Home

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 12 februari 2026

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 12 februari 2026

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
12 februari 2026

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vierde kamer)

12 februari 2026(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven - Richtlijn 2009/103/EG - Artikel 12, lid 1 - Verplichting om bij wege van een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering het lichamelijk letsel te dekken van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer - Omvang - Eenzijdig verkeersongeval - Schade geleden door de bestuurder van het voertuig als gevolg van het ingrijpen van een inzittende in de besturing van dit voertuig”"

In zaak C‑490/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 5 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 12 juli 2024, in de procedure

Stichting Koskea, als bewindvoerder van ED

tegen

Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV, handelend onder de naam Reaal Schadeverzekering NV,

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, C. Lycourgos, kamerpresident, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

  • Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV, handelend onder de naam Reaal Schadeverzekering NV, vertegenwoordigd door D. M. de Knijff en S. van der Keur, advocaten,

  • de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, A. Manzaneque Valverde en P. Vanden Heede als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stichting Koskea, een stichting die optreedt als bewindvoerder van ED, en Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV (hierna: „Nationale Nederlanden”), handelend onder de naam Reaal Schadeverzekering NV, over de omvang van de dekking die moet worden geboden door de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 21 en 23 van richtlijn 2009/103 luiden als volgt:

„(21) Aan de familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of van iedere andere aansprakelijke persoon, tenminste wat hun lichamelijk letsel betreft, moet een bescherming worden verleend die gelijkwaardig is aan die welke wordt toegekend aan andere derden die het slachtoffer van een ongeval zijn.

[...]

(23) De opneming van inzittenden van een voertuig in de verzekeringsdekking is een belangrijke verworvenheid van de bestaande wetgeving. Deze doelstelling zou in gevaar komen indien de wetgeving van een lidstaat of een contractuele bepaling in een verzekeringsovereenkomst inzittenden van verzekeringsdekking zou uitsluiten, omdat deze wisten of hadden moeten weten dat de bestuurder van het voertuig ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde. [...] De dekking van deze inzittenden uit hoofde van de verplichte motorrijtuigenverzekering van het voertuig staat evenwel los van hun aansprakelijkheid ingevolge de toepasselijke nationale wetgeving evenals van het niveau van de eventuele schadevergoeding in een specifiek ongeval.”

4 Artikel 1, punt 1, van deze richtlijn definieert het begrip „voertuigen” als „alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers”.

5 Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Verplichte motorrijtuigenverzekering”, bepaalt:

„Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.

[...]

De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.”

6 Artikel 5 van deze richtlijn biedt de lidstaten onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om ten aanzien van bepaalde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen af te wijken van de bepalingen van artikel 3 van die richtlijn.

7 Artikel 12 van richtlijn 2009/103 heeft als opschrift „Bijzondere slachtoffercategorieën” en bepaalt:

„1.

Onverminderd artikel 13, lid 1, tweede alinea, dekt de in artikel 3 bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.

2.

De familieleden van de verzekeringsnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt, kunnen voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap worden uitgesloten van het recht op een uitkering.

3.

De in artikel 3 bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht.

Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade.”

8 Artikel 13 van deze richtlijn heeft als opschrift „Uitsluitingsclausules” en bepaalt:

„1.

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen, opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis, afgegeven overeenkomstig artikel 3, voor de toepassing van dat artikel worden geacht niet te gelden inzake aanspraken van derden die slachtoffer zijn van een ongeval, in gevallen waarin van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen:

  1. door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn;

  2. door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen;

  3. door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.

[...]

3.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis op grond waarvan een inzittende wordt uitgesloten van een dergelijke dekking omdat hij wist of had moeten weten dat de bestuurder ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde, geacht worden niet te gelden inzake vorderingen van deze inzittende.”

9 Zoals blijkt uit artikel 29 van richtlijn 2009/103, worden door die richtlijn ingetrokken en vervangen: richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 1972, L 103, blz. 1), de tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17), de derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1990, L 129, blz. 33), richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) (PB 2000, L 181, blz. 65), alsook richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 2005, L 149, blz. 14), zoals gewijzigd bij de in bijlage I, deel A, bij richtlijn 2009/103 genoemde richtlijnen.

Nederlands recht

10 Artikel 4, lid 1, van de Wet van 30 mei 1963 betreffende verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen (Stb. 1963, 228), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „WAM”), luidt als volgt:

„De verzekering behoeft niet te dekken de aansprakelijkheid voor schade toegebracht aan de bestuurder van het motorrijtuig dat het ongeval veroorzaakt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11 Eind 2016 is ED het slachtoffer geworden van een verkeersongeval toen hij een personenbusje van een voetbalvereniging bestuurde waarin een voormalige trainer van deze vereniging en twee teamgenoten meereden. Terwijl het busje met een snelheid van ongeveer 70 km/u reed, trok de voormalige trainer, die rechts achterin zat, plotseling aan de handrem van het voertuig. Als gevolg daarvan is het busje in een dwarsslip terechtgekomen, waarbij het in botsing is gekomen met verschillende pilaren. ED en de teamgenoot die voorin op de passagiersstoel zat, werden uit het voertuig geslingerd. De teamgenoot is aan zijn verwondingen overleden. ED raakte zwaargewond en houdt blijvend ernstig letsel over aan dit ongeval. De voormalige trainer en de andere teamgenoot raakten lichtgewond.

12 De voetbalvereniging had als eigenaar van het personenbusje bij Reaal Schadeverzekering, dat later is gefuseerd met Nationale Nederlanden, een verzekering afgesloten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven. Deze vereniging had bij Nationale Nederlanden tevens een schadeverzekering voor inzittenden (hierna: „SVI”) afgesloten.

13 Voor zijn eigen schade als gevolg van het ongeval heeft ED, vertegenwoordigd door Stichting Koskea, die als zijn bewindvoerder optreedt en zijn belangen behartigt, Nationale Nederlanden verzocht hem uit hoofde van deze SVI te dekken. In januari 2020 heeft de advocaat van deze maatschappij aan ED meegedeeld dat hij niet verzekerd was uit hoofde van deze SVI, aangezien in het proces-verbaal van de politie over de toedracht van het ongeval werd vastgesteld dat hij achter het stuur van het busje had plaatsgenomen nadat hij alcohol had gebruikt en onder invloed daarvan was. De advocaat heeft er voorts op gewezen dat er evenmin dekking bestond uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering van de WAM, aangezien deze geen schade dekt die wordt toegebracht aan de bestuurder.

14 Stichting Koskea heeft namens en voor rekening van ED bij de rechtbank Noord-Nederland (Nederland) een vordering ingesteld tot verklaring voor recht dat Nationale Nederlanden op grond van de WAM aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van betrokkene. Ter onderbouwing van deze vordering heeft deze stichting met name aangevoerd dat de uitsluiting van de dekking van de door de bestuurder van het voertuig geleden schade door de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, als bedoeld in artikel 4, lid 1, WAM, in casu niet van toepassing was, aangezien ED ten tijde van het ongeval weliswaar achter het stuur van het voertuig zat, maar niet langer kon worden beschouwd als bestuurder in de zin van die bepaling, aangezien de voormalige trainer zich bij het aantrekken van de handrem als bestuurder had gedragen.

15 De rechtbank Noord-Nederland heeft die vordering toegewezen bij vonnis van 22 oktober 2020. Zij heeft in essentie geoordeeld dat ED vanaf het moment van het aantrekken van de handrem door de voormalige trainer feitelijk niet langer in staat was om het personenbusje te besturen en bijgevolg niet meer kon worden beschouwd als de bestuurder ervan in de zin van artikel 4, lid 1, WAM.

16 Nationale Nederlanden heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Nederland). Bij arrest van 13 december 2022 heeft deze rechterlijke instantie dat vonnis vernietigd, in essentie op grond dat ED zijn hoedanigheid van bestuurder niet had verloren doordat de voormalige trainer de handrem had aangetrokken. In dit verband heeft die rechter opgemerkt dat ED nog steeds de persoon was die op de bestuurdersstoel achter het stuur had plaatsgenomen, het voertuig in beweging had gezet en de snelheid en rijrichting had bepaald. Volgens deze rechter hanteerde hij zodoende de bedieningsorganen van het voertuig en dat werd niet anders doordat de voormalige trainer plotseling de handrem aantrok en aldus een bestuurshandeling uitvoerde.

17 Daarop heeft Stichting Koskea cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Hoge Raad der Nederlanden. Voor deze rechter betoogt zij dat ED niet meer kon worden beschouwd als bestuurder van het personenbusje nadat de voormalige trainer de handrem had aangetrokken, aangezien hij daardoor niet langer in staat was om dat voertuig daadwerkelijk te besturen.

18 De verwijzende rechter zet uiteen dat artikel 4, lid 1, WAM door de Nederlandse wetgever is vastgesteld ter omzetting van artikel 1, eerste alinea, van richtlijn 90/232, thans artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103, waarin is bepaald dat de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding geeft, de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, moet dekken. Hij merkt echter op dat dit begrip „bestuurder” noch in laatstgenoemde richtlijn, noch in de richtlijnen die door deze richtlijn zijn vervangen, wordt gedefinieerd.

19 In zijn rechtspraak ter zake heeft het Hof steeds gewezen op het belang van de bescherming van inzittenden die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval en op de doelstelling die erin bestaat te waarborgen dat alle inzittenden die het slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt verkeersongeval dankzij de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, de door hen geleden schade vergoed kunnen krijgen. Uit deze rechtspraak blijkt echter ook dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 een onderscheid maakt tussen de bestuurder en de andere inzittenden.

20 Gelet op deze gegevens vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, de aansprakelijkheid moet dekken voor de schade die de aanvankelijke bestuurder van het betrokken voertuig heeft geleden in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en zich door dat ingrijpen een ongeval heeft voorgedaan. Indien dit het geval is, rijst volgens hem de vraag of het Unierecht bepaalde vereisten oplegt waarmee hij rekening moet houden om te bepalen of in de omstandigheden van het hoofdgeding de persoon die ten tijde van het ongeval achter het stuur zat, zijn hoedanigheid van bestuurder heeft verloren en bijgevolg aanspraak kan maken op de uit richtlijn 2009/103 voortvloeiende bescherming.

21 In die omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Dient art. 12 lid 1 gecodificeerde richtlijn 2009/103 zo te worden uitgelegd dat de verplichte verzekering aansprakelijkheid moet dekken voor de schade van de (aanvankelijke) bestuurder in een geval waarin een inzittende ingrijpt in de besturing van het motorrijtuig en zich door dat ingrijpen een ongeval voordoet?

  • Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vloeien uit het Unierecht dan bepaalde eisen voort die de nationale rechter in acht moet nemen bij de vaststelling of een bestuurder als bedoeld in art. 12 lid 1 gecodificeerde richtlijn 2009/103 de hoedanigheid van bestuurder in de omstandigheden van het geval heeft verloren en in aanmerking komt voor de inzittendenbescherming volgens de algemene regel?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden, niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan.

23 Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12 , en  30 oktober 2025, Killybegs Fishing Enterprises e.a., C‑546/24, EU:C:2025:844, punt 16 ).

24 Het is eveneens vaste rechtspraak dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en niet naar het recht van de lidstaten verwijst, moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie in die zin arresten van 18 oktober 2011, Brüstle, C‑34/10, EU:C:2011:669, punten 25 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  5 september 2024, BIOR, C‑344/23, EU:C:2024:696, punt 40 ).

25 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 betreft, zij eraan herinnerd dat volgens deze bepaling – onverminderd artikel 13, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn, dat een uitzondering bevat die in het hoofdgeding niet relevant is – de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van „de inzittenden van een voertuig [dekt], met uitzondering van de bestuurder”, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.

26 Volgens artikel 3, eerste alinea, van deze richtlijn treft iedere lidstaat, onverminderd de toepassing van artikel 5 ervan, dat voorziet in afwijkingen van de verplichting tot het afsluiten van een verzekering voor voertuigen die evenmin relevant zijn voor het hoofdgeding, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

27 Net als de richtlijnen die zij heeft vervangen, geeft richtlijn 2009/103 geen definitie voor de term „bestuurder” of de term „inzittende” en verwijst zij evenmin naar het recht van de lidstaten om de reikwijdte ervan te bepalen. Wat de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van deze termen betreft, moet worden opgemerkt dat de term „bestuurder” doelt op een persoon die iets of iemand bestuurt of leidt. Met betrekking tot een voertuig wordt hiermee geduid op de persoon achter het stuur of achter de bedieningsorganen ervan die het voertuig bestuurt. De term „inzittende” verwijst daarentegen naar een persoon die in een voertuig wordt vervoerd en het voertuig niet bestuurt.

28 Gelet op een en ander kan uit de bewoordingen van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 worden afgeleid dat er in een voertuig om te beginnen meerdere „inzittenden, met uitzondering van de bestuurder” kunnen zijn, maar dat er in beginsel slechts één bestuurder tegelijkertijd kan zijn. Behoudens specifieke gevallen zoals met name het rijden met een instructeur voor het behalen van een rijbewijs waarvoor bijzondere regels kunnen gelden, wordt voorts met de term „bestuurder” gewoonlijk de persoon aangeduid die de bedieningsorganen van het voertuig hanteert of zich achter het stuur ervan bevindt en de rijrichting bepaalt, terwijl de term „inzittende” doelt op een persoon die zich elders in het betrokken voertuig bevindt en het niet bestuurt. Ten slotte bepaalt deze bepaling niet dat de aansprakelijkheid voor de door de „bestuurder” van het voertuig geleden schade moet worden gedekt door de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde verzekering.

29 Wat in de tweede plaats de context van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat het begrip „voertuigen” in artikel 1, punt 1, van deze richtlijn wordt gedefinieerd als alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers.

30 Aangezien een voertuig in de zin van deze richtlijn noodzakelijkerwijs door een mechanische kracht wordt aangedreven (zie in die zin arrest van 12 oktober 2023, KBC Verzekeringen, C‑286/22, EU:C:2023:767, punten 37, 38 en 40), heeft elk voertuig in het verkeer, met uitzondering van zelfrijdende voertuigen, in beginsel dus een bestuurder die op de bestuurdersstoel achter het stuur zit en die de mechanische kracht van het voertuig in werking stelt of kan stellen om het te laten rijden.

31 Ten tweede bepaalt artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 2009/103 weliswaar dat de in de eerste alinea bedoelde verzekering zowel materiële schade als lichamelijk letsel moet dekken, maar volgt uit deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 1, van deze richtlijn, dat het daarbij speciaal gaat om lichamelijk letsel van „de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder”.

32 Ten derde kunnen volgens artikel 12, lid 2, van deze richtlijn de familieleden van de verzekeringsnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde verzekering is gedekt, voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap worden uitgesloten van het recht op een uitkering. Bovendien dekt de in artikel 3 van richtlijn 2009/103 bedoelde verzekering volgens artikel 12, lid 3, eerste alinea, ervan lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht. Voorts preciseert artikel 13, lid 3, van deze richtlijn dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis op grond waarvan een inzittende wordt uitgesloten van een dergelijke dekking omdat hij wist of had moeten weten dat de bestuurder ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde, geacht worden niet te gelden inzake vorderingen van deze inzittende.

33 Deze bepalingen maken, net als artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103, een onderscheid tussen enerzijds de bestuurder van het voertuig en anderzijds andere personen die eventueel in dat voertuig zijn gestapt, alsook andere weggebruikers die zich niet in het voertuig bevinden, maar die het slachtoffer kunnen worden van een verkeersongeval waarbij een voertuig betrokken is. De categorieën slachtoffers van een ongeval worden dus in essentie afgezet tegen de bestuurder van het daarbij betrokken voertuig.

34 Ten vierde moet worden opgemerkt dat artikel 12 van deze richtlijn overeenkomstig lid 3, tweede alinea, ervan geen afbreuk doet aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade. De rol die een van de inzittenden van het voertuig, zoals in casu de inzittende die de handrem heeft aangetrokken, bij het verloop van het ongeval en dus bij het ontstaan van schade heeft gespeeld, kan, volgens de wettelijke aansprakelijkheidsregeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan het ongeval zich heeft voorgedaan, derhalve bepalend zijn voor de vraag wie civielrechtelijk aansprakelijk is voor het ongeval en van invloed zijn op de omvang van de schadevergoeding. Deze laatste aspecten verschillen echter van de persoonlijke reikwijdte van de dekking door de verplichte verzekering waarin richtlijn 2009/103 voorziet.

35 In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de verplichting om bij wege van een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering de door motorrijtuigen aan derden veroorzaakte schade te dekken, moet worden onderscheiden van de omvang van die schadeloosstelling op grond van de wettelijke aansprakelijkheid. Terwijl de verplichte dekking is vastgesteld en gewaarborgd door de regeling van de Unie, wordt de omvang van de schadeloosstelling immers hoofdzakelijk door het nationale recht bepaald (arresten van 17 maart 2011, Carvalho Ferreira Santos, C‑484/09, EU:C:2011:158, punt 31 , en  12 oktober 2023, KBC Verzekeringen, C‑286/22, EU:C:2023:767, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Al deze tekstuele en contextuele elementen geven aldus aan dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het ingrijpen van een inzittende in de besturing van een voertuig waardoor zich een ongeval voordoet, niet tot gevolg kan hebben dat de bestuurder van dat voertuig zijn hoedanigheid van bestuurder verliest, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan zowel het fundamentele onderscheid tussen bestuurder en derden die slachtoffer zijn, dat kenmerkend is voor het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel van verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, als het onderscheid tussen de verplichting tot dekking door die verzekering en de omvang van de vergoeding van schade uit hoofde van de door het nationale recht geregelde wettelijke aansprakelijkheid voor het ongeval.

37 In de derde plaats moet worden vastgesteld dat deze uitlegging steun vindt in de doelstellingen van richtlijn 2009/103.

38 Ten eerste blijkt weliswaar uit de ontwikkeling van de regelgeving van de Unie inzake de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, dat de Uniewetgever de doelstelling van bescherming van slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen voortdurend heeft nagestreefd en versterkt (arresten van 20 december 2017, Núñez Torreiro, C‑334/16, EU:C:2017:1007, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  30 april 2025, Nastolo, C‑370/24, EU:C:2025:300, punt 39 ).

39 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, zou aan deze doelstelling echter afbreuk worden gedaan indien de persoon die achter het stuur van een voertuig zit, op grond van toevallige feitelijke omstandigheden zijn hoedanigheid van bestuurder zou kunnen verliezen door het ingrijpen van een inzittende in de besturing van dat voertuig. Aangezien, zoals in de punten 28 en 30 van het onderhavige arrest is vastgesteld, elk voertuig met uitzondering van zelfrijdende voertuigen in beginsel één bestuurder heeft, zou, als de persoon die achter het stuur van het voertuig zit de hoedanigheid van bestuurder verliest, immers die inzittende de hoedanigheid van bestuurder krijgen en zou die dus worden uitgesloten van de bescherming die deze richtlijn beoogt te bieden aan derden die slachtoffer zijn, waaronder de inzittenden.

40 Bovendien is de rechtsonzekerheid die uit een dergelijke mogelijkheid zou voortvloeien, op zichzelf onverenigbaar met deze doelstelling.

41 Ten tweede is, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de in punt 38 van het onderhavige arrest bedoelde ontwikkeling van de wetgeving ook gekenmerkt door het feit dat de door de bestuurder geleden schade sinds de vaststelling van richtlijn 90/232 voortdurend en expliciet was uitgesloten van de dekking van de in het Unierecht vastgestelde verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, waarbij het enige door deze regeling toegestane onderscheid altijd het onderscheid is geweest tussen enerzijds de bestuurder en anderzijds de inzittende of andere derde, die slachtoffer zijn (zie in die zin arrest van 1 december 2011, Churchill Insurance Company Limited en Evans, C‑442/10, EU:C:2011:799, punten 27‑31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Bovendien wijst niets in deze ontwikkeling van de wetgeving erop dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om de verplichting tot verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, verder te harmoniseren dan de dekking van de aan derden toegebrachte schade, en een dergelijke bedoeling blijkt evenmin uit richtlijn 2009/103. In overweging 21 ervan staat overigens te lezen dat aan de familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of van iedere andere aansprakelijke persoon, tenminste wat hun lichamelijk letsel betreft, een bescherming moet worden verleend die gelijkwaardig is aan die welke wordt toegekend aan „andere derden die het slachtoffer van een ongeval zijn”. Evenzo verwijst overweging 23 van deze richtlijn naar de opneming van „inzittenden van een voertuig” in de verzekeringsdekking, waarbij in essentie wordt gepreciseerd dat de in beginsel bestaande niet-tegenwerpbaarheid van wetgeving van een lidstaat of van een contractuele bepaling waarin de dekking door de verplichte verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid in bepaalde omstandigheden wordt uitgesloten met betrekking tot „aanspraken van derden die slachtoffer van een ongeval zijn”, niets afdoet aan met name de aansprakelijkheid die op grond van het toepasselijke nationale recht aan de betrokken inzittenden kan worden toegerekend.

43 De eventuele verplichting om door middel van een verzekering de schade te dekken die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden, blijft dus bij de huidige stand van het Unierecht geregeld door het nationale recht van de lidstaten.

44 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden, niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan.

Tweede vraag

45 Gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid

moet aldus worden uitgelegd dat

de schade die is geleden door de bestuurder van een voertuig waarmee een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden, niet hoeft te worden gedekt door de in deze richtlijn bedoelde verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zelfs in een geval waarin een inzittende heeft ingegrepen in de besturing van dit voertuig en dit ongeval zich door dat ingrijpen heeft voorgedaan.

Jarukaitis

Lycourgos

Condinanzi

Jääskinen

Frendo

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 februari 2026.

De griffier

A. Calot Escobar

De kamerpresident

I. Jarukaitis