nodige informatie te verkrijgen. Na die overgangsperiode van drie jaar voldoet de onderneming aan de rapporteringsvereisten voor informatie over de waardeketen door gebruik te maken van informatie die zij rechtstreeks heeft verkregen van ondernemingen in haar waardeketen of, in voorkomend geval, schattingen van die informatie.”

        ;

      2. de tweede alinea wordt geschrapt;

      3. de vierde alinea wordt vervangen door:

        “Bij het rapporteren van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie kunnen ondernemingen de volgende informatie weglaten:

        1. in uitzonderlijke gevallen, informatie waarvan de openbaarmaking de commerciële positie van de onderneming ernstig zou schaden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. het weglaten van de informatie staat niet in de weg aan een getrouw en evenwichtig begrip van de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de onderneming, of van haar voornaamste risico’s of effecten;

          2. de onderneming heeft vastgesteld dat het onmogelijk is de informatie openbaar te maken op een wijze die haar in staat zou stellen aan de doelstellingen van de openbaarmakingsvereisten te voldoen zonder haar commerciële positie ernstig te schaden, bijvoorbeeld op geaggregeerde basis;

          3. de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          4. de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;

        2. informatie die overeenstemt met intellectueel kapitaal, intellectuele eigendom, kennis, technologische informatie of de resultaten van innovatie en die kan worden aangemerkt als bedrijfsgeheim zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad(*), mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          2. de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;

        3. gerubriceerde informatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7), van Verordening (EU) 2023/2418 van het Europees Parlement en de Raad(**), mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          2. de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;

        4. andere informatie die moet worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang of openbaarmaking op grond van verplichtingen die zijn vastgelegd in andere rechtshandelingen van de Unie of nationale wetgeving of om de privacy of veiligheid van een natuurlijke persoon of de veiligheid van een rechtspersoon te waarborgen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          2. de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten.

    3. de leden 6 en 7 worden geschrapt;

    4. lid 10 wordt vervangen door:

      “10.

      De bij lid 9 verleende vrijstelling is ook van toepassing op organisaties van openbaar belang waarvoor de vereisten van dit artikel gelden.”

      ;

  5. artikel 29 bis wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

      “Moederondernemingen van een groep die op haar balansdatum, op geconsolideerde basis, een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijdt, nemen in hun geconsolideerd bestuursverslag informatie op die nodig is om inzicht te krijgen in de effecten van de groep op duurzaamheidskwesties, alsook informatie die nodig is om te begrijpen hoe duurzaamheidskwesties van invloed zijn op de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de groep.”

      ;

    2. lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

      1. na de eerste alinea worden de volgende alinea’s ingevoegd:

        “Voor de toepassing van de derde, vierde en vijfde alinea wordt verstaan onder:

        1. “rapporterende onderneming”: een onderneming die verplicht is te rapporteren op grond van lid 1 van dit artikel;

        2. “beschermde onderneming”: een onderneming die:

          1. op haar balansdatum een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het voorgaande boekjaar niet overschrijdt, en

          2. deel uitmaakt van de waardeketen van een rapporterende onderneming;

        3. “vrijwillige standaarden”: standaarden voor vrijwillig gebruik zoals bedoeld in artikel 29 quater bis.

        Rapporterende ondernemingen kunnen zich baseren op een eigen verklaring van ondernemingen in hun waardeketen om te bepalen of zij beschermde ondernemingen zijn. Rapporterende ondernemingen worden niet verplicht stappen te ondernemen om de in een dergelijke eigen verklaring vervatte informatie te verifiëren. Zij mogen zich echter niet baseren op de eigen verklaring wanneer zij weten of redelijkerwijs geacht kunnen worden te weten dat de verklaring kennelijk onjuist is.

        Beschermde ondernemingen hebben het recht om, in antwoord op een verzoek dat is gedaan met het oog op duurzaamheidsrapportering zoals vereist door deze richtlijn, te weigeren informatie te verstrekken die verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden. Voorts:

        1. verlangen rapporterende ondernemingen bij de vaststelling van contractuele en andere regelingen om te voldoen aan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, niet van beschermde ondernemingen dat zij informatie verstrekken die verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden;

        2. zijn contractuele bepalingen die in strijd zijn met punt a) niet bindend, zonder dat dit afbreuk doet aan de bindende aard van de overige bepalingen van het contract;

        3. waarborgt een rapporterende onderneming, wanneer zij direct of indirect om informatie verzoekt van beschermde ondernemingen met het oog op duurzaamheidsrapportering zoals vereist door deze richtlijn, en een deel van of al die informatie verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, dat de beschermde ondernemingen worden geïnformeerd over:

          1. welke informatie verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, en

          2. het wettelijke recht van beschermde ondernemingen om te weigeren de informatie te verstrekken;

        4. worden rapporterende ondernemingen die de nodige informatie over hun waardeketen rapporteren zonder van beschermde ondernemingen informatie te rapporteren die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, geacht te hebben voldaan aan de in de eerste alinea beschreven verplichting om informatie over de waardeketen te rapporteren.

        Niets in de vierde alinea:

        1. is van invloed op informatieverzoeken voor andere doeleinden dan de duurzaamheidsrapportering zoals vereist bij deze richtlijn, met inbegrip van verzoeken om te voldoen aan de vereisten van de Unie ten aanzien van ondernemingen om een procedure inzake passende zorgvuldigheid uit te voeren, of

        2. legt aan ondernemingen in de waardeketen de verplichting op om duurzaamheidsinformatie te verstrekken of impliceert een dergelijke verplichting.

        Gedurende de eerste drie jaar waarin zij onderworpen is aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering overeenkomstig lid 1 en indien niet alle nodige informatie over haar waardeketen beschikbaar is, legt de moederonderneming uit welke inspanningen zijn geleverd om de nodige informatie over haar waardeketen te verkrijgen, waarom niet alle nodige informatie kon worden verkregen en welke plannen zij heeft om in de toekomst alle nodige informatie te verkrijgen. Na deze overgangsperiode van drie jaar voldoet de moederonderneming aan de rapporteringsvereisten voor informatie over de waardeketen door gebruik te maken van informatie die zij rechtstreeks heeft verkregen van ondernemingen in haar waardeketen of, in voorkomend geval, schattingen van die informatie.”

        ;

      2. de tweede alinea wordt geschrapt;

      3. de vierde alinea wordt vervangen door:

        “Bij het rapporteren van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie kunnen moederondernemingen de volgende informatie weglaten:

        1. in uitzonderlijke gevallen, informatie waarvan de openbaarmaking de commerciële positie van de groep ernstig zou schaden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. het weglaten van de informatie staat niet in de weg aan een getrouw en evenwichtig begrip van de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de groep, of van haar voornaamste risico’s of effecten;

          2. de moederonderneming heeft vastgesteld dat het onmogelijk is de informatie openbaar te maken op een wijze die haar in staat zou stellen aan de doelstellingen van de openbaarmakingsvereisten te voldoen zonder de commerciële positie van de groep ernstig te schaden, bijvoorbeeld op geaggregeerde basis;

          3. de moederonderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          4. de moederonderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;

        2. informatie die overeenstemt met intellectueel kapitaal, intellectuele eigendom, kennis, technologische informatie of de resultaten van innovatie en die kan worden aangemerkt als bedrijfsgeheim zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn (EU) 2016/943, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. de moederonderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          2. de moederonderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;

        3. gerubriceerde informatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7), van Verordening (EU) 2023/2418, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. de moederonderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          2. de moederonderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;

        4. andere informatie die moet worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang of openbaarmaking op grond van verplichtingen die zijn vastgelegd in andere rechtshandelingen van de Unie of nationaal recht of om de privacy of veiligheid van een natuurlijke persoon of de veiligheid van een rechtspersoon te waarborgen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

          1. de moederonderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en

          2. de moederonderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten.”

        ;

    3. het volgende lid wordt ingevoegd:

      “4 bis.

      In afwijking van lid 1 van dit artikel kan de moederonderneming, indien de samenstelling van de groep gedurende het boekjaar is veranderd door fusies of overnames van ondernemingen, besluiten de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie over ondernemingen die het voorwerp zijn van een fusie of een overname niet op te nemen in het geconsolideerde bestuursverslag met betrekking tot dat boekjaar.

      In afwijking van lid 1 van dit artikel kan de moederonderneming besluiten de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie over dochterondernemingen die in de loop van het boekjaar de groep hebben verlaten niet op te nemen in het geconsolideerde bestuursverslag.

      Een moederonderneming die gebruikmaakt van de in de eerste of tweede alinea bedoelde mogelijkheden vermeldt elke significante gebeurtenis die de dochteronderneming tijdens het boekjaar heeft beïnvloed en die gevolgen heeft voor de effecten van de groep op, of de risico’s of opportuniteiten van de groep in verband met, duurzaamheidskwesties.”

      ;

    4. het volgende lid wordt ingevoegd:

      “7 bis.

      In afwijking van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat moederondernemingen die participatieondernemingen zijn met dochterondernemingen waarvan de bedrijfsmodellen en activiteiten onafhankelijk zijn van elkaar, ervoor kunnen kiezen de in lid 1 bedoelde informatie niet op te nemen in hun geconsolideerde bestuursverslag.”

      ;

    5. lid 9 wordt vervangen door:

      “9.

      De bij lid 8 verleende vrijstelling is ook van toepassing op organisaties van openbaar belang voor wie de vereisten van dit artikel gelden.”

      ;

  6. artikel 29 ter wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 worden de derde, vierde en zesde alinea geschrapt;

    2. in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

      “De duurzaamheidsrapporteringsstandaarden waarborgen de kwaliteit van de gerapporteerde informatie doordat erin wordt voorgeschreven dat de informatie begrijpelijk, relevant, verifieerbaar en vergelijkbaar moet zijn, en op een getrouwe wijze moet worden weergegeven. Onevenredige administratieve of financiële lasten voor ondernemingen worden vermeden, onder meer doordat in de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met het werk van wereldwijde initiatieven voor de vaststelling van duurzaamheidsrapporteringsstandaarden, zoals vereist op grond van lid 5, punt a), en door te zorgen voor zo veel mogelijk samenhang met de vereisten in andere rechtshandelingen van de Unie. In de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden wordt voor zover mogelijk prioriteit gegeven aan de openbaarmaking van kwantitatieve informatie, rekening houdend met de lasten voor ondernemingen en de behoeften van gebruikers.”

      ;

    3. in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:

      “Bij de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die ondernemingen kunnen ondervinden bij het verzamelen van informatie van actoren in hun hele waardeketen, met name van actoren die niet onderworpen zijn aan de in artikel 19 bis of artikel 29 bis vastgelegde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en van leveranciers in opkomende markten en economieën. De duurzaamheidsrapporteringsstandaarden specificeren informatieverschaffing over waardeketens die evenredig is aan en relevant is voor de capaciteit en de kenmerken van ondernemingen in waardeketens, alsook de schaal en complexiteit van de activiteiten, met name van ondernemingen die niet onderworpen zijn aan de in artikel 19 bis of artikel 29 bis van deze richtlijn vastgelegde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering. Duurzaamheidsrapporteringsstandaarden mogen geen specificaties bevatten over informatieverschaffing waarvoor ondernemingen van ondernemingen in hun waardeketen die op hun balansdatum een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, informatie zouden moeten verkrijgen die verder gaat dan de informatie die openbaar moet worden gemaakt op grond van de in artikel 29 quater bis bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik.”

      ;

  7. artikel 29 quater wordt geschrapt;

  8. het volgende artikel wordt ingevoegd:

    1.

    Om vrijwillige rapportering van duurzaamheidsinformatie door ondernemingen die op hun balansdatum een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het voorgaande boekjaar niet overschrijden, te bevorderen, en om de informatie die voor de toepassing van deze richtlijn kan worden vereist van dergelijke ondernemingen in de waardeketen te beperken, krijgt de Commissie de bevoegdheid om, door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 49, uiterlijk op 19 juli 2026 duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik vast te stellen.

    2.

    Onverminderd lid 3 van dit artikel zijn de in lid 1 van dit artikel bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik gebaseerd op Aanbeveling (EU) 2025/1710(*) van de Commissie in haar oorspronkelijke versie. Zij zijn tevens evenredig aan, en relevant voor, de capaciteiten en de kenmerken van de ondernemingen waarvoor zij zijn ontworpen, en de schaal en de complexiteit van hun activiteiten. Ook specificeren de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik, voor zover mogelijk, de structuur die voor het weergeven van dergelijke duurzaamheidsinformatie moet worden gevolgd.

    3.

    De Commissie evalueert ten minste om de vier jaar na de datum van toepassing ervan de in lid 1 bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik en wijzigt die zo nodig om voor de duurzaamheidsrapportering relevante ontwikkelingen in aanmerking te nemen.

    4.

    Bij de evaluatie van de duurzaamheidsrapporteringsstandaarden voor vrijwillig gebruik op grond van lid 3 houdt de Commissie rekening met het technische advies van Efrag.

  9. artikel 29 quinquies wordt vervangen door:

    1.

    Ondernemingen die moeten voldoen aan de vereisten van artikel 19 bis van deze richtlijn, stellen hun bestuursverslag op in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 van de Commissie(*) gespecificeerde elektronisch verslagleggingsformaat en markeren hun duurzaamheidsrapportering, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde openbaarmakingen, overeenkomstig het in die gedelegeerde verordening gespecificeerde elektronische verslagleggingsformaat. In afwachting van de vaststelling van die regels inzake markering door middel van de genoemde gedelegeerde verordening hoeven ondernemingen hun duurzaamheidsrapportering niet te markeren.

    2.

    Moederondernemingen die moeten voldoen aan de vereisten van artikel 29 bis stellen hun geconsolideerde bestuursverslag op in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 gespecificeerde elektronisch verslagleggingsformaat en markeren hun duurzaamheidsrapportering, met inbegrip van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde openbaarmakingen, overeenkomstig het in die gedelegeerde verordening gespecificeerde elektronische verslagleggingsformaat. In afwachting van de vaststelling van die regels inzake markering door middel van de genoemde gedelegeerde verordening hoeven moederondernemingen hun duurzaamheidsrapportering niet te markeren.

  10. het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

    De Commissie voorziet in een speciaal portaal via hetwelk ondernemingen toegang kunnen krijgen tot informatie, richtsnoeren en ondersteuning, met inbegrip van relevante modellen, met betrekking tot het kader voor verplichte en vrijwillige duurzaamheidsrapportering zoals bedoeld in deze richtlijn. Het portaal wordt gekoppeld aan de door de lidstaten aangeboden online steunmaatregelen, zodat rekening kan worden gehouden met de nationale context.

    Uiterlijk op 19 maart 2028 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over technologische oplossingen voor duurzaamheidsrapportering, met inbegrip van initiatieven die ondernemingen in staat zullen stellen gegevens op een veilige, naadloze en geautomatiseerde manier te verzamelen, te verwerken en uit te wisselen.”

    ;

  11. in artikel 33 wordt lid 1 vervangen door:

    “1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationale recht toegewezen bevoegdheden, collectief de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat de volgende documenten worden opgesteld en openbaar gemaakt overeenkomstig de eisen van deze richtlijn en, in voorkomend geval, op grond van de internationale standaarden voor jaarrekeningen die zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002, Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815, de in artikel 29 ter van deze richtlijn bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden en de vereisten van artikel 29 quinquies van deze richtlijn:

    1. de jaarlijkse financiële overzichten, het bestuursverslag en de verklaring inzake corporate governance indien deze afzonderlijk wordt opgesteld, en

    2. de geconsolideerde financiële overzichten, het geconsolideerde bestuursverslag en de geconsolideerde verklaring inzake corporate governance indien deze afzonderlijk wordt opgesteld.

    In afwijking van de eerste alinea van dit lid kunnen de lidstaten bepalen dat de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationale recht toegewezen bevoegdheden, niet collectief de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat het bestuursverslag, of geconsolideerde bestuursverslag, in voorkomend geval, wordt opgesteld overeenkomstig artikel 29 quinquies.”

    ;

  12. artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt de tweede alinea, punt a bis), vervangen door:

      1. indien van toepassing, op basis van een assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid een oordeel geven over de overeenstemming van de duurzaamheidsrapportering met de vereisten van deze richtlijn, waaronder de overeenstemming van de duurzaamheidsrapportering met de op grond van artikel 29 ter vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden, het door de onderneming uitgevoerde proces om de op grond van die duurzaamheidsrapporteringsstandaarden gerapporteerde informatie vast te stellen, en de naleving van het vereiste om de duurzaamheidsrapportering te markeren overeenkomstig artikel 29 quinquies, en over de naleving van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 bepaalde rapporteringsvereisten;”

      ;

    2. het volgende lid wordt ingevoegd:

      “2 bis.

      De lidstaten zien erop toe dat het in lid 1, tweede alinea, punt a bis), bedoelde oordeel wordt opgesteld met volledige eerbiediging van het recht van de ondernemingen in de waardeketen die op hun balansdatum een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het voorgaande boekjaar niet overschrijden, om te weigeren de rapporterende onderneming informatie te verstrekken die verder gaat dan die welke wordt gespecificeerd in de in artikel 29 quater bis bedoelde standaarden voor vrijwillig gebruik.”

      ;

  13. artikel 40 bis, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

    1. de tweede alinea wordt vervangen door:

      “De eerste alinea is alleen van toepassing op dochterondernemingen die, op hun balansdatum, een netto-omzet van 200 000 000 EUR over het voorgaande boekjaar overschrijden.”

      ;

    2. de vierde en de vijfde alinea worden vervangen door:

      “De in de derde alinea bedoelde regel is alleen van toepassing op een bijkantoor indien de onderneming uit het derde land geen dochteronderneming als bedoeld in de eerste alinea heeft en indien het bijkantoor in het voorgaande boekjaar een netto-omzet heeft behaald van meer dan 200 000 000 EUR.

      De eerste en de derde alinea zijn alleen van toepassing op de in die alinea’s bedoelde dochterondernemingen of bijkantoren indien de onderneming uit een derde land, op groepsniveau, of, indien niet van toepassing, op individueel niveau, in elk van de laatste twee opeenvolgende boekjaren in de Unie een netto-omzet van meer dan 450 000 000 miljoen EUR heeft behaald.”

      ;

    3. de volgende alinea wordt toegevoegd:

      “In afwijking van de eerste en derde alinea zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer de onderneming uit een derde land een participatieonderneming is met dochterondernemingen waarvan de bedrijfsmodellen en activiteiten onafhankelijk zijn van elkaar, de dochterondernemingen en bijkantoren kunnen besluiten het in de eerste en derde alinea bedoelde duurzaamheidsverslag niet te publiceren en toegankelijk te maken.”

      ;

  14. artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 2 wordt vervangen door:

      “2.

      De in artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, punt a), de artikelen 29 ter en 40 ter en artikel 46, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 5 januari 2023. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.”

      ;

    2. het volgende lid wordt ingevoegd:

      “2 bis.

      De in artikel 3, lid 13, punten b) en c), en in artikel 29 quater bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 18 maart 2026.”

      ;

    3. lid 3 wordt vervangen door:

      “3.

      Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, de artikelen 29 ter, 29 quater bis en 40 ter, en artikel 46, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”

      ;

    4. lid 3 ter wordt als volgt gewijzigd:

      1. in de eerste alinea wordt de inleidende formule vervangen door:

        “Bij de vaststelling van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 29 ter houdt de Commissie rekening met het technische advies van de Efrag, op voorwaarde dat:”

        ;

      2. de vierde alinea wordt vervangen door:

        “De Commissie raadpleegt de in artikel 24 van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde deskundigengroep van de lidstaten inzake duurzame financiering samen met het in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 bedoelde regelgevend comité voor financiële verslaggeving over de ontwerpen van gedelegeerde handelingen voordat de handelingen uit hoofde van artikel 29 ter van deze richtlijn worden vastgesteld.”

        ;

      3. de zesde alinea wordt vervangen door:

        “De Commissie raadpleegt tevens het Europees Milieuagentschap, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Europese Centrale Bank, het Comité van Europese auditorstoezichthouders en het platform voor duurzame financiën dat op grond van artikel 20 van Verordening (EU) 2020/852 is opgericht, over het door de Efrag verstrekte technische advies voordat de in artikel 29 ter van deze richtlijn bedoelde gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Wanneer een van die organen besluit een advies in te dienen, gebeurt dit binnen twee maanden na de datum waarop het door de Commissie is geraadpleegd.”

        ;

    5. lid 5 wordt vervangen door:

      “5.

      Een op grond van artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 13, artikel 29 ter, artikel 29 quater bis, artikel 40 ter of artikel 46, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

HOOFDSTUK 6 quater DIGITALE STEUNMAATREGELEN

De Commissie voorziet in een speciaal portaal via hetwelk ondernemingen toegang kunnen krijgen tot informatie, richtsnoeren en ondersteuning, met inbegrip van relevante modellen, met betrekking tot het kader voor verplichte en vrijwillige duurzaamheidsrapportering zoals bedoeld in deze richtlijn. Het portaal wordt gekoppeld aan de door de lidstaten aangeboden online steunmaatregelen, zodat rekening kan worden gehouden met de nationale context.

Uiterlijk op 19 maart 2028 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over technologische oplossingen voor duurzaamheidsrapportering, met inbegrip van initiatieven die ondernemingen in staat zullen stellen gegevens op een veilige, naadloze en geautomatiseerde manier te verzamelen, te verwerken en uit te wisselen.”

Artikel 3 Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2022/2464

Richtlijn (EU) 2022/2464 wordt als volgt gewijzigd:

  1. in artikel 5 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:

    1. de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

      1. in punt a) wordt de inleidende formule vervangen door:

        “voor boekjaren die tussen 1 januari 2024 en 31 december 2026 beginnen:”

        ;

      2. punt b) wordt als volgt gewijzigd:

        1. punt i) wordt vervangen door:

          1. op ondernemingen die op hun balansdatum een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden;”

          ;

        2. punt ii) wordt vervangen door:

          1. op moederondernemingen van een groep die op haar balansdatum, op geconsolideerde basis, een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijdt;”

          ;

      3. punt c) wordt geschrapt;

    2. de derde alinea wordt als volgt gewijzigd:

      1. in punt a) wordt de inleidende formule vervangen door:

        “voor boekjaren die tussen 1 januari 2024 en 31 december 2026 beginnen:”

        ;

      2. punt b) wordt als volgt gewijzigd:

        1. punt i) wordt vervangen door:

          1. op uitgevende instellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt d), van Richtlijn 2004/109/EG die ondernemingen zijn die op hun balansdatum een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden;”

          ;

        2. punt ii) wordt vervangen door:

          1. op uitgevende instellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt d), van Richtlijn 2004/109/EG die moederondernemingen zijn van een groep die op haar balansdatum, op geconsolideerde basis, een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijdt;”

          ;

      3. punt c) wordt geschrapt;

    3. de volgende alinea wordt toegevoegd:

      “In afwijking van punt a) van de eerste alinea en punt a) van de derde alinea kunnen de lidstaten ondernemingen of uitgevende instellingen die op geconsolideerde basis, indien van toepassing, een netto-omzet van 450 000 000 EUR of een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, vrijstellen van de naleving van de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 1, met uitzondering van punt 14, en aan artikel 2 voor de boekjaren die beginnen tussen 1 januari 2025 en 31 december 2026.”

      ;

  2. in artikel 6 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

    1. de punten b) en c) worden vervangen door:

      1. een beoordeling van het aantal ondernemingen dat vrijwillig gebruikmaakt van de in artikel 29 quater bis van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden;

      2. een beoordeling van de vraag of en de manier waarop het toepassingsgebied van de bij deze wijzigingsrichtlijn gewijzigde bepalingen moet worden uitgebreid, met name met betrekking tot grote ondernemingen die een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar niet overschrijden, alsook met betrekking tot ondernemingen uit derde landen die rechtstreeks actief zijn op de interne markt van de Unie zonder dochteronderneming of bijkantoor op het grondgebied van de Unie;”

      ;

    2. de tweede alinea wordt vervangen door:

      “Het verslag betreffende de punten a), b), d) en e) van de eerste alinea wordt uiterlijk op 30 april 2029 en vervolgens om de drie jaar gepubliceerd en gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen. Het verslag betreffende punt c) van de eerste alinea wordt uiterlijk op 30 april 2031 en vervolgens om de drie jaar gepubliceerd en gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.”.

Artikel 4 Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2024/1760

Artikel 5 Omzetting

Artikel 6 Inwerkingtreding

Artikel 7 Adressaten