Home

Uitvoeringsverordening (EU) 2026/1012 van de Commissie van 7 mei 2026 tot verlening van een vergunning voor L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten

Uitvoeringsverordening (EU) 2026/1012 van de Commissie van 7 mei 2026 tot verlening van een vergunning voor L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding(1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de redenen en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2) Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(3) De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride, waarbij is verzocht die toevoegingsmiddelen in te delen in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aminozuren, de zouten en de analogen daarvan” en in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”. De aanvrager heeft ook verzocht om een vergunning te verlenen voor het gebruik van de toevoegingsmiddelen in drinkwater. Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet echter niet in de verlening van een vergunning voor het gebruik van aromatische stoffen in drinkwater. Daarom mag het gebruik van die toevoegingsmiddelen in drinkwater niet worden toegestaan voor zover zij in de functionele groep “aromatische stoffen” zijn ingedeeld. De aanvrager heeft de aanvraag voor de verlening van een vergunning voor L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aminozuren, de zouten en de analogen daarvan” later ingetrokken.

(4) De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 17 september 2025(2) geconcludeerd dat L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden veilig zijn voor alle diersoorten en voor de consument en het milieu. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat L-cysteïne niet wordt beschouwd als irriterend voor de huid en de ogen, noch als huidallergeen. De stoffen L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride worden beschouwd als corrosief voor de ogen en als bijtend voor de luchtwegen, maar er kon geen conclusie worden getrokken over de vraag of zij irriterend voor de huid kunnen zijn. De EFSA heeft verder geconcludeerd dat, aangezien L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride en L-cysteïnehydrochloride-monohydraat als aromatische stoffen in levensmiddelen worden gebruikt, zij naar verwachting een soortgelijke functie in diervoeders kunnen hebben en dat de werkzaamheid ervan niet verder hoeft te worden aangetoond. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen achtte de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5) Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voldoen. Bijgevolg moet het gebruik van die stoffen voor alle diersoorten worden toegestaan. Daarnaast is de Commissie van oordeel dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers van de toevoegingsmiddelen te voorkomen.

(6) De Commissie is van oordeel dat er geen veiligheidsredenen zijn om maximumgehalten voor L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat en L-cysteïnehydrochloride vast te stellen. Om een betere controle mogelijk te maken, moet het aanbevolen maximumgehalte op het etiket van de toevoegingsmiddelen worden vermeld. In gevallen waarin het aanbevolen maximumgehalte wordt overschreden, moet bepaalde informatie op het etiket van de betrokken voormengsels worden vermeld.

(7) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Vergunningverlening

Voor de in de bijlage gespecificeerde stoffen, die behoren tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding verleend.

Artikel 2 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 mei 2026.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula von der Leyen

BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van het toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen

2b92457

L-Cysteïne

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

L-Cysteïne

Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stof:

L-Cysteïne

Zuiverheid: minimaal 98 % op basis van de droge stof

Geproduceerd door elektrochemische reductie van L-cystine (geproduceerd door Escherichia coli DSM 34232)

IUPAC-benaming: (2R)-2-amino-3-sulfanylpropaanzuur

Chemische formule: C3H7NO2S

CAS-nummer: 52-90-4

Flavis-nummer: 17.033

Analysemethoden(1)

Voor de identificatie van L-cysteïnemonohydrochloride in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

  • monografie van de Food Chemical Codex over L-cysteïnemonohydrochloride

Voor de bepaling van cysteïne in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

  • ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS/FLD)

Voor de bepaling van cysteïne in voormengsels:

  • ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS) — Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie(2)

Alle diersoorten

  1. Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

  2. In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

  3. Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld: “Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg.”.

  4. De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel vermelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van het in punt 3 vermelde gehalte.

28 mei 2036

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van het toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen

2b17032

L-cysteïnehydrochloride

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-cysteïnehydrochloride

Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stof

L-cysteïnehydrochloride

Zuiverheid: minimaal 98,5 % op basis van de droge stof

Geproduceerd door elektrochemische reductie van L-cystine (geproduceerd door Escherichia coli DSM 34232)

IUPAC-benaming: (2R)-2-amino-3-sulfanylpropaanzuur; hydrochloride

Chemische formule: C3H8ClNO2S

CAS-nummer: 52-89-1

Flavis-nummer: 17.032

Analysemethoden(1)

Voor de identificatie van L-cysteïnemonohydrochloride in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

  • monografie van de Food Chemical Codex over L-cysteïnemonohydrochloride

Voor de bepaling van cysteïne in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

  • ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS/FLD)

Voor de bepaling van cysteïne in voormengsels:

  • ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS) — Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie

Alle diersoorten

  1. Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

  2. In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

  3. Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld: “Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg.”.

  4. De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel vermelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van het in punt 3 vermelde gehalte.

  5. Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om de mogelijke risico’s bij het gebruik ervan te ondervangen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen, de huid en de ogen worden gebruikt.

28 mei 2036

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van het toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen

2b920i

L-cysteïnehydrochloride-monohydraat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-cysteïnehydrochloride-monohydraat Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stof

L-cysteïnehydrochloride-monohydraat

Zuiverheid: minimaal 98,5 % op basis van de droge stof

Geproduceerd door elektrochemische reductie van L-cystine (geproduceerd door Escherichia coli DSM 34232)

IUPAC-benaming: (2R)-2-amino-3-sulfanylpropaanzuur; hydraat; hydrochloride

Chemische formule: C3H8ClNO2S·H2O

CAS-nummer: 7048-04-6

Flavis-nummer: 17.032

Analysemethoden(1)

Voor de identificatie van L-cysteïnemonohydrochloride in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

  • monografie van de Food Chemical Codex over L-cysteïnemonohydrochloride

Voor de bepaling van cysteïne in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

  • ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS/FLD)

Voor de bepaling van cysteïne in voormengsels:

  • ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS) — Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie

Alle diersoorten

  1. Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

  2. In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

  3. Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld: “Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg.”.

  4. De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel vermelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van het in punt 3 vermelde gehalte.

  5. Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om de mogelijke risico’s bij het gebruik ervan te ondervangen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen, de huid en de ogen worden gebruikt.

28 mei 2036