Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD VOOR DE OPRICHTING VAN EEN PROEFPROJECT BETREFFENDE EEN SATELLIETVOLGSYSTEEM IN HET GEREGLEMENTEERDE GEBIED VAN NAFO
Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD VOOR DE OPRICHTING VAN EEN PROEFPROJECT BETREFFENDE EEN SATELLIETVOLGSYSTEEM IN HET GEREGLEMENTEERDE GEBIED VAN NAFO
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad voor de invoering van een proefproject betreffende een satellietvolgsysteem in het gereglementeerde gebied van de NAFO
(96/C 41/10)
COM(95) 620 def. - 95/0318(CNS)
(Door de Commissie ingediend op 7 december 1995)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 43,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende dat de Overeenkomst inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan door de Raad werd goedgekeurd bij Verordening (EEG) nr. 3179/78 (1) en in werking is getreden op 1 januari 1979;
Overwegende dat, met het oog op de verbetering van de controle en de handhaving ervan in het gereglementeerde gebied van de NAFO, de Gemeenschap, in het kader van de visserijovereenkomst met Canada, ermee heeft ingestemd om satellietvolgsystemen te installeren op 35 % van de Gemeenschapsvaartuigen die visserijactiviteiten uitoefenen in het vermelde gereglementeerde gebied van de NAFO;
Overwegende dat op 15 september 1995 de NAFO-Visserijcommissie een voorstel tot invoering van een satellietvolgsysteem heeft aangenomen;
Overwegende dat volgens artikel VI van de NAFO-overeenkomst het voorstel, als er geen bezwaar wordt gemaakt, een bindende maatregel zal worden voor de verdragspartners vanaf 15 november 1995;
Overwegende dat het programma voor de Gemeenschap aanvaardbaar is;
Overwegende dat er maatregelen moeten worden genomen om bepalingen vast te stellen voor de uitvoering van dit programma;
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De Lid-Staten installeren op ten minste 35 % van de vaartuigen die hun vlag voeren en in het gereglementeerde gebied vissen, een satellietvolgsysteem, overeenkomstig de in de bijlage vermelde voorschriften en methoden.
Artikel 2
Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 1996.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
(1) PB nr. L 378 van 30. 12. 1978, blz. 1.
BIJLAGE
1. Elke Lid-Staat wijst de instantie aan die bevoegd is voor de uitvoering van de experimentele regeling voor een satellietvolgsysteem. De Lid-Staat deelt de Commissie uiterlijk zeven dagen na de inwerkingtreding van deze verordening de naam, het adres, het telefoonnummer en het faxnummer van deze instantie mede.
2. Elke Lid-Staat doet al het nodige om ervoor te zorgen dat de in punt 1 bedoelde bevoegde instantie wordt uitgerust met de computerinstallaties die nodig zijn om de gegevens te verwerken die worden verzonden door of ontvangen van de vissersvaartuigen die met een satellietvolgsysteem zijn uitgerust.
3. Het in artikel 1 bedoelde satellietvolgsysteem moet voorzien in automatische doorzending, om het uur, van de gegevens betreffende de positie van het vaartuig dat ermee is uitgerust, met een positiefout van minder van 500 m en een betrouwbaarheidsinterval van 99 %, alsmede van de datum en het tijdstip van de betrokken positiebepaling, naar de bevoegde instantie van de vlaggestaat en de Commissie.
4. De in punt 2 bedoelde installaties moeten het mogelijk maken de positie van de vaartuigen die de vlag van de betrokken Lid-Staten voeren, continu te volgen, in alle maritieme wateren en in alle havens waar zij zich bevinden. Zij moeten het voor de Lid-Staat waarvan zij de vlag voeren, mogelijk maken om, ongeacht het systeem dat wordt gebruikt,
a) de in punt 3 bedoelde gegevens te verzamelen, te verwerken, te registreren en te centraliseren in voor een computer bruikbare vorm;
b) de door zijn vaartuig medegedeelde of geregistreerde gegevens automatisch door te zenden naar de Commissie.
5. Elke Lid-Staat verstrekt de Commissie, uiterlijk zeven dagen nadat deze verordening in werking is getreden, de volgende gegevens:
a) het aantal betrokken vaartuigen en hun technische beschrijving (intern vlootregisternummer, naam, extern identificatienummer, lengte, tonnage, motorvermogen, radio-oproepletters, vaartuigtype);
b) de technische kenmerken van de in de punten 2 en 3 bedoelde installaties.
6. De Lid-Staten houden de Commissie geregeld op de hoogte van de uitvoering van hun experimentele regeling.
7. Indien een vaartuig aan de vloot moet worden toegevoegd of onttrokken of moet worden vervangen, of indien de gegevens betreffende een vaartuig moeten worden gewijzigd, wordt dit door de Lid-Staat waarvan het betrokken vaartuig de vlag voert, aan de Commissie gemeld.
8. De Commissie werkt samen met de andere verdragsluitende partijen die een inspectievaartuig of -vliegtuig in het NAFO-verdragsgebied hebben, met het oog op de onvertraagde uitwisseling van informatie over de positie van de vissersvaartuigen met satellietvolgapparatuur en, wanneer hierom uitdrukkelijk wordt verzocht, informatie betreffende de identificatie van een vaartuig.
9. De gegevens die in het kader van het bepaalde in punt 3 worden medegedeeld of verkregen in om het even welke vorm, vallen onder het beroepsgeheim en genieten dezelfde bescherming als die welke voor soortgelijke gegevens geldt op grond van het nationale recht van de Lid-Staten die ze ontvangen en van de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de Instellingen van de Gemeenschap.
10. Iedere Lid-Staat betaalt alle aan het satellietvolgsysteem verbonden kosten.
11. De Commissie stelt een verslag op over de resultaten van de experimentele regeling uit een oogpunt van doelmatigheid en doeltreffendheid, en behandelt daarin met name:
a) de globale doeltreffendheid van de regeling wat betreft een betere naleving van de Conservation and Enforcement Measures van de NAFO;
b) de doeltreffendheid van de verschillende onderdelen van de regeling;
c) aan het satellietvolgsysteem verbonden kosten;
d) ramingen van de visserij-inspanning door de waarnemers, vergeleken met de aanvankelijke raming op grond van satellietwaarneming;
e) de kosten/batenanalyse, waarbij de naleving van de regels en de omvang van de gegevens die voor het visserijbeheer zijn verzameld, als baten worden aangemerkt.
De Commissie mag de Lid-Staat in dit verband verzoeken haar alle relevante informatie te verstrekken.
12. Het verslag moet tijdig bij de uitvoerend secretaris van de NAFO worden ingediend om te kunnen worden behandeld in de jaarlijkse vergadering van de NAFO in september 1997.