Judgment of the General Court (Chamber giving preliminary rulings) van 11 februari 2026
Judgment of the General Court (Chamber giving preliminary rulings) van 11 februari 2026
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
Uitspraak
Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Prejudiciële kamer)
11 februari 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk btw-stelsel – Belastbare handelingen – Begrip ,dienst die onder bezwarende titel wordt verricht’ – Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a) en c), van richtlijn 2006/112/EG – Maatstaf van heffing – Begrip ‚tegenprestatie’ – Artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 – Houders van naburige rechten – Mededeling van fonogrammen en audiovisuele programma’s zonder licentie – Vergoeding die aan de organisatie voor het collectief beheer wordt betaald – Verhoging ”
In zaak T‑643/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 13 september 2024, ingekomen bij het Hof op 22 november 2024, in de procedure
Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam)
tegen
Cristian General Serv SRL,
wijst
HET GERECHT (Prejudiciële kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, M. Sampol Pucurull, G. Steinfatt, D. Petrlík en W. Valasidis (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 12 december 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Credidam, vertegenwoordigd door Ş. Gheorghiu, uitvoerend directeur, bijgestaan door A. Lascu, avocată,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, M. Chicu en L. Ghiță als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en E. Stamate als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Centru Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam), een organisatie die zich bezighoudt met het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten in Roemenië, en Cristian General Serv SRL, een vennootschap naar Roemeens recht die een pension exploiteert, over de heffing van belasting over de toegevoegde waarde (btw) over het gehele of een deel van het bedrag dat deze vennootschap aan Credidam verschuldigd is wegens het feit dat deze vennootschap zonder licentie fonogrammen en audiovisuele programma’s aan haar klanten ter beschikking heeft gesteld.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/112 bepaalt:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[...]
c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;
[...]”
4 Artikel 24 van richtlijn 2006/112 luidt:
„1. Als ,dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.
[...]”
5 Artikel 25 van richtlijn 2006/112 bepaalt:
„Een dienst kan onder meer een van de volgende handelingen zijn:
a) de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd;
b) de verplichting [...] om een daad of een situatie te dulden;
c) het verrichten van een dienst [...] krachtens de wet.”
6 Artikel 73 van richtlijn 2006/112 luidt als volgt:
„Voor andere goederenleveringen en diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 omvat de maatstaf van heffing alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.”
7 Artikel 78 van richtlijn 2006/112 bepaalt:
„In de maatstaf van heffing moeten de volgende elementen worden opgenomen:
a) belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf;
[...]”
Nationaal recht
Belastingwetboek
8 De artikelen 268 en 271 van Lege nr. 227/2015 privind Codul fiscal (wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek) van 8 september 2015 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 688, van 10 september 2015), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „belastingwetboek”), strekken tot omzetting van de artikelen 2, 24 en 25 van richtlijn 2006/112 in Roemeens recht.
9 Artikel 286 van het belastingwetboek luidt:
„[...]
(4) In de maatstaf van heffing worden de volgende elementen niet opgenomen:
[...]
b) de bij definitieve of definitieve en onherroepelijke rechterlijke beslissing, naargelang van het geval, vastgestelde bedragen die schadevergoeding vormen, boeten en andere bedragen die zijn gevraagd voor de volledige of gedeeltelijke niet-nakoming van contractuele verplichtingen, indien deze in aanvulling op de overeengekomen prijzen en/of tarieven in rekening worden gebracht;
[...]”
Wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten
10 Artikel 112 van Lege nr. 8/1996 privind dreptul de autor şi drepturile conexe (wet nr. 8/1996 betreffende auteursrechten en naburige rechten) van 14 maart 1996 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 60, van 26 maart 1996), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten”), bepaalt:
„(1) Artiesten, uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen hebben recht op een eenmalige billijke vergoeding voor het directe of indirecte gebruik van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen of voor de reproductie daarvan door uitzending of enige andere wijze van mededeling aan het publiek.
(2) De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de methoden overeenkomstig de procedure in de artikelen 163 tot en met 165.
(3) De eenmalige vergoeding wordt geïnd onder de voorwaarden van artikel 168.
[...]
(5) Voor de toepassing van deze wet wordt een fonogram geacht voor commerciële doeleinden te zijn uitgegeven wanneer het ter beschikking van het publiek wordt gesteld door verkoop of met behulp van draadgebonden of draadloze middelen waarmee het voor iedereen op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is.”
11 Artikel 145 van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten luidt:
„(1) De uitoefening van de volgende rechten wordt collectief beheerd:
[...]
d) het recht op een eenmalige billijke vergoeding voor uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen voor de mededeling aan het publiek en de uitzending van fonogrammen die voor commerciële doeleinden zijn uitgebracht of van reproducties van die fonogrammen;
[...]
(2) Voor de in lid 1 bedoelde categorieën rechten vertegenwoordigen de organisaties voor collectief beheer ook de rechthebbenden die hun daartoe geen opdracht hebben gegeven.”
12 Artikel 146 van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten bepaalt:
„(1) De volgende rechten kunnen collectief worden beheerd:
[...]
b) het recht van mededeling van werken aan het publiek, met uitzondering van muziekwerken, en van artistieke prestaties op audiovisueel gebied;
[...]
(2) Voor de in lid 1 bedoelde categorieën rechten vertegenwoordigen collectieve beheerorganisaties alleen rechthebbenden die hun daartoe de opdracht hebben gegeven en ontwikkelen zij methoden [...] of onderhandelen zij rechtstreeks over licentieovereenkomsten met gebruikers.
[...]”
Methodologie
13 Bij Decizie nr. 120/2016 privind publicarea în Monitorul Oficial al României, Partea I, a Deciziei civile nr. 784A din 26 octombrie 2016 a Curţii de Apel Bucureşti – Secţia a IV-a civilă, pronunţată în Dosarul nr. 2.013/2/2016 (besluit nr. 120/2016 betreffende de publicatie in het Roemeense Staatsblad, deel I, van civielrechtelijk besluit nr. 784A van 26 oktober 2016 van de rechter in tweede aanleg Boekarest – vierde civiele kamer, gewezen in zaak nr. 2.013/2/2016) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 952, van 25 november 2016) treedt de door het Oficiu Român pentru Drepturile de Autor (Roemeens bureau voor auteursrecht) vastgestelde methodologie, met name bedoeld in artikel 112, lid 2, van de wet inzake het auteursrecht en naburige rechten (hierna: „methodologie”), in werking.
14 Punt 3.12 van de methodologie bepaalt dat wanneer beschermde werken worden gebruikt zonder dat daarvoor vooraf een licentie is verleend, het bedrag van de vergoeding die de gebruiker verschuldigd is aan uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen, gelijk is aan driemaal de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Verzoekster in het hoofdgeding, Credidam, in haar hoedanigheid van organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten in Roemenië, int en verdeelt de voor deze rechten verschuldigde vergoedingen. Deze organisatie ziet toe op het recht van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen op een „billijke vergoeding” in de zin van artikel 145, lid 1, onder d), van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten voor de mededeling aan het publiek en de uitzending van fonogrammen die voor commerciële doeleinden zijn uitgebracht of van reproducties van die fonogrammen. Zij beheert tevens de vergoeding van de rechthebbenden die haar overeenkomstig artikel 146, lid 1, onder b), van deze wet opdracht hebben gegeven voor de mededeling van artistieke prestaties op audiovisueel gebied.
16 Credidam was van mening dat Cristian General Serv haar voor de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2022 (hierna: „bestreden periode”) een bedrag van 4 166,19 Roemeense lei (RON) (ongeveer 845 EUR), inclusief btw, verschuldigd was omdat deze onderneming in het door haar geëxploiteerde pension fonogrammen of reproducties daarvan en artistieke prestaties op audiovisueel gebied (hierna: „betrokken beschermde werken”) aan het publiek had meegedeeld, zonder daartoe vooraf een licentie te hebben verkregen.
17 Om het in punt 16 hierboven genoemde bedrag te bepalen, is Credidam volgens de methodologie overgegaan tot verdrievoudiging van de vergoeding die Cristian General Serv verschuldigd zou zijn geweest indien zij over een licentie had beschikt. Volgens Credidam moest over het volledige bedrag van die vergoeding btw worden betaald.
18 Op 25 november 2022 heeft Credidam bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) een vordering ingesteld die ertoe strekte dat Cristian General Serv op grond van civielrechtelijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zou worden veroordeeld tot betaling van het in punt 16 hierboven genoemde bedrag en tot het sluiten van een overeenkomst met haar voor de verlening van licenties voor de mededeling aan het publiek van werken als bedoeld in punt 15 hierboven.
19 Deze door Credidam ingestelde vordering is bij vonnis van 19 april 2023 verworpen, aangezien de Tribunal București met betrekking tot de vordering tot betaling heeft opgemerkt dat Cristian General Serv in de bestreden periode geen commerciële activiteiten had uitgeoefend, zodat zij de betrokken beschermde werken niet had meegedeeld, hoewel zij beschikte over een ruimte om dergelijke activiteiten uit te oefenen. Met betrekking tot het verzoek om een niet-exclusieve licentie af te sluiten, heeft die rechter geoordeeld dat de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten niet afweek van het beginsel van contractvrijheid en dat de omstandigheid dat de door deze onderneming geëxploiteerde ruimte in februari 2023 werd verlaten, hoe dan ook in de weg stond aan de mogelijkheid om een niet-exclusieve licentie af te sluiten zoals Credidam had verzocht.
20 Credidam heeft tegen het vonnis van 19 april 2023 hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië). Zij handhaaft al haar vorderingen en is in dit verband in essentie van mening dat zij het bewijs heeft geleverd dat Cristian General Serv de betrokken beschermde werken aan het publiek had meegedeeld.
21 De verwijzende rechter vraagt zich bij de beoordeling van de verzoeken van Credidam af of het door Credidam gevorderde bedrag geheel of gedeeltelijk aan btw moest worden onderworpen. Hij wijst erop dat de omstandigheden van het hoofdgeding verschillen van die van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 18 januari 2017, SAWP (C‑37/16, EU:C:2017:22), 21 januari 2021, UCMR – ADA (C‑501/19, EU:C:2021:50), en 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571).
22 Daarop heeft de Curte de Apel Bucureşti de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a), van richtlijn [2006/112] aldus worden uitgelegd dat houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer een gebruiker de beschermde werken aan het publiek mededeelt zonder daarvoor een licentie te hebben verkregen?
2) Hangt het antwoord op de eerste vraag af van de omstandigheid dat de houder van een dergelijk naburig recht op grond van het nationale recht geen mogelijkheid heeft om zich tegen het gebruik te verzetten, maar uitsluitend recht heeft op een eenmalige billijke vergoeding, of hangt het af van de methode die voor de berekening van de verschuldigde bedragen is gebruikt?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
23 Zoals de Europese Commissie in haar opmerkingen heeft aangegeven, verduidelijkt de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet of hij het bewezen acht dat de betrokken beschermde werken aan het publiek zijn meegedeeld.
24 In dit verband zij eraan herinnerd dat er een vermoeden van relevantie geldt voor vragen over de uitlegging van het recht van de Europese Unie die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader en ten aanzien waarvan het niet aan het Gerecht staat om de juistheid ervan na te gaan. Het Gerecht kan een verzoek van een nationale rechterlijke instantie enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Gerecht niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, C‑537/22, EU:C:2024:6, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In casu is het zo dat uit punt 2 van het verzoek om een prejudiciële beslissing, waarvan de inhoud is overgenomen in punt 19 hierboven, blijkt dat de rechter in eerste aanleg, de Tribunal București, heeft geoordeeld dat Cristian General Serv tijdens de bestreden periode geen commerciële activiteiten heeft uitgeoefend, wat de vraag doet rijzen of de diensten waarover de verwijzende rechter het Gerecht om uitlegging verzoekt, daadwerkelijk zijn verricht.
26 Opgemerkt moet worden dat de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing echter geen twijfels heeft geuit over het bestaan van deze diensten.
27 Hoewel de verwijzende rechter erop wordt gewezen dat hij als enige bevoegd is om zich uit te spreken over de juistheid en de juridische kwalificatie van de feiten in het hoofdgeding, moet dus worden geoordeeld dat – gelet op het feit dat deze rechter aangeeft dat hij, in het licht van de in punt 21 hierboven aangehaalde rechtspraak, niet over voldoende gegevens beschikt om het bij hem aanhangige geding te beslechten en gelet op het vermoeden van relevantie dat op prejudiciële vragen rust – niet duidelijk blijkt dat de door deze rechter gevraagde uitlegging van richtlijn 2006/112 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, noch dat het door die rechter opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is (zie naar analogie arrest van 12 september 2024, NARE-BG, C‑429/23, EU:C:2024:742, punt 42).
28 De prejudiciële vragen zijn dan ook ontvankelijk.
Ten gronde
29 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt ten eerste dat de vergoeding van houders van naburige rechten in het Roemeense recht voortvloeit uit de wet en de methodologie waarin deze wordt verduidelijkt, en ten tweede dat de verwijzende rechter zich afvraagt of, ingeval er sprake is van een dienst onder bezwarende titel, in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding alleen btw moet worden geheven over de vergoeding die een gebruiker met een licentie verschuldigd zou zijn, of over het drievoudige van die vergoeding, welk bedrag moet worden betaald wegens de mededeling zonder licentie van de beschermde werken.
30 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moeten derhalve ook artikel 25, onder c), van richtlijn 2006/112, betreffende de verrichting van diensten krachtens de wet, alsmede artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van deze richtlijn, betreffende de maatstaf van heffing van de btw, worden uitgelegd.
31 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de btw van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
32 Wat ten eerste de vraag betreft of een dienst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder de definitie van een dienst onder bezwarende titel valt, zij eraan herinnerd dat een dienst enkel onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenprestatie vormt voor een aan de ontvanger verleende individualiseerbare dienst. Dit is het geval wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie (zie arrest van 24 februari 2022, Suzlon Wind Energy Portugal, C‑605/20, EU:C:2022:116, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd, zoals de advocaat-generaal in de punten 38 en 48 van zijn conclusie heeft gedaan, dat aan het begrip „een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld” een ruime betekenis moet worden gegeven. Zo blijkt uit de rechtspraak dat het enkele gebruik van een gereguleerde dienst, zoals het parkeren van een voertuig op een betaalde parkeerplaats (arrest van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37) of het verbruik van elektriciteit in de eigen woonplaats (arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348), een rechtsbetrekking kan doen ontstaan tussen de houder van de rechten op grond waarvan deze dienst ter beschikking kan worden gesteld en degene die er gebruik van heeft gemaakt (zie in die zin arresten van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 28 en 29, en 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 30‑32).
34 Vervolgens moet met betrekking tot het begrip „vergoeding” worden opgemerkt dat volgens de in punt 33 hierboven aangehaalde rechtspraak het volledig uitblijven van betaling van de verschuldigde bedragen niet in de weg staat aan de vaststelling dat de uit de betrokken economische transactie voortvloeiende rechten en verplichtingen wederkerig zijn (zie in die zin arresten van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 39‑43, en 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 30 en 32).
35 Wat ten slotte het begrip „rechtstreeks verband” betreft, heeft het Hof, zoals de verwijzende rechter zelf heeft aangegeven, reeds geoordeeld dat het feit dat een vergoeding wordt geïnd door een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten, niet in de weg staat aan het bestaan van een rechtstreeks verband in de zin van de in punt 32 hierboven aangehaalde rechtspraak, aangezien deze organisatie handelt voor rekening van de rechthebbenden, en dat het feit dat het collectief beheer van de vergoeding voortvloeit uit een wettelijke verplichting, zich evenmin verzet tegen het bestaan van een dergelijk verband (zie in die zin arrest van 21 januari 2021, UCMR – ADA, C‑501/19, EU:C:2021:50, punt 37). Het Hof heeft ook verduidelijkt dat juist de wettelijke regeling een rechtstreeks verband tot stand brengt tussen de verrichting van diensten en de verplichting tot betaling van de tegenprestatie, met dien verstande dat uit artikel 25, onder c), van richtlijn 2006/112 uitdrukkelijk volgt dat een dienst met name kan bestaan in het verrichten van een dienst krachtens de wet (zie in die zin arrest van 4 juli 2024, Credidam, C‑179/23, EU:C:2024:571, punt 40).
36 Zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft benadrukt, heeft de omstandigheid dat in casu de mededeling van beschermde werken heeft plaatsgevonden zonder dat Credidam vooraf een licentie voor een dergelijke mededeling had verleend, voor de verwijzende rechter de vraag doen rijzen of de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 21 januari 2021, UCMR – ADA (C‑501/19, EU:C:2021:50), kan worden toegepast op de feiten van het hoofdgeding.
37 In dit verband moet worden benadrukt dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich ter zake van de heffing van btw verzet tegen een algemene differentiatie tussen geoorloofde en ongeoorloofde transacties, aangezien het btw-stelsel de eindverbruiker van goederen of diensten beoogt te belasten wanneer deze zijn geleverd of verricht in het kader van krachtens richtlijn 2006/112 belastbare handelingen (zie arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak),
38 In dit geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat Cristian General Serv wordt verweten beschermde werken aan het publiek te hebben meegedeeld zonder dat aan die vennootschap vooraf toestemming of een licentie was verleend.
39 De mededeling van de betrokken beschermde werken geeft aanleiding tot een eenmalige en billijke vergoeding voor de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen die aan deze werken hebben meegewerkt, voor het directe of indirecte gebruik ervan, zonder dat deze uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen zich tegen dit gebruik kunnen verzetten.
40 De toepassingsbepalingen voor de eenmalige en billijke vergoeding, die met name voortvloeien uit punt 3.12 van de methodologie, zorgen ervoor dat het bedrag ervan kan variëren van de normale vergoeding tot driemaal dit bedrag, naargelang de mededeling van de beschermde werken al dan niet is toegestaan door Credidam, die krachtens de artikelen 145 en 146 van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten de houders van naburige rechten vertegenwoordigt in rechte (zie punten 11 en 12 hierboven). Ook al vond de mededeling van de betrokken beschermde werken plaats zonder licentie, het niet verlenen van een licentie door de organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten vormt dan ook geen belemmering om het wettelijk en regelgevend kader voor de mededeling aan het publiek van dergelijke werken zonder licentie toe te passen. De verwijzende rechter dient dit evenwel na te gaan.
41 De omstandigheid dat de gebruiker van de beschermde werken de verschuldigde bedragen niet heeft betaald, staat er niet aan in de weg dat deze bedragen – gelet op de in punt 34 hierboven aangehaalde rechtspraak – worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de dienst die door een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten wordt verricht namens de houders van naburige rechten. Of er inderdaad sprake is van een tegenprestatie moet door de verwijzende rechter worden nagegaan.
42 Voorts staat het feit dat de door de gebruiker van beschermde werken verschuldigde bedragen worden gevorderd door een organisatie voor collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten, en niet door de houders van naburige rechten zelf, niet in de weg aan het feit dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie, zoals blijkt uit punt 35 hierboven.
43 Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat een dienst als die welke de verwijzende rechter heeft geïdentificeerd, voldoet aan de in punt 32 hierboven in herinnering gebrachte criteria uit de rechtspraak, hetgeen die rechter dient na te gaan.
44 Wat ten tweede de vraag betreft of de btw alleen moet worden geheven over de vergoeding die aan de organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten, die optreedt namens de houders van naburige rechten, verschuldigd zou zijn geweest indien de gebruiker van de beschermde werken over een licentie had beschikt, dan wel betrekking moet hebben op het drievoudige van die vergoeding, moet worden gewezen op de volgende overwegingen.
45 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatstaf van heffing voor diensten onder bezwarende titel wordt gevormd door de tegenprestatie die de belastingplichtige daarvoor werkelijk ontvangt. Deze tegenprestatie is de subjectieve waarde, dat wil zeggen de werkelijk ontvangen waarde en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Bovendien moet deze tegenprestatie kunnen worden uitgedrukt in een geldbedrag (zie arrest van 7 maart 2013, Efir, C‑19/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:148, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Bovendien blijkt uit artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 dat de btw zelf niet in de maatstaf van heffing wordt opgenomen, wat impliceert dat de btw van rechtswege altijd in de overeengekomen prijs begrepen is [arrest van 21 maart 2024, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Bydgoszczy (Mogelijke correctie in geval van een onjuist tarief), C‑606/22, EU:C:2024:255, punt 27].
47 Dit begrip „overeengekomen prijs”, dat wil zeggen „tegenprestatie” voor de dienst, wordt door de Unierechter aldus uitgelegd dat het ook verhogingen of extra kosten omvat wanneer deze voortvloeien uit de toepassing van het rechtskader op de betrekkingen tussen de dienstverlener en degene die de dienst heeft genoten, ook al was dat op onrechtmatige of onregelmatige wijze, met andere woorden wanneer deze verhogingen of extra kosten het rechtstreekse verband tussen de dienst en de tegenprestatie voor die dienst illustreren. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat de controlevergoeding wegens onregelmatig parkeren, die verschuldigd was door automobilisten die gebruik hadden gemaakt van een parkeerplaats, aan btw was onderworpen, ook al waren dergelijke kosten naar nationaal recht als een boete aangemerkt (arrest van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 30‑34 en 46). Evenzo heeft het geoordeeld dat de vergoeding voor het door een consument onrechtmatig verkregen voordeel aan de btw is onderworpen (arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punt 32).
48 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt in casu uitdrukkelijk uit punt 3.12 van de methodologie, waar in de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten specifiek naar wordt verwezen, dat de verhoging van de vergoeding die verschuldigd is door de gebruiker van beschermde werken die niet over een licentie beschikt, het rechtstreekse gevolg is van de mededeling van die werken zonder licentie, dat wil zeggen van een dienst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
49 De prijs die in omstandigheden als die van het hoofdgeding in aanmerking moet worden genomen en waarover de btw moet worden geheven, is dus de prijs die wettelijk is vastgesteld in geval van mededeling van werken zonder licentie zoals de betrokken beschermde werken, dat wil zeggen het drievoudige van de prijs die de gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij deze werken met een licentie had meegedeeld.
50 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de btw van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
Kosten
51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Prejudiciële kamer),
verklaart voor recht:
Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moeten aldus worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
|
Papasavvas |
Sampol Pucurull |
Steinfatt |
|
Petrlík |
Valasidis |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 februari 2026.
ondertekeningen