De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten, of delen daarvan, uit derde landen wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontwijking wordt geacht plaats te vinden, wanneer de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap zich wijzigt als gevolg van een praktijk, een proces of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, geen voldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en wordt bewezen dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van de soortgelijke producten, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 4 juni 2009.
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 4 juni 2009.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 4 juni 2009
Uitspraak
Arrest van het Hof (Tweede kamer)
4 juni 2009(*)
"Communautair douanewetboek - Verordening (EG) nr. 384/96 - Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van Europese Gemeenschap - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Bescherming van financiële belangen van Europese Gemeenschappen - Verwerking onder regeling actieve veredeling - Onregelmatige praktijk"
Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Trieste
tegenPometon SpA,
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-C. Bonichot (rapporteur), J. Makarczyk, P. Kūris en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2009,
gelet op de opmerkingen van:
-
Pometon SpA, vertegenwoordigd door E. Volli en F. Trevisan, avocats,
-
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. Bruni als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio, avvocato dello Stato,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Vliet, E. Righini en S. Schønberg als gemachtigden,
-
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), en van de artikelen 4, 114 en volgende, 202, 204, 212 en 214 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Trieste (douanekantoor te Triëst) en Pometon SpA betreffende de onder een regeling actieve veredeling aangegeven invoer van staven ruw magnesium van oorsprong en herkomst uit China.
Gemeenschapsregeling
3 Artikel 13 van verordening nr. 384/96, in de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende versie ervan, bepaalde:
„1.2.Assemblage in de Gemeenschap of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer:
de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en
de delen 60% of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25% van de fabricagekosten bedraagt, en
de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.
3.Een onderzoek op grond van dit artikel wordt geopend indien het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat betreffende de in lid 1 genoemde factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie geeft de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden afgesloten. Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad met een gewone meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie het daartoe strekkende besluit, dat geldig is vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie van de goederen of zekerheidstelling is geëist. De desbetreffende procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.
[…]”
4 Artikel 114 van het communautair douanewetboek luidt als volgt:
„1.Onverminderd artikel 115, kunnen in het douanegebied van de Gemeenschap onder de regeling actieve veredeling de volgende goederen een of meer veredelingshandelingen ondergaan:
niet-communautaire goederen die bestemd zijn om in de vorm van veredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen onderworpen zijn;
in het vrije verkeer gebrachte goederen, waarbij de voor deze goederen geldende rechten bij invoer worden terugbetaald of kwijtgescholden indien zij in de vorm van veredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd.
2.Er wordt verstaan onder:
systeem inzake schorsing: de regeling actieve veredeling in de in lid 1, sub a, bedoelde vorm;
[…]”
5 Artikel 551, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), in de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende versie ervan, preciseerde voorts:
„Een vergunning voor het systeem inzake schorsing wordt slechts verleend wanneer de aanvrager het reële voornemen heeft hoofdveredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap weder uit te voeren. Gebruikmaking van dit systeem kan dan voor alle te veredelen goederen worden toegestaan.”
6 Artikel 4, lid 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1), bepaalt:
„Wanneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, wordt, naar gelang van het geval, dit voordeel niet toegekend of wordt het ontnomen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
7 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Pometon SpA tussen eind 1998 en 2001 staven ruw magnesium van oorsprong en herkomst uit China gekocht van de met haar gelieerde vennootschap Pometon doo, die is opgericht in 1998 en gevestigd is te Sezana (Slovenië). De invoer van deze goederen in de Gemeenschap zou hebben geleid tot toepassing van een antidumpingrecht krachtens verordening (EG) nr. 2402/1998 van de Raad van 3 november 1998 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopig ingestelde recht (PB L 298, blz. 1). Deze import vond plaats in het kader van loonveredelingscontracten met Pometon doo, de in een derde land gevestigde opdrachtgever. Pometon SpA heeft verzocht om op deze goederen de regeling actieve veredeling met een wachttijd van zes maanden toe te passen, en deze regeling verkregen. De betrokken goederen zijn door Pometon SpA verwerkt tot magnesiumkorrels, waarvoor geen antidumpingrecht geldt, en via de grensovergang Fernetti (Italië) weer uitgevoerd.
8 De verwijzingsbeslissing geeft aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen de Sloveense vestiging evenwel nooit bereikten, maar louter werden opgeslagen op een autostandplaats, en weer in Italië werden ingevoerd als producten die door Pometon doo werden verkocht aan Pometon SpA. Deze beslissing vermeldt voorts dat uit de verrichte onderzoeken is gebleken dat circa 87% van het door Pometon SpA uitgevoerde product onmiddellijk weer in Italië werd ingevoerd en op de Europese markt werd afgezet.
9 Gelet op een en ander heeft de Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Trieste geoordeeld dat het bij de onder de regeling actieve veredeling aangegeven tijdelijke invoer van staven ruw magnesium van oorsprong en herkomst uit China in werkelijkheid om een definitieve invoer van deze producten ging. De Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Trieste heeft dan ook naheffingsaanslagen opgelegd, waartegen Pometon SpA beroep heeft ingesteld. Dit beroep is door de Commissione tributaria provinciale di Trieste toegewezen.
10 De Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Trieste heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, waartegen Pometon SpA incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. In die context heeft de Commissione tributaria regionale di Trieste de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
Kan op goede gronden worden aangenomen dat de regeling actieve veredeling, zoals toegepast door Pometon SpA, inbreuk maakt op de beginselen van het douanebeleid van de Gemeenschap, en met name op de beginselen van de algemene en specifieke antidumpingregeling alsmede die van het communautair douanewetboek […]? Moet met name artikel 13 van verordening (EG) nr. 384/[96] worden uitgelegd als een beginsel van algemene strekking dat geldt als een algemene bepaling van de communautaire rechtsorde die niet alleen rechtstreeks werkt bij de oplegging van het antidumpingrecht, maar ook in de verhouding tussen nationale autoriteiten en belastingplichtigen? Kan dit artikel bijvoorbeeld worden ingeroepen bij een controle door de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 4, punt 14, van het communautair douanewetboek […][?]
Kan artikel 13 van verordening (EG) nr. 384/[96], inzake ontwijking van de antidumpingregeling, in samenhang met de artikelen 114 en volgende van het communautair douanewetboek […], inzake actieve veredeling, en met de artikelen 202, 204, 212 en 214, inzake het ontstaan van een douaneschuld, aldus worden uitgelegd dat het opleggen van een antidumpingrecht voor een product niet is uitgesloten in geval van een constructie waarbij het product wordt verkregen van een justitiabele met de nationaliteit van een land waarvoor geen antidumpingrecht geldt, die het op zijn beurt heeft verkregen uit een land waarvoor die maatregel wel geldt, en het zonder het op enige wijze te wijzigen tijdelijk onder de regeling actieve veredeling naar de Gemeenschap uitvoert en het na behandeling weer invoert, maar voorlopig en slechts voor enkele uren, en het onmiddellijk weer terugverkoopt aan dezelfde vennootschap uit het gemeenschapsland die de actieve veredeling had verzorgd[?]
[…] Kan de nationale rechter, bij gebreke van communautaire sanctiebepalingen (die deze rechter niet heeft gevonden), in geval van aangenomen en bewezen schending van bovengenoemde beginselen van gemeenschapsrecht, voorschriften van de eigen rechtsorde toepassen die het mogelijk maken, als aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, overeenkomsten tot actieve veredeling en verkoop van het veredelingsproduct nietig te verklaren, zoals de artikelen 1343 (ongeoorloofde oorzaak), 1344 (wetsontduiking) en 1345 (ongeoorloofde beweegreden) van de Codice civile (Italiaans burgerlijk wetboek) en de artikelen 1414 en volgende van dat wetboek inzake schijnhandelingen[?]
[…] Is de hierboven beschreven transactie, eventueel om andere door het Hof te noemen redenen of op grond van andere door het Hof te noemen uitleggingscriteria, in overeenstemming met de regeling actieve veredeling of schendt zij inderdaad de door het Hof te noemen douanebeginselen inzake de toepassing van het antidumpingrecht, indien zij is opgezet om het antidumpingrecht te ontduiken[?]
[…] Vormt deze transactie, eventueel om andere door het Hof te noemen redenen of op grond van andere door het Hof te noemen uitleggingscriteria, een definitieve invoer van producten waarvoor een antidumpingrecht geldt[?]”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
11 Pometon SpA betoogt in wezen dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn, op grond dat zij ertoe strekken van het Hof een juridisch advies en niet een uitlegging van het gemeenschapsrecht te verkrijgen, zij aan een rechterlijke instantie zijn voorgelegd die niet bevoegd is om kennis ervan te nemen, en de nationale rechterlijke instantie noch de voorschriften van het gemeenschapsrecht waarvan zij om uitlegging verzoekt, noch de algemene beginselen waarnaar zij verwijst, heeft aangegeven.
12 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
13 Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechterlijke instantie slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie in die zin arrest van 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C-222/05–C-225/05, Jurispr. blz. I-4233, punt 22 en aangehaalde rechtspraak).
14 In casu blijkt niet dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met het gemeenschapsrecht, waardoor het Hof onbevoegd zou zijn om er kennis van te nemen, of dat de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Bovendien zijn de gegevens, feitelijk en rechtens, waarover het Hof dient te beschikken om een zinvol antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven, in de verwijzingsbeslissing uiteengezet. Deze beslissing vermeldt voorts de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht.
15 Bijgevolg zijn de prejudiciële vragen ontvankelijk.
Eerste en tweede vraag
16 Met haar eerste en tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen van het Hof te vernemen in hoeverre de bepalingen van artikel 13 van verordening nr. 384/96 van toepassing zijn op een geschil als aan de orde in het hoofdgeding.
17 Artikel 13, lid 3, van verordening nr. 384/96 bepaalt dat ingeval er voldoende bewijsmateriaal inzake de ontwijking van antidumpingrechten bestaat, de beslissing van de Commissie om een onderzoek te openen wordt genomen door de vaststelling van een verordening. Wanneer dit onderzoek leidt tot definitieve vaststelling van de feiten die rechtvaardigen dat de toepassing van de antidumpingrechten wordt uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten, of delen daarvan, uit derde landen, neemt de Raad met gewone meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie het besluit tot die uitbreiding.
18 In casu volstaat de vaststelling dat er geen verordening van de Commissie is geweest waarbij tot opening van een onderzoek is besloten, net zo min als een besluit van de Raad tot uitbreiding van de toepassing van de antidumpingrechten.
19 Hieruit volgt dat de bepalingen van artikel 13 van verordening nr. 384/96 hoe dan ook niet van toepassing zijn op het hoofdgeding, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of de formulering van bedoeld artikel 13, lid 1, in de op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding geldende versie ervan, de door Pometon SpA uitgevoerde verrichtingen dekte.
20 Bijgevolg moeten de eerste en de tweede vraag aldus worden beantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 384/96 niet van toepassing is bij gebreke van een op voorstel van de Commissie genomen besluit van de Raad om de toepassing van de antidumpingrechten uit te breiden tot de invoer van soortgelijke producten, of delen daarvan, uit derde landen.
Derde tot en met vijfde vraag
21 Met de derde tot en met de vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen of als een definitieve invoer in het douanegebied van de Gemeenschap moet worden aangemerkt, een verrichting waarbij een vennootschap onder de regeling actieve veredeling goederen invoert die binnen de werkingssfeer van antidumpingrechten vallen, deze goederen verwerkt tot een product dat niet aan antidumpingrechten is onderworpen en ze vervolgens uitvoert naar een met haar gelieerde, in een naburige derde staat gevestigde vennootschap, die de betrokken goederen op haar beurt naar de Gemeenschap uitvoert door ze opnieuw aan eerstgenoemde vennootschap te verkopen.
22 Volgens artikel 114 van het communautair douanewetboek kunnen onder de regeling actieve veredeling in het douanegebied van de Gemeenschap veredelingshandelingen ondergaan niet-communautaire goederen die bestemd zijn om vervolgens in de vorm van veredelingsproducten te worden wederuitgevoerd. De goederen in kwestie ondergaan door deze handelingen een „veredeling”, dat wil zeggen, inzonderheid, een verwerking. De wederuitgevoerde goederen worden „veredelingsproducten” genoemd.
23 De wederuitvoer van de goederen in de vorm van veredelingsproducten buiten het douanegebied van de Gemeenschap vormt een voorwaarde voor de toepassing van de regeling actieve veredeling. Deze regeling kan dus enkel rechtmatig worden toegepast indien de goederen daadwerkelijk bestemd zijn om uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, zoals wordt bevestigd door voornoemde bepalingen van artikel 551, lid 1, van verordening nr. 2454/93, volgens welke de aanvrager van deze regeling „het reële voornemen [moet hebben] [de betrokken goederen] uit het douanegebied van de Gemeenschap weder uit te voeren”.
24 Actieve veredeling heeft immers blijkens het geheel van voorschriften waaraan zij is onderworpen tot doel, van douanerechten enkel vrij te stellen de goederen die slechts tijdelijk in het communautaire douanegebied worden gebracht om er te worden bewerkt, hersteld of verwerkt, en daarna weer te worden uitgevoerd, waardoor wordt voorkomen dat de economische activiteit van de landen van de Gemeenschap wordt benadeeld.
25 Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat een praktijk zoals die welke in punt 8 van het onderhavige arrest is beschreven, waarbij goederen louter over de grens worden gebracht, zonder dat het werkelijk de bedoeling is ze weer uit te voeren, waarna zij kort nadien weer worden ingevoerd, in strijd is met de doelstelling van de regeling actieve veredeling en afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de gemeenschapsregeling.
26 Het staat enkel aan de verwijzende rechterlijke instantie om te verifiëren of de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding, een dergelijke onregelmatigheid opleveren.
27 Met betrekking tot de gevolgen die aan de vaststelling van een dergelijke onregelmatigheid moeten worden verbonden, bepaalt artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2988/95, dat een algemene strekking heeft, dat „[w]anneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, […] naar gelang van het geval, dit voordeel niet [wordt] toegekend of […] het [wordt] ontnomen”.
28 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de verplichting om een door een onregelmatige praktijk ten onrechte ontvangen voordeel terug te betalen, niet in strijd met is het legaliteitsbeginsel. Deze verplichting vormt immers geen sanctie, maar is het loutere gevolg van de vaststelling dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het uit de gemeenschapsregeling voortvloeiende voordeel, kunstmatig zijn gecreëerd, zodat het ontvangen voordeel niet verschuldigd was en dus moeten worden terugbetaald (zie in die zin arrest van 14 december 2000, Emsland-Stärke, C-110/99, Jurispr. blz. I-11569, punt 56).
29 Evenzo dient de importeur die zich op onregelmatige wijze onder de regeling actieve veredeling heeft geplaatst en er het voordeel van heeft genoten door kunstmatig de voor de toepassing van deze regeling vereiste voorwaarden te creëren, de rechten over de betrokken producten te betalen, onverminderd, in voorkomend geval, de door de nationale wetgeving voorziene bestuurlijke, civiele of strafrechtelijke sancties.
30 Bijgevolg moeten de derde tot en met de vijfde vraag aldus worden beantwoord dat een verrichting waarbij goederen louter over de grens worden gebracht nadat deze goederen tot niet aan antidumpingrechten onderworpen producten zijn verwerkt, zonder dat het werkelijk de bedoeling is ze weer uit te voeren, waarna zij kort nadien weer worden ingevoerd, niet rechtmatig onder de regeling actieve veredeling kan worden gebracht. De importeur die zich op onregelmatige wijze onder deze regeling heeft geplaatst en er het voordeel van heeft genoten, dient de rechten over de betrokken producten te betalen, onverminderd, in voorkomend geval, de door de nationale wetgeving voorziene bestuurlijke, civiele of strafrechtelijke sancties. Het staat aan de bevoegde nationale rechterlijke instantie om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichting tegen de achtergrond van de hierboven in herinnering geroepen overwegingen als onverenigbaar met het gemeenschapsrecht moet worden beschouwd.
Kosten
31 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
-
Artikel 13 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, is niet van toepassing bij gebreke van een op voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen genomen besluit van de Raad van de Europese Unie om de toepassing van de antidumpingrechten uit te breiden tot de invoer van soortgelijke producten, of delen daarvan, uit derde landen.
-
Een verrichting waarbij goederen louter over de grens worden gebracht nadat deze goederen tot niet aan antidumpingrechten onderworpen producten zijn verwerkt, zonder dat het werkelijk de bedoeling is ze weer uit te voeren, waarna zij kort nadien weer worden ingevoerd, kan niet rechtmatig onder de regeling actieve veredeling worden gebracht. De importeur die zich op onregelmatige wijze onder deze regeling heeft geplaatst en er het voordeel van heeft genoten, dient de rechten over de betrokken producten te betalen, onverminderd, in voorkomend geval, de door de nationale wetgeving voorziene bestuurlijke, civiele of strafrechtelijke sancties. Het staat aan de bevoegde nationale rechterlijke instantie om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichting als onverenigbaar met het gemeenschapsrecht moet worden beschouwd.
ondertekeningen