Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2025
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2025
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 december 2025
Uitspraak
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
11 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen – Migrerende werknemers – Sociale zekerheid – Toepasselijke wetgeving – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 11 – Artikel 13, lid 1 – Verordening (EG) nr. 987/2009 – Artikel 14, lid 8 – Werknemer die werkzaamheden in loondienst verricht op het grondgebied van verschillende staten, waaronder een lidstaat, de Zwitserse Bondsstaat en derde landen – Begrip ‚substantieel gedeelte van de werkzaamheden’ – Inaanmerkingneming van in derde landen verrichte werkzaamheden ”
In zaak C‑743/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landessozialgericht für das Saarland (rechter van de deelstaat Saarland, bevoegd in socialezekerheidszaken, Duitsland) bij beslissing van 15 november 2023, ingekomen bij het Hof op 4 december 2023, in de procedure
A
tegen
GKV‑Spitzenverband,
in tegenwoordigheid van:
Moguntia Food Group AG,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 maart 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– A, vertegenwoordigd door M. Blum, Rechtsanwältin,
– GKV‑Spitzenverband, vertegenwoordigd door C. Donus als gemachtigde,
– Moguntia Food Group AG, vertegenwoordigd door V. Ohlekopf en M. Schwind, Rechtsanwälte,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, C. Jacob en L. Van den Broeck als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en B.‑R. Killmann als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB 2012, L 149, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd”), gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening [nr. 883/2004] (PB 2009, L 284, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012 (hierna: „verordening nr. 987/2009”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A en GKV‑Spitzenverband (federaal verbond van verplichte ziekenfondsen, Duitsland) over het besluit van deze laatste om aan A een A1‑formulier af te geven waaruit blijkt dat hij voor het tijdvak van 1 december 2015 tot en met 31 december 2020 onder het Duitse socialezekerheidsstelsel viel.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Op 21 juni 1999 hebben de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat zeven overeenkomsten gesloten, waaronder de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (PB 2002, L 114, blz. 6), die met name is gewijzigd bij besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen van 31 maart 2012 tot vervanging van bijlage II bij die overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2012, L 103, blz. 51; hierna: „OVVP”).
4 Artikel 8 OVVP, met als opschrift „Coördinatie van de stelsels voor sociale zekerheid”, luidt als volgt:
„De overeenkomstsluitende partijen coördineren overeenkomstig bijlage II hun stelsels voor sociale zekerheid, met name met het oog op:
[...]
b) vaststelling van de toepasselijke wetgeving;
[...]”
5 Bijlage II („Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels”) bij de OVVP bepaalt in artikel 1:
„1. De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de rechtshandelingen van de Europese Unie toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij deel A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels.
2. In de in deel A van deze bijlage genoemde rechtshandelingen omvat de uitdrukking ‚lidstaat/lidstaten’ niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende rechtshandelingen van de Europese Unie, maar tevens Zwitserland.”
6 Deel A („Rechtshandelingen waarnaar wordt verwezen”) van bijlage II bij de OVVP omvat met name verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009, die in de plaats zijn gekomen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).
Unierecht
Verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd
7 De overwegingen 1, 3 en 45 van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, luiden als volgt:
„(1) De voorschriften ter coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels behoren tot de regelingen betreffende het vrije verkeer van personen en moeten bijdragen aan de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden.
[...]
(3) Verordening [nr. 1408/71] is diverse keren gewijzigd en bijgewerkt, om rekening te houden met de ontwikkelingen op communautair niveau, waaronder de uitspraken van het Hof van Justitie, en daarnaast met de wijzigingen in de nationale wetgevingen; mede als gevolg daarvan zijn de coördinatievoorschriften van de Gemeenschap complex en lang geworden; het is derhalve essentieel deze voorschriften te vervangen, en tegelijk te moderniseren en te vereenvoudigen, om de doelstelling van het vrije verkeer van personen te bereiken.
[...]
(45) Aangezien de doelstelling van het voorgenomen optreden, namelijk coördinerende maatregelen om te waarborgen dat het recht van vrij verkeer van personen daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van dit optreden, beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen treffen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. [...]”
8 Titel II („Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”) van deze verordening, die in de plaats komt van titel II van verordening nr. 1408/71, bevat de artikelen 11 tot en met 16 van deze verordening.
9 Artikel 11 („Algemene regels”) van deze verordening bepaalt:
„1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
[...]
3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
b) geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;
c) geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat;
d) geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.
4. Voor de toepassing van deze titel worden al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in die lidstaat. Niettemin geldt voor degene die werkzaamheden in loondienst verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt betaald door een onderneming of een persoon die zijn zetel of domicilie in een andere lidstaat heeft, de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat, indien hij zijn woonplaats in die lidstaat heeft. De onderneming of de persoon die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werkgever aangemerkt.”
10 Artikel 12 („Bijzondere regels”) van die verordening bepaalt:
„1. Degene die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht, en die door deze werkgever wordt gedetacheerd om voor zijn rekening werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten, blijft onderworpen aan de wetgeving van de eerstbedoelde lidstaat, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan 24 maanden bedraagt en de betrokkene niet wordt uitgezonden om een andere gedetacheerde persoon te vervangen.
2. Op degene die in een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten en werkzaamheden van gelijke aard in een andere lidstaat gaat verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat van toepassing, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan vierentwintig maanden bedraagt.”
11 Artikel 13 („Verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten”) van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of
b) indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:
i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever, of
ii) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de ondernemingen of de werkgevers zich bevindt, indien hij in dienst is van twee of meer ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie in slechts één lidstaat hebben, of
iii) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, niet zijnde de lidstaat waar hij woont, indien hij in dienst is van twee of meer ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben in twee lidstaten, waarvan één de lidstaat is waar de betrokkene woont, of
iv) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij in dienst is van twee of meer ondernemingen of werkgevers, waarvan ten minste twee hun zetel of domicilie in verschillende lidstaten hebben, niet zijnde de lidstaat waar de betrokkene woont.
2. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht,
of
b) de wetgeving van de lidstaat waar zich het centrum van belangen van zijn werkzaamheden bevindt, indien hij niet woont in een van de lidstaten waar hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.”
12 Artikel 76 („Samenwerking”) van deze verordening bepaalt in lid 4:
„De organen en de personen die onder deze verordening vallen, zijn met het oog op de goede toepassing van deze verordening verplicht elkaar inlichtingen te verstrekken en samen te werken.
[...]”
Verordening nr. 987/2009
13 Artikel 14, leden 5 tot en met 11, van verordening nr. 987/2009 bepaalt het volgende:
„5. Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, van [verordening nr. 883/2004] wordt onder degene die ‚in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten’ verstaan, iemand die gelijktijdig of afwisselend, voor dezelfde onderneming of werkgever of voor verschillende ondernemingen of werkgevers, op het grondgebied van twee of meer lidstaten één of meer afzonderlijke werkzaamheden uitoefent.
[...]
6. Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, van [verordening nr. 883/2004] wordt onder degene die ‚in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten’ met name verstaan, iemand die gelijktijdig of afwisselend op het grondgebied van twee of meer lidstaten een of meer afzonderlijke werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, ongeacht de aard van deze anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden.
7. Ten behoeve van het onderscheid tussen de in de leden 5 en 6 bedoelde werkzaamheden en de in artikel 12, leden 1 en 2, van [verordening nr. 883/2004] bedoelde gevallen, is de duur van de werkzaamheid in een of meer lidstaten (of zij permanent, dan wel ad hoc of tijdelijk van aard is) doorslaggevend. Daartoe wordt een algemene beoordeling verricht van alle relevante feiten, waaronder met name, met betrekking tot een persoon in loondienst, de in de arbeidsovereenkomst bepaalde arbeidsplaats.
8. Voor de toepassing van artikel 13, leden 1 en 2, van [verordening nr. 883/2004] betekent een ‚substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst of anders dan in loondienst’ in een lidstaat worden verricht dat een kwantitatief substantieel deel van alle werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst daar wordt verricht, zonder dat het hierbij noodzakelijkerwijs om het grootste deel van deze werkzaamheden hoeft te gaan.
De beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, gebeurt mede op grond van de volgende indicatieve criteria:
a) in geval van een werkzaamheid in loondienst, de arbeidstijd en/of de bezoldiging, en
[...]
In het kader van een algemene beoordeling geldt een aandeel van minder dan 25 % voor de bovengenoemde criteria als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht.
9. Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, onder b), van [verordening nr. 883/2004] wordt het ‚centrum van belangen’ van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van een persoon bepaald aan de hand van alle elementen waaruit zijn beroepswerkzaamheden bestaan, met name de vaste en blijvende plaats van waaruit hij zijn werkzaamheden verricht, de gebruikelijke aard of de duur van de uitgeoefende werkzaamheden, het aantal verleende diensten, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt.
[...]
11. Degene die zijn werkzaamheid in loondienst in twee of meer lidstaten voor rekening van een buiten het grondgebied van de Unie gevestigde werkgever verricht en in een lidstaat woont zonder daar een substantiële werkzaamheid te verrichten, valt onder de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats.”
14 Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 987/2009 luidt als volgt:
„Het aangewezen orgaan van de woonplaats stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wetgeving vast, met inachtneming van artikel 13 van [verordening nr. 883/2004] en artikel 14 van [verordening nr. 987/2009]. [...]”
15 Artikel 19 („Verstrekking van informatie aan betrokkenen en werkgevers”) van deze verordening bepaalt in lid 2:
„Op verzoek van de betrokkene of de werkgever verstrekt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van een bepaling van titel II van [verordening nr. 883/2004] van toepassing is, een verklaring dat die wetgeving van toepassing is en vermeldt het eventueel tot welke datum en onder welke voorwaarden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Verzoeker in het hoofdgeding, die destijds in Duitsland woonde, was in het tijdvak van 1 december 2015 tot en met 31 december 2020 (hierna: „litigieus tijdvak”) voltijds in loondienst werkzaam bij Moguntia Food Group AG, een in Bazel (Zwitserland) gevestigde vennootschap.
17 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat hij deze werkzaamheden uitoefende in Zwitserland (10,5 dagen per kwartaal), in Duitsland op basis van telewerk (10,5 dagen per kwartaal), en in derde landen. Het bedrag van zijn maandsalaris varieerde niet naargelang van de plaats waar hij zijn werkzaamheden verrichte.
18 Op 19 november 2015 heeft verzoeker in het hoofdgeding zich tot GKV‑Spitzenverband gewend, dat overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening nr. 987/2009 het orgaan van zijn woonplaats in Duitsland is dat is aangewezen om vast te stellen welke wetgeving van toepassing is wanneer de betrokkene zijn beroepsactiviteit in twee of meer lidstaten pleegt te verrichten. Daarbij gaf hij aan dat hij in Zwitserland voor rekening van Moguntia Food Group werkte en minder dan 25 % van zijn werkzaamheden in Duitsland verrichte.
19 Bij brief van 22 februari 2016 heeft het Amt für Sozialbeiträge des Kantons Basel-Stadt (dienst voor sociale bijdragen van het kanton Bazel-Stad, Zwitserland) kennisgenomen van het feit dat verzoeker in het hoofdgeding zich op 1 december 2015 had aangesloten bij de verplichte ziektekostenverzekering in Zwitserland.
20 Na te hebben vastgesteld dat verzoeker in het hoofdgeding zijn werkzaamheden in loondienst in twee of meer lidstaten pleegde te verrichten en dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verrichte in Duitsland, waar hij woont, heeft GKV‑Spitzenverband bij besluit van 18 augustus 2016 op grond van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, evenwel bepaald dat de Duitse socialezekerheidswetgeving van toepassing was voor het litigieuze tijdvak, en heeft aan verzoeker in het hoofdgeding bijgevolg een A1‑verklaring verstrekt.
21 Bij besluit van 18 december 2020 heeft GKV‑Spitzenverband het bezwaar van verzoeker in het hoofdgeding tegen het besluit van 18 augustus 2016 afgewezen en bevestigd dat, krachtens de verordeningen nr. 883/2004, zoals gewijzigd, en nr. 987/2009, de Duitse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was voor het litigieuze tijdvak. In dit verband heeft GKV‑Spitzenverband er om te beginnen aan herinnerd dat, volgens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, op degene die in twee of meer lidstaten een beroepswerkzaamheid uitoefent de wetgeving van de lidstaat waar hij woont van toepassing is, indien hij in die lidstaat een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst verricht. Vervolgens heeft GKV‑Spitzenverband erop gewezen dat overeenkomstig artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst wordt geacht in een lidstaat te zijn uitgeoefend indien bij de algemene beoordeling van de situatie van de betrokkene wordt vastgesteld dat hij ten minste 25 % van zijn arbeidstijd verricht in de lidstaat waar hij woont en/of daar ten minste 25 % van zijn bezoldiging ontvangt. GKV‑Spitzenverband was van mening dat daartoe alleen de werkzaamheden relevant zijn die worden verricht in de landen die binnen de territoriale werkingssfeer van de verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 vallen, en is dan ook uitsluitend uitgegaan van de door verzoeker in het hoofdgeding in Duitsland en Zwitserland verrichte arbeidstijd, en heeft daaruit afgeleid dat verzoeker 50 % van zijn arbeidstijd uitoefende in Duitsland, de lidstaat waar hij woont, hetgeen een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst uitmaakt.
22 Op 28 december 2020 heeft verzoeker in het hoofdgeding tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Sozialgericht (rechter in eerste aanleg, bevoegd in socialezekerheidszaken, Duitsland) en daarbij aangevoerd dat, om vast te stellen welke socialezekerheidswetgeving voor het litigieuze tijdvak van toepassing is, niet alleen de door hem in Duitsland en Zwitserland vervulde tijdvakken van arbeid in aanmerking moesten worden genomen, maar ook die in derde landen, en dat hij hoe dan ook gedurende het litigieuze tijdvak reeds onder het Zwitserse socialezekerheidsstelsel viel.
23 Bij beslissing van 4 augustus 2022 heeft deze rechter de besluiten van 18 augustus 2016 en 18 december 2020 nietig verklaard en geoordeeld dat, overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd – waarin wordt bepaald dat de betrokkene onderworpen is aan de wetgeving van de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de onderneming waarbij hij in dienst is –, verzoeker in het hoofdgeding gedurende het litigieuze tijdvak onder de Zwitserse socialezekerheidswetgeving viel. Deze rechter was namelijk van oordeel dat verzoeker in het hoofdgeding geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in de lidstaat waar hij woont had verricht, in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004 en artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, aangezien hij slechts 10,5 werkdagen per kwartaal (16 % van zijn totale arbeidstijd) in Duitsland had gewerkt.
24 Op 6 september 2022 heeft GKV‑Spitzenverband tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Landessozialgericht für das Saarland (rechter van de deelstaat Saarland, bevoegd in socialezekerheidszaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
25 De verwijzende rechter is van oordeel dat, met het oog op de vaststelling welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is op het litigieuze tijdvak, de vraag rijst of artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden van de betrokkene in een lidstaat wordt verricht, alleen rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden in loondienst die deze persoon in de lidstaten en de daarmee gelijkgestelde staten heeft verricht, dan wel of ook de werkzaamheden in derde landen in aanmerking moeten worden genomen. De bestaande rechtspraak van het Hof biedt geen antwoord op deze vraag.
26 Deze rechter merkt op dat in casu, indien uitsluitend rekening moet worden gehouden met werkzaamheden die verzoeker in het hoofdgeding tijdens het litigieuze tijdvak heeft uitgeoefend in lidstaten, zou moeten worden aangenomen dat 50 % van zijn arbeidstijd is verricht in de lidstaat waar hij woont, hetgeen een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst uitmaakt, in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009. Indien daarentegen alle door verzoeker in het hoofdgeding verrichte werkzaamheden in zowel lidstaten als derde landen in aanmerking moeten worden genomen, zou slechts 16 % van zijn arbeidstijd worden geacht te zijn vervuld in de lidstaat waar hij woont, hetgeen geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst uitmaakt.
27 In deze omstandigheden heeft het Landessozialgericht für das Saarland de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, [zoals gewijzigd], gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, alle werkzaamheden van de werknemer, met inbegrip van zijn werkzaamheden in derde landen, in aanmerking moeten worden genomen?
2) Of moet artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, [zoals gewijzigd], gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, uitsluitend de werkzaamheden van de werknemer die in lidstaten worden verricht, in aanmerking moeten worden genomen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
28 Vooraf moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig artikel 8 van en bijlage II bij de OVVP, de Unie en de Zwitserse Bondsstaat onderling verordeningen nr. 883/2004 en nr. 987/2009 toepassen, en dat in dit verband de term „lidstaat” in die verordeningen wordt geacht ook van toepassing te zijn op de Zwitserse Bondsstaat.
29 Met zijn twee prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus in essentie te vernemen of artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht in meer dan één lidstaat – waaronder de lidstaat waar hij woont – alsook in verschillende derde landen, een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in de zin van voormeld artikel 13, lid 1, alleen rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden in loondienst die hij verricht in de lidstaten of ook met die in derde landen.
30 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen van titel II van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”, waarvan de artikelen 11 tot en met 16 deel uitmaken, een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen die niet alleen tot doel hebben te voorkomen dat verschillende nationale wettelijke regelingen tegelijkertijd worden toegepast en de mogelijkerwijs daaruit voortvloeiende complicaties te vermijden, maar ook te beletten dat de binnen de werkingssfeer van die verordening vallende personen geen socialezekerheidsbescherming genieten omdat geen enkele wetgeving op hen van toepassing is (zie in die zin arrest van 16 november 2023, Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Toruniu, C‑422/22, EU:C:2023:869, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Zoals blijkt uit de overwegingen 1, 3 en 45 van verordening nr. 883/2004 moderniseert en vereenvoudigt deze verordening de regels van verordening nr. 1408/71, maar heeft zij dezelfde doelstellingen als verordening nr. 1408/71, met name de doelstelling om voor de coördinatie tussen de nationale socialezekerheidsstelsels te zorgen, opdat wordt gewaarborgd dat het recht op vrij verkeer van personen daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, en aldus bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van personen die zich binnen de Europese Unie verplaatsen (zie in die zin arresten van 5 juni 2014, I, C‑255/13, EU:C:2014:1291, punt 41, en 4 september 2025, Hakamp, C‑203/24, EU:C:2025:662, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Dit doel wordt ten uitvoer gelegd door artikel 11 van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, waarin in lid 1 is bepaald dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, op het gebied van de sociale zekerheid slechts aan de wetgeving van één lidstaat zijn onderworpen, die wordt vastgesteld overeenkomstig titel II van die verordening.
33 Daarnaast is in artikel 11, lid 3, onder a), van die verordening het beginsel neergelegd dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst verricht, de wetgeving van die lidstaat van toepassing is.
34 Dit beginsel is evenwel geformuleerd „[b]ehoudens de artikelen 12 tot en met 16” van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, aangezien de strikte toepassing van dat beginsel in een aantal bijzondere gevallen tot gevolg zou kunnen hebben dat zowel voor de werknemer als voor de werkgever en de socialezekerheidsorganen administratieve complicaties niet worden vermeden maar juist in het leven worden geroepen, waardoor de onder die verordening vallende personen zouden kunnen worden belemmerd in de uitoefening van hun recht op vrij verkeer (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, AFMB e.a., C‑610/18, EU:C:2020:565, punt 43).
35 Tot die bijzondere gevallen behoort het geval bedoeld in lid 1 van artikel 13 van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, dat betrekking heeft op de vaststelling van de toepasselijke wetgeving voor degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten.
36 Volgens punt a) van dit lid 1 is die persoon onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar hij woont indien hij daar „een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden” verricht. Indien die persoon daarentegen geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, is volgens punt b) van dat lid 1, indien de betrokkene in dienst is van één onderneming of werkgever, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt (zie in die zin arrest van 4 september 2025, Hakamp, C‑203/24, EU:C:2025:662, punt 43).
37 De conflictregels van artikel 13, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, bieden degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst verricht dus socialezekerheidsbescherming doordat de wetgeving van een van de betrokken lidstaten wordt toegepast, namelijk hetzij de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene woont, hetzij de wetgeving van de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd.
38 Aldus streeft deze bepaling de in de punten 30 en 31 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling na doordat – terwijl de bij de vorige regeling ingevoerde regels werden vereenvoudigd – regels zijn vastgesteld die afwijken van de in artikel 11, lid 3, onder a), van deze verordening neergelegde regel, precies om de complicaties te voorkomen die anders zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van laatstbedoelde regel op situaties waarin werkzaamheden worden verricht in twee of meer lidstaten (zie in die zin arrest van 4 september 2025, Hakamp, C‑203/24, EU:C:2025:662, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Vanuit dit oogpunt hebben de afwijkende regels die zijn ingevoerd bij artikel 13, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, tot doel te waarborgen dat – overeenkomstig de in punt 32 van het onderhavige arrest aangehaalde regel van eenheid – werknemers die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verrichten slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen zijn. Daartoe worden bij die afwijkende regels aanknopingscriteria vastgesteld die de objectieve situatie van die werknemers in aanmerking nemen om hun vrij verkeer te vergemakkelijken (arrest van 4 september 2025, Hakamp, C‑203/24, EU:C:2025:662, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In casu vraagt de verwijzende rechter zich af hoe artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, en artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 moeten worden uitgelegd en in het bijzonder of het begrip „werkzaamheden” in de uitdrukking „een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont” enkel verwijst naar de werkzaamheden in loondienst die deze persoon in de lidstaten heeft verricht of ook naar de werkzaamheden die hij in derde landen verricht.
41 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, EU:C:1982:335, punt 20, en 4 september 2025, Kwizda Pharma II, C‑451/24, EU:C:2025:663, punt 55).
42 Wat betreft de bewoordingen van artikel 13, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, zij opgemerkt dat volgens deze bepaling op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten de wetgeving van de lidstaat waar hij woont slechts van toepassing is indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.
43 Artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 bepaalt dan weer dat voor de toepassing van artikel 13, leden 1 en 2, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, een „substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst of anders dan in loondienst” in een lidstaat worden verricht betekent dat een kwantitatief substantieel deel van alle werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst daar wordt verricht, zonder dat het hierbij noodzakelijkerwijs om het grootste deel van deze werkzaamheden hoeft te gaan. Vervolgens preciseert artikel 14, lid 8, dat de beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, in geval van een werkzaamheid in loondienst mede op grond van de arbeidstijd en/of de bezoldiging gebeurt. Ten slotte blijkt eveneens uit artikel 14, lid 8, dat in het kader van een algemene beoordeling een aandeel van minder dan 25 % voor de bovengenoemde criteria geldt als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht.
44 Derhalve moet worden vastgesteld dat, wanneer uitsluitend wordt gekeken naar de bewoordingen van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, en artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, deze bepalingen de door de betrokkene in loondienst of anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden die in aanmerking worden genomen niet uitdrukkelijk beperken tot werkzaamheden die in lidstaten worden uitgeoefend. Dit blijkt met name uit het gebruik, in de Franse versie van artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, van de uitdrukkingen „alle werkzaamheden van de werknemer of zelfstandige” en „in het kader van een globale beoordeling”, die in wezen hun equivalent vinden in tal van andere taalversies van deze bepaling, met name in de Bulgaarse, de Tsjechische, de Deense, de Griekse, de Engelse, de Spaanse, de Finse, de Ierse, de Kroatische, de Italiaanse, de Letse, de Maltese, de Roemeense, de Slowaakse, de Sloveense en de Zweedse versie ervan.
45 In deze taalversies worden namelijk respectievelijk de termen „от всички дейности на заето или самостоятелно заето лице” en „В рамките на цялостната оценка” in de Bulgaarse versie; „všech činností zaměstnané osoby nebo osoby samostatně výdělečné činné” en „v rámci celkového hodnocení” in de Tsjechische versie; „af alle arbejdstagerens eller den selvstændige erhvervsdrivendes aktiviteter” en „I forbindelse med en samlet vurdering” in de Deense versie; „του συνόλου των δραστηριοτήτων του μισθωτού ή μη” en „Στο πλαίσιο συνολικής αξιολόγησης” in de Griekse versie; „of all the activities of the employed or self-employed person” en „In the framework of an overall assessment” in de Engelse versie; „del conjunto de sus actividades por cuenta propia o ajena” en „En el contexto de una evaluación global” in de Spaanse versie; „palkkatyötä tekevän tai itsenäisen ammatinharjoittajan kaikesta toiminnasta” en „kokonaisarvioinnissa” in de Finse versie, „de ghníomhaíochtaí uile an duine fhostaithe nó fhéinfhostaithe” en „I réim measúnaithe foriomláin” in de Ierse versie; „svih djelatnosti zaposlene osobe ili samozaposlene osobe” en „Ako je u okviru opće ocjene utvrđeno” in de Kroatische versie; „dell'insieme delle attività del lavoratore subordinato o autonomo” en „Nel quadro di una valutazione globale” in de Italiaanse versie; „ka nodarbināta vai pašnodarbināta persona veic kvantitatīvi būtisku visu darbību daļu” en „Saskaņā ar vispārēju novērtējumu” in de Letse versie; „tal-attivitajiet kollha tal-persuna impjegata jew li taħdem għal rasha” en „Fil-qafas ta’ evalwazzjoni globali” in de Maltese versie; „a tuturor activităților persoanei salariate sau persoanei care desfășoară activități independente” en „În cadrul unei evaluări globale” in de Roemeense versie; „všetkých činností zamestnanca alebo samostatne zárobkovo činnej osoby vykonáva v tomto členskom štáte” en „V rámci celkového posúdenia” in de Slowaakse versie; „vseh dejavnosti zaposlene ali samozaposlene osebe” en „Če je delež, ugotovljen med splošno presojo” in de Sloveense versie, en „allt arbete som anställd eller av all verksamhet som egenföretagare” en „Inom ramen för en samlad bedömning” in de Zweedse versie.
46 Deze verschillende taalversies ondersteunen samen dus de conclusie dat de bewoordingen van artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 aangeven dat, om te bepalen of een burger van de Unie die in een lidstaat woont en werkzaamheden in loondienst in meer dan één staat – waaronder de lidstaat waar hij woont, een andere lidstaat en derde landen – verricht, een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, rekening moet worden gehouden met alle werkzaamheden in loondienst die hij verricht, met inbegrip van die in derde landen.
47 Deze letterlijke uitlegging vindt steun in de context van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, en artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, alsmede in het doel van deze bepalingen.
48 Er zij namelijk aan herinnerd dat de toepassing van de nationale wetgeving van de lidstaat waar de plaats van uitoefening van de werkzaamheden is gelegen, de algemene regel is in het stelsel van verordening nr. 883/2004 (zie naar analogie arrest van 27 september 2012, Partena, C‑137/11, EU:C:2012:593, punten 49 en 57) en dat de toepassing van de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene woont, een ondergeschikte regel is die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknoping heeft met de arbeidsverhouding (zie naar analogie arrest van 19 maart 2015, Kik, C‑266/13, EU:C:2015:188, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het begrip „plaats van uitoefening” van een werkzaamheid moet worden opgevat als de aanduiding van de plaats waar de betrokken persoon concreet de aan die werkzaamheid verbonden handelingen verricht (zie naar analogie arrest van 27 september 2012, Partena, C‑137/11, EU:C:2012:593, punt 57).
49 Derhalve moet – zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt – voor de vaststelling van de socialezekerheidswetgeving waaraan de werknemer onderworpen is, diens werkelijke situatie worden onderzocht en moeten alle door hem verrichte werkzaamheden in aanmerking worden genomen, met inbegrip van die in derde landen, aangezien wanneer enkel de in lidstaten verrichte werkzaamheden in aanmerking worden genomen, een juridische fictie zou worden geschapen die veraf staat van de concreet in de woonlidstaat verrichte werkzaamheden.
50 Het Hof heeft bovendien reeds geoordeeld dat bij de beoordeling of een werknemer valt onder het begrip „degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten”, in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, rekening moet worden gehouden met een eventueel verschil tussen de in de betreffende arbeidsovereenkomsten vervatte gegevens en de wijze waarop de contractuele verplichtingen concreet zijn nagekomen. Wanneer uit andere relevante factoren dan de contractdocumenten blijkt dat de situatie van een werknemer feitelijk verschilt van de in die documenten beschreven situatie, is het voor de juiste toepassing van verordening nr. 883/2004 aan het betrokken orgaan om zijn bevindingen – ongeacht de bewoordingen van de contractdocumenten in kwestie – te baseren op de werkelijke situatie van de werknemer (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, AFMB e.a., C‑610/18, EU:C:2020:565, punten 57‑59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wanneer enkel de door de betrokkene in lidstaten verrichte werkzaamheden in loondienst in aanmerking worden genomen om te bepalen of deze persoon een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden uitoefent in de lidstaat waar hij woont, zou worden voorbijgegaan aan het feit dat – zoals volgt uit de in de punten 41 en 48 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak – de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van de met name in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, neergelegde conflictregels niet afhangt van de vrije keuze van de werknemer, de ondernemingen of de bevoegde nationale autoriteiten, maar wel van de objectieve situatie waarin die werknemer zich bevindt.
52 Bijgevolg moeten, in het kader van de door artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 voorgeschreven algemene beoordeling, de door de betrokkene in derde landen verrichte werkzaamheden in loondienst op dezelfde wijze als die welke in lidstaten worden verricht in aanmerking worden genomen om de totale arbeidstijd vast te stellen die deze persoon heeft vervuld in alle staten – lidstaten en derde landen – waar hij zijn werkzaamheden in loondienst heeft verricht en om vervolgens te controleren of 25 % van die arbeidstijd al dan niet is vervuld in de lidstaat waar deze laatste woont.
53 Hieraan moet worden toegevoegd dat de omstandigheid dat alle door de betrokkene in derde landen verrichte werkzaamheden in loondienst in aanmerking worden genomen, geenszins in tegenspraak is met de in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, neergelegde regel van eenheid, volgens welke een werknemer die in een lidstaat woont en die werkzaamheden in loondienst verricht in twee of meer lidstaten, slechts aan de socialezekerheidswetgeving van één lidstaat moet worden onderworpen.
54 Zelfs indien deze werknemer een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst niet in de lidstaat waar hij woont maar in een derde land verricht, is op deze werknemer immers één socialezekerheidswetgeving van toepassing, namelijk die van de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd. Wanneer deze werkgever in een derde land is gevestigd, is op die werknemer slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing aangezien artikel 14, lid 11, van verordening nr. 987/2009 bepaalt dat degene die in een lidstaat woont en die zijn werkzaamheid in loondienst in twee of meer lidstaten voor rekening van een buiten het grondgebied van de Unie gevestigde werkgever verricht, valt onder de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, zelfs indien hij daar geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheid in loondienst verricht.
55 Wanneer – zoals in het hoofdgeding – de zetel van de werkgever zich bevindt in een staat waar verordening nr. 883/2004 van toepassing is, kunnen de gegevens over de door de werknemer in derde landen verrichte werkzaamheden in loondienst, die nodig zijn om te beoordelen of hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, bovendien gemakkelijk worden verkregen, zodat de omstandigheid dat er rekening wordt gehouden met in derde landen verrichte werkzaamheden – anders dan GKV‑Spitzenverband alsmede de Duitse en de Belgische regering betogen – geen „verhoogd risico van misbruik” meebrengt.
56 Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft benadrukt, komt namelijk uit de rechtspraak van het Hof naar voren dat de goede werking van het bij verordening nr. 883/2004 ingevoerde systeem een doeltreffende en nauwe samenwerking vereist, zowel tussen de bevoegde organen van de verschillende lidstaten als tussen deze organen en de personen die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen (arrest van 16 november 2023, Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Toruniu, C‑422/22, EU:C:2023:869, punt 53). Derhalve kan het bevoegde orgaan van de woonlidstaat in het kader van de algemene beoordeling die dat orgaan moet verrichten krachtens artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, het orgaan van de lidstaat waar zich de zetel van de werkgever bevindt, verzoeken om bij deze laatste na te gaan of de door de werknemer in derde landen verrichte prestaties daadwerkelijk zijn verricht, door met name bewijsstukken zoals vervoerbewijzen of facturen te vragen.
57 Met betrekking tot de bedenkingen van GKV‑Spitzenverband alsmede van de Duitse en de Belgische regering volgens welke het op grond van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, niet mogelijk is om de werkzaamheden in loondienst die de betrokkene in derde landen verricht in aanmerking te nemen aangezien op grond van artikel 13, lid 2, van deze verordening voor werknemers anders dan in loondienst geen rekening kan worden gehouden met dergelijke werkzaamheden, hoeft slechts te worden opgemerkt – zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft gedaan – dat de regels die van toepassing zijn op werknemers in loondienst en op werknemers anders dan in loondienst verschillend zijn, zodat de voor eerstgenoemden gekozen oplossing niet naar analogie kan worden toegepast op laatstgenoemden.
58 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het gedeelte van de werkzaamheden die verzoeker in het hoofdgeding gedurende het litigieuze tijdvak in de lidstaat waar hij woont heeft uitgeoefend, 16 % bedraagt van alle werkzaamheden die hij zowel in de lidstaten als in derde landen heeft verricht. Indien dat inderdaad het geval is, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat, moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker in het hoofdgeding geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst in de lidstaat waar hij woont heeft verricht, en bijgevolg overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, onder de socialezekerheidswetgeving valt van de lidstaat waar zich de zetel van zijn werkgever bevindt, te weten de Zwitserse Bondsstaat.
59 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht in meer dan één lidstaat – waaronder de lidstaat waar hij woont – alsook in verschillende derde landen, een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in de zin van voormeld artikel 13, lid 1, niet alleen rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden in loondienst die hij verricht in de lidstaten, maar ook met die in derde landen.
Kosten
60 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 8, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening [nr. 883/2004], zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012,
moet aldus worden uitgelegd dat,
om te bepalen of een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht in meer dan één lidstaat – waaronder de lidstaat waar hij woont – alsook in verschillende derde landen, een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in de zin van voormeld artikel 13, lid 1, niet alleen rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden in loondienst die hij verricht in de lidstaten, maar ook met die in derde landen.
ondertekeningen