Judgment of the General Court (Chamber giving preliminary rulings) van 25 februari 2026
Judgment of the General Court (Chamber giving preliminary rulings) van 25 februari 2026
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 25 februari 2026
Uitspraak
Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (prejudiciële kamer)
25 februari 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Plaats van intracommunautaire verwerving van goederen – Artikelen 40 en 41 van richtlijn 2006/112/EG – Btw-plichtigheid – Artikel 203 van richtlijn 2006/112 – Beginsel van fiscale neutraliteit – Evenredigheidsbeginsel – Intracommunautaire verwervingen onder het door de lidstaat van herkomst toegekende btw-identificatienummer – Onjuiste vermelding van btw op facturen van overeenkomstige intracommunautaire leveringen ”
In zaak T‑638/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 23 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 22 november 2024, in de procedure
Finanzamt Österreich
tegen
D GmbH,
wijst
HET GERECHT (prejudiciële kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, N. Półtorak, M. Sampol Pucurull, D. Petrlík (rapporteur) en W. Valasidis, rechters,
advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,
griffier: V. Di Bucci,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 10 december 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en F. Koppensteiner als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en L. Hohenecker als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 40, 41 en 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, met rectificatie in PB L 335, blz. 60; hierna: „btw-richtlijn”) alsmede van het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en het evenredigheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Finanzamt Österreich (belastingdienst, Oostenrijk; hierna: „belastingdienst”) en D GmbH over de vaststelling van de btw die deze vennootschap verschuldigd is voor de belastingjaren 2011 tot en met 2015.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[...]
b) de intracommunautaire verwervingen van goederen die binnen het grondgebied van een lidstaat onder bezwarende titel worden verricht:
i) door een als zodanig handelende belastingplichtige [...];
[...]”
4 Artikel 20, eerste alinea, van de btw-richtlijn is als volgt verwoord:
„Als ‚intracommunautaire verwerving van goederen’ wordt beschouwd het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een roerende lichamelijke zaak die door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van het goed.”
5 Artikel 40 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer.”
6 Artikel 41 van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„Onverminderd artikel 40 wordt als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), aangemerkt het grondgebied van de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de btw op deze verwerving is geheven overeenkomstig artikel 40.
Indien op de verwerving uit hoofde van artikel 40 btw wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de btw erop is geheven op grond van de eerste alinea, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.”
7 Artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn luidde vóór de vaststelling van richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018 (PB 2018, L 311, blz. 39) als volgt:
„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de [...] [Europese Unie], welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige [...] die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.”
8 Artikel 203 btw-richtlijn bepaalt:
„De btw is verschuldigd door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt.”
Oostenrijks recht
9 § 11, lid 12, van het Umsatzsteuergesetz 1994 (wet van 1994 op de omzetbelasting) van 23 augustus 1994 (BGBl. 663/1994; hierna: „UStG 1994”) luidt:
„Indien de ondernemer op een factuur voor een levering of een andere prestatie afzonderlijk een bedrag aan belasting heeft vermeld dat volgens deze federale wet niet verschuldigd is voor de handeling, is hij dit bedrag op basis van de factuur verschuldigd, tenzij hij de factuur dienovereenkomstig corrigeert tegenover de afnemer van de levering of de ontvanger van de andere prestatie. [...]”
10 Artikel 3, lid 8, van de bijlage (interne markt) bij het UStG 1994 bepaalt het volgende:
„De intracommunautaire verwerving wordt geacht te zijn verricht op het grondgebied van de lidstaat waarop de goederen zich na afloop van het vervoer of de verzending bevinden. Wanneer de afnemer jegens de leverancier gebruikmaakt van een door een andere lidstaat toegekend btw‑identificatienummer, wordt de verwerving geacht te zijn verricht op het grondgebied van deze lidstaat totdat de afnemer bewijst dat de verwerving door de in de eerste zin bedoelde lidstaat is belast. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 D is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Oostenrijks recht. Zij heeft goederen gekocht bij in Oostenrijk gevestigde leveranciers (hierna: „leveranciers”), die zij vanuit deze lidstaat naar andere lidstaten heeft laten leveren. Voor deze verwervingen heeft zij haar Oostenrijkse btw-identificatienummer aan de leveranciers meegedeeld. De leveranciers hebben haar facturen gestuurd voor de levering van die goederen, waarop de Oostenrijkse btw was vermeld. Voor haar belastingaangiften was D van mening dat deze btw aftrekbaar was, en dat de betrokken verwervingen geen in Oostenrijk belastbare intracommunautaire verwervingen waren.
12 De belastingdienst heeft D in het kader van een belastingcontrole btw-aanslagen opgelegd voor de belastingjaren 2011 tot en met 2015, waaronder de in punt 11 hierboven genoemde handelingen vallen. Die dienst was van mening dat deze handelingen intracommunautaire verwervingen van goederen in de zin van artikel 20, eerste alinea, van de btw-richtlijn vormden. Hij heeft vastgesteld dat D voor die handelingen haar Oostenrijkse btw-identificatienummer had gebruikt en dat deze vennootschap niet had aangetoond dat die verwervingen aan btw waren onderworpen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen. Deze verwervingen zijn dus belastbaar in Oostenrijk overeenkomstig artikel 3, lid 8, van de bijlage (interne markt) bij het UStG 1994, waarbij artikel 41 van de btw-richtlijn is omgezet. Verder was de belastingdienst van mening dat de overeenkomstige intracommunautaire leveringen waren vrijgesteld van btw en de leveranciers deze belasting dus ten onrechte in rekening hadden gebracht voor deze leveringen. Krachtens § 11, lid 12, UStG 1994, waarbij artikel 203 van de btw-richtlijn is omgezet, zouden de leveranciers deze btw echter wel zijn verschuldigd. In dat verband heeft de belastingdienst geweigerd dat D de op de betrokken facturen vermelde btw als voorbelasting aftrok.
13 Op 24 november 2020 heeft het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) het beroep van D tegen de in punt 12 hierboven genoemde belastingaanslagen verworpen.
14 Na een door D ingesteld beroep in Revision heeft het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk), de verwijzende rechter, de beslissing van het Bundesfinanzgericht van 24 november 2020 vernietigd en de zaak naar die rechter terugverwezen, omdat het van oordeel was dat de betrokken handelingen niet belastbaar waren op grond van artikel 3, lid 8, van de bijlage (interne markt) bij het UStG 1994.
15 Bij beslissing van 18 oktober 2022 heeft het Bundesfinanzgericht het beroep van D toegewezen en onder verwijzing naar het arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties) (C‑696/20, EU:C:2022:528), geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld dat D intracommunautaire verwervingen in Oostenrijk had verricht op de enkele grond dat zij voor de betrokken handelingen haar Oostenrijkse btw-identificatienummer had gebruikt.
16 De belastingdienst heeft bij de verwijzende rechter beroep in Revision ingesteld. Die rechter vraagt zich af hoe de artikelen 40, 41 en 203 van de btw-richtlijn en de beginselen van btw-neutraliteit en evenredigheid moeten worden uitgelegd. Hij vraagt zich af of die artikelen en beginselen eraan in de weg staan dat de betrokken intracommunautaire verwervingen in Oostenrijk worden belast op grond van de regel van artikel 3, lid 8, van de bijlage (interne markt) bij het UStG 1994, wanneer er in die lidstaat over de overeenkomstige intracommunautaire leveringen belasting verschuldigd is wegens de onjuiste vermelding van de btw op de facturen krachtens § 11, lid 12, UStG 1994, waarbij artikel 203 van die richtlijn is omgezet.
17 Dienaangaande twijfelt de verwijzende rechter of de oplossing waartoe is gekomen in het arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties) (C‑696/20, EU:C:2022:528), kan worden toegepast op het hoofdgeding. Anders dan in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, is de btw over de aan D verrichte leveringen verschuldigd, niet omdat die leveringen volgens de belastingdienst niet waren vrijgesteld, maar omdat ten onrechte de Oostenrijkse btw op de betrokken facturen was vermeld. Bovendien is die belastingschuld niet definitief, aangezien § 11, lid 12, UStG 1994 de leveranciers toestaat om onjuiste facturen te allen tijde te corrigeren, zelfs indien de verjaringstermijn reeds is verstreken voor het jaar waarin die facturen zijn uitgereikt.
18 Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Staan de artikelen 40, 41 en 203 van de [btw-richtlijn] en de beginselen van evenredigheid en fiscale neutraliteit in de weg aan de toepassing van een nationale bepaling, zoals artikel 3, lid 8, tweede volzin, van [de bijlage (interne markt) bij het UStG 1994], volgens welke de verwerving wordt geacht te zijn verricht op het grondgebied van de lidstaat waarvan de afnemer het btw-identificatienummer heeft gebruikt, totdat de afnemer bewijst dat de verwerving is belast in de lidstaat waar de goederen zich na afloop van het vervoer of de verzending bevinden, in een situatie waarin de intracommunautaire verwerving voortvloeit uit een intracommunautaire levering die in Oostenrijk als vrijgestelde levering is behandeld maar er, op grond van de vermelding van Oostenrijkse btw op de factuur, over deze levering belasting verschuldigd is op grond van de opgestelde factuur?
2) Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is er sprake van een intracommunautaire verwerving in de zin van artikel 41 van de [btw-richtlijn], indien de ten onrechte op de factuur voor de belastingvrije intracommunautaire levering vermelde btw komt te vervallen door een latere correctie van die factuur door de opsteller ervan, en zo ja, op welk tijdstip heeft deze intracommunautaire verwerving dan plaatsgevonden?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
19 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 40, 41 en 203 van de btw-richtlijn en de beginselen van btw-neutraliteit en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen aan btw onderwerpt op grond dat de afnemer die de verwerving onder het door die lidstaat toegekende btw-identificatienummer heeft verricht, wanneer een dergelijke verwerving voortvloeit uit een van btw vrijgestelde intracommunautaire levering waarover in die lidstaat op grond van de regel van artikel 203 van die richtlijn belasting verschuldigd is als gevolg van het feit dat er ten onrechte btw in rekening is gebracht voor die levering.
20 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat intracommunautaire verwervingen van goederen in beginsel handelingen zijn die overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aan btw zijn onderworpen.
21 Luidens artikel 40 van de btw-richtlijn wordt „[a]ls plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen [...] de plaats [aangemerkt] waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer” (hierna: „lidstaat van aankomst”).
22 Wanneer de afnemer de intracommunautaire verwerving verricht onder een btw-identificatienummer dat is toegekend door een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst (hierna: „lidstaat van identificatie”), wordt overeenkomstig artikel 41, eerste alinea, van de btw-richtlijn echter het grondgebied van de lidstaat van identificatie als plaats van deze verwerving aangemerkt, voor zover de afnemer niet aantoont dat de btw op die verwerving is geheven in de lidstaat van aankomst.
23 In de omstandigheden van het hoofdgeding – die dateren van vóór de invoering van artikel 138, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn bij richtlijn 2018/1910 – is artikel 41, eerste alinea, van de btw-richtlijn ook van toepassing indien de lidstaat die zich op deze bepaling baseert om een intracommunautaire verwerving van goederen als lidstaat van identificatie aan btw te onderwerpen, de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen is (hierna: „lidstaat van vertrek”) [arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties), C‑696/20, EU:C:2022:528, punt 43].
24 Wat de context van artikel 41 van de btw-richtlijn betreft, zij er tevens aan herinnerd dat een intracommunautaire verwerving die in de lidstaat van aankomst of in de lidstaat van identificatie wordt belast krachtens de algemene regeling van die richtlijn een op grond van artikel 138 van de btw-richtlijn vrijgestelde intracommunautaire levering in de lidstaat van vertrek als tegenhanger heeft [zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties), C‑696/20, EU:C:2022:528, punt 51]. Met het vrijstellen van een intracommunautaire levering, als tegenhanger van een intracommunautaire verwerving, kan dubbele belasting – en dus schending van het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit – worden vermeden (arrest van 27 september 2007, Teleos e.a., C‑409/04, EU:C:2007:548, punt 25).
25 Bovendien beoogt de regel van artikel 41 van de btw-richtlijn te waarborgen dat een intracommunautaire verwerving aan de btw is onderworpen. Die regel beoogt bovendien te voorkomen dat over dezelfde verwerving tweemaal belasting wordt geheven [zie arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties), C‑696/20, EU:C:2022:528, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de belastingdienst de in het hoofdgeding aan de orde zijnde intracommunautaire leveringen heeft behandeld als van btw vrijgestelde handelingen. Die dienst heeft artikel 203 van de btw-richtlijn evenwel toegepast op die leveringen omdat op de facturen voor die leveringen ten onrechte btw was vermeld.
27 In dat verband volgt uit artikel 203 van de btw-richtlijn dat btw verschuldigd is door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt.
28 Een dergelijke persoon is de op een factuur vermelde btw verschuldigd ongeacht of btw verschuldigd is op grond van een aan btw onderworpen handeling (zie arrest van 11 april 2013, Rusedespred, C‑138/12, EU:C:2013:233, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Artikel 203 van de btw-richtlijn beoogt namelijk het gevaar weg te nemen dat als gevolg van het in die richtlijn bedoelde recht op aftrek belastinginkomsten verloren gaan. Die bepaling is dan ook van toepassing wanneer er ten onrechte btw is gefactureerd en het gevaar bestaat dat belastinginkomsten worden gederfd doordat degene die de factuur heeft ontvangen, mogelijkerwijs zijn recht op aftrek van die btw zal uitoefenen [arrest van 8 december 2022, Finanzamt Österreich (Per vergissing aan eindgebruikers gefactureerde btw), C‑378/21, EU:C:2022:968, punten 20 en 21].
30 Artikel 203 van de btw-richtlijn heeft daarentegen geen betrekking op de gevallen waarin de factuur het juiste btw-bedrag vermeldt, in die zin dat de btw overeenkomt met een handeling die daadwerkelijk belastbaar is op grond van een andere bepaling van die richtlijn [zie in die zin arrest van 8 december 2022, Finanzamt Österreich (Per vergissing aan eindverbruikers gefactureerde btw), C‑378/21, EU:C:2022:968, punten 22 en 23].
31 Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 41 en 203 van de btw-richtlijn aan verschillende toepassingsvoorwaarden zijn onderworpen en elk een eigen specifiek doel nastreven. Voor zover aan de toepassingsvoorwaarden van die artikelen is voldaan, verzet niets in die bepalingen zich ertegen dat zij tegelijkertijd worden toegepast op een intracommunautaire verwerving en op een vrijgestelde intracommunautaire levering wegens een onjuiste vermelding van de btw op een factuur. Evenzo verzet niets in de andere bepalingen van de btw-richtlijn zich tegen een dergelijke gelijktijdige toepassing van de artikelen 41 en 203 van die richtlijn.
32 Wat de beginselen van btw-neutraliteit en evenredigheid betreft, zij eraan herinnerd dat maatregelen die de lidstaten hebben genomen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om fraude te voorkomen, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel niet verder mogen gaan dan nodig is om de aldus nagestreefde doelstellingen te bereiken en dus niet op zodanige wijze mogen worden aangewend dat zij afbreuk doen aan de neutraliteit van de btw, die een basisbeginsel is van het bij de desbetreffende Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel [zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties), C‑696/20, EU:C:2022:528, punt 54].
33 Het beginsel van neutraliteit van de btw heeft tot doel de belastingplichtige volledig te ontlasten van de btw in het kader van zijn economische activiteiten. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt aldus de volkomen neutraliteit van de belastingdruk op alle economische activiteiten, ongeacht de doelen of resultaten van deze activiteiten, mits zij in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (arrest van 2 juli 2020, Terracult, C‑835/18, EU:C:2020:520, punt 25).
34 In dit verband is het juist dat de ontvanger van een factuur waarop ten onrechte btw is vermeld, geen recht op aftrek heeft van die belasting die krachtens artikel 203 verschuldigd is, aangezien het recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw in de regel verbonden is met de daadwerkelijke verrichting van een belastbare handeling, terwijl de btw op grond van die bepaling verschuldigd is ongeacht of er sprake is van een dergelijke handeling (zie in die zin arrest van 31 januari 2013, Stroy trans, C‑642/11, EU:C:2013:54, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 De btw die op grond van artikel 203 van de btw-richtlijn verschuldigd is, kan, gelet op het in punt 29 hierboven beschreven doel van die bepaling, evenwel worden herzien, aangezien het teneinde de btw-neutraliteit te eerbiedigen aan de lidstaten staat om in hun interne rechtsorde te voorzien in de mogelijkheid om ten onrechte gefactureerde belasting te herzien wanneer de opsteller van de factuur het bewijs van zijn goede trouw levert of tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten geheel heeft weggenomen (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, EN.SA., C‑712/17, EU:C:2019:374, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 De eerbiediging van de btw-neutraliteit wordt met name gewaarborgd door een stelsel waarin enerzijds de dienstverrichter die de btw bij vergissing heeft afgedragen aan de belastingdienst om teruggaaf daarvan kan verzoeken, en anderzijds de afnemer, langs civielrechtelijke weg het onverschuldigd betaalde van die dienstverrichter – die de terugbetaalde btw niet aan hem heeft doorgestort – kan terugvorderen. Dit stelsel biedt de afnemer die de bij vergissing in rekening gebrachte belasting heeft betaald namelijk de mogelijkheid de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Indien de teruggaaf van de btw onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolventie van de leverancier, vereisen het beginsel van btw-neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel dat de lidstaten voorzien in de middelen die nodig zijn om de afnemer in staat te stellen de ten onrechte in rekening gebrachte en betaalde btw terug te krijgen, met name door zijn verzoek tot teruggaaf rechtstreeks tot de belastingdienst te richten (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, HUMDA, C‑397/21, EU:C:2022:790, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Dienaangaande heeft de verwijzende rechter bovendien verklaard dat het Oostenrijkse recht het mogelijk maakt de ten onrechte gefactureerde btw te herzien door de onjuiste factuur te corrigeren en dat een dergelijke correctie altijd kan gebeuren, zelfs wanneer de verjaringstermijn reeds is verstreken voor het jaar waarin die facturen zijn uitgereikt.
38 In die omstandigheden is het niet in strijd met de beginselen van btw-neutraliteit en evenredigheid dat intracommunautaire verwervingen in de lidstaat van identificatie overeenkomstig artikel 41 van de btw-richtlijn worden belast in het geval dat de overeenkomstige intracommunautaire leveringen zijn vrijgesteld van btw en er in die lidstaat op grond van de regel van artikel 203 van die richtlijn belasting over die leveringen verschuldigd is.
39 In een situatie als in het hoofdgeding, waarin de lidstaat van identificatie overeenkomt met de lidstaat van vertrek, verzet de toepassing van de regel van artikel 203 van de btw-richtlijn op intracommunautaire leveringen die in de lidstaat van vertrek van btw zijn vrijgesteld, zich er niet tegen dat de overeenkomstige intracommunautaire verwervingen in dezelfde lidstaat overeenkomstig artikel 41 van die richtlijn worden belast.
40 Aan de conclusie in punt 39 hierboven wordt niet afgedaan door het arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties) (C‑696/20, EU:C:2022:528, punt 55), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de toepassing van de regel van artikel 41 van de btw-richtlijn in de lidstaat van identificatie op een intracommunautaire verwerving van goederen die voortvloeit uit een intracommunautaire levering van goederen die in die lidstaat als niet-vrijgesteld is beschouwd, leidt tot een aanvullende belasting die niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van btw-neutraliteit.
41 Zoals met name voortvloeit uit de punten 49, 52 en 53 van het arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties) (C‑696/20, EU:C:2022:528), was de conclusie van het Hof in dit arrest gebaseerd op de vaststelling van de verwijzende rechter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde intracommunautaire levering door de nationale belastingdienst definitief als een aan btw onderworpen handeling werd behandeld – en niet als een handeling die overeenkomstig artikel 138 van de btw-richtlijn van btw is vrijgesteld – en de belastingplichtige de over die levering betaalde voorbelasting niet heeft kunnen aftrekken. In dat verband heeft het Hof met name opgemerkt dat wanneer de intracommunautaire levering van goederen in de lidstaat van vertrek niet was vrijgesteld, er geen risico van belastingontwijking was, zodat de belastingheffing van die handeling in die lidstaat op grond van de regel van artikel 41 van de btw-richtlijn indruiste tegen de doelstellingen van deze bepaling, zoals die in punt 25 hierboven in herinnering zijn gebracht.
42 Daarentegen is in het hoofdgeding de btw over de betrokken intracommunautaire leveringen niet verschuldigd op grond dat deze leveringen niet zijn vrijgesteld, maar op grond van de regel van artikel 203 van de btw-richtlijn.
43 Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat het ontstaan van een belastingschuld krachtens artikel 203 van de btw-richtlijn, die is verschuldigd door de leverancier van intracommunautaire leveringen die ten onrechte btw in rekening heeft gebracht, niet gelijk aan de heffing van btw over die leveringen. Zoals in punt 34 hierboven in herinnering is gebracht, ontstaat de in artikel 203 van die richtlijn bedoelde belastingschuld niet als gevolg van het feit dat de handeling aan btw onderworpen is, maar op de enkele grond dat de btw op de betrokken factuur is vermeld.
44 Bovendien werd in het arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (Onjuiste kwalificatie van ketentransacties) (C‑696/20, EU:C:2022:528), de in het hoofdgeding aan de orde zijnde intracommunautaire levering door de betrokken belastingadministratie definitief als een aan btw onderworpen handeling behandeld, terwijl in de situatie waarop deze prejudiciële vraag betrekking heeft, de op grond van artikel 203 van de btw-richtlijn ontstane belastingschuld in beginsel kan worden herzien.
45 Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 40, 41 en 203 van de btw-richtlijn en de beginselen van btw-neutraliteit en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen aan btw onderwerpt op grond dat de afnemer die de verwerving onder het door die lidstaat toegekende btw-identificatienummer heeft verricht, wanneer een dergelijke verwerving voortvloeit uit een van btw vrijgestelde intracommunautaire levering waarover in die lidstaat op grond van de regel van artikel 203 van de btw-richtlijn belasting verschuldigd is als gevolg van het feit dat er ten onrechte btw in rekening is gebracht voor die levering.
Tweede vraag
46 Gezien het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (prejudiciële kamer),
verklaart voor recht:
De artikelen 40, 41 en 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw),
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen aan btw onderwerpt op grond dat de afnemer die de verwerving onder het door die lidstaat toegekende btw-identificatienummer heeft verricht, wanneer een dergelijke verwerving voortvloeit uit een van btw vrijgestelde intracommunautaire levering waarover in die lidstaat op grond van de regel van artikel 203 van de btw-richtlijn belasting verschuldigd is als gevolg van het feit dat er ten onrechte btw in rekening is gebracht voor die levering.
|
Papasavvas |
Półtorak |
Sampol Pucurull |
|
Petrlík |
Valasidis |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 februari 2026.
ondertekeningen