Voor de toepassing van deze richtlijn:
-
wordt de hoedanigheid van moedermaatschappij ten minste toegekend aan iedere vennootschap van een lidstaat die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en die een deelneming van ten minste 25 % bezit in het kapitaal van een vennootschap van een andere lidstaat die aan dezelfde voorwaarden voldoet;
-
wordt verstaan onder ‚dochteronderneming’, de vennootschap in het kapitaal waarvan de sub a bedoelde deelneming wordt gehouden.