Home

Arrest van het Gerecht (Prejudiciële kamer) van 26 november 2025

Arrest van het Gerecht (Prejudiciële kamer) van 26 november 2025

Gegevens

Instantie
Gerechtshof EU
Datum uitspraak
26 november 2025

Uitspraak

Arrest van het Gerecht (Prejudiciële kamer)

26 november 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Accijns - Richtlijn 2008/118/EG - Artikel 10, leden 2 en 4, van richtlijn 2008/118 - Onregelmatigheid die heeft plaatsgevonden tijdens een overbrenging van accijnsgoederen - Overbrenging van goederen onder een accijnsschorsingsregeling - Constatering van een onregelmatigheid tijdens de overbrenging - Constatering bij het uitladen van het transportmiddel dat een hoeveelheid goederen ontbreekt”"

In zaak T‑690/24, [Kolinsen](2),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (Nederland) bij beslissing van 18 december 2024, ingekomen bij het Hof op 30 december 2024, in de procedure

Inspecteur van de Douane

tegen

FL,

HET GERECHT (Prejudiciële kamer),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, M. Sampol Pucurull, G. Steinfatt, D. Petrlík (rapporteur) en W. Valasidis, rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: V. Di Bucci,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 16 januari 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder b), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • FL, vertegenwoordigd door N. P. J. Ooyevaar,

  • de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens en M. Jacobs als gemachtigden,

  • de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en P. P. Huurnink als gemachtigden,

  • de Zweedse regering, vertegenwoordigd door H. Eklinder, F.‑L. Göransson, C. Meyer-Seitz en J. Olsson als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland en W. Roels als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, leden 2 en 4, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Inspecteur van de Douane (Nederland) (hierna: „inspecteur”) en FL over de teruggaaf van de door FL betaalde accijns over een hoeveelheid ethylalcohol die bij de levering van dit product in een belastingentrepot in Nederland bleek te ontbreken.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Richtlijn 2008/118 is met ingang van 13 februari 2023 ingetrokken bij en vervangen door richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB 2020, L 58, blz. 4). Gelet op de datum van de feiten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet de onderhavige prejudiciële verwijzing evenwel worden onderzocht in het licht van de bepalingen van richtlijn 2008/118.

4 Overweging 11 van richtlijn 2008/118 luidde als volgt:

„In geval van een onregelmatigheid dient de accijns verschuldigd te worden in de lidstaat waar de in de uitslag tot verbruik resulterende onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of, indien niet is vast te stellen waar de onregelmatigheid plaatsvond, in de lidstaat waar zij is geconstateerd. Indien de accijnsgoederen niet op hun plaats van bestemming zijn aangekomen en er geen onregelmatigheid is geconstateerd, dient ervan te worden uitgegaan dat er een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar de accijnsgoederen zijn verzonden.”

5 Artikel 4 van richtlijn 2008/118 bepaalde het volgende:

„In deze richtlijn en de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder:

[...]

  1. ,accijnsschorsingsregeling’: belastingregeling die geldt voor het onder schorsing van accijns produceren, verwerken, voorhanden hebben en overbrengen van niet onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen;

[...]

  1. ,belastingentrepot’: iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt, zulks onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar dit belastingentrepot gelegen is”.

6 Artikel 7 van richtlijn 2008/118 bepaalde:

„1.

De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik.

2.

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder uitslag tot verbruik verstaan:

  1. het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;

[...]

4.

De algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van onder een accijnsschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door niet te voorziene omstandigheden of overmacht, of ingevolge instructies van de bevoegde autoriteiten, wordt niet aangemerkt als uitslag tot verbruik.

Voor de toepassing van deze richtlijn worden goederen geacht totaal vernietigd of onherstelbaar verloren te zijn wanneer zij als accijnsgoed onbruikbaar zijn geworden.

De algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van de accijnsgoederen in kwestie wordt aangetoond ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies zich heeft voorgedaan of, indien niet is vast te stellen waar het verlies zich heeft voorgedaan, van de lidstaat waar het verlies is geconstateerd.

[...]”

7 Artikel 10 van richtlijn 2008/118 bepaalde het volgende:

„1.

Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), vindt de uitslag tot verbruik plaats in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.

2.

Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling een onregelmatigheid is geconstateerd die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat waar en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd.

[...]

4.

Indien onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is geconstateerd die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a), wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van aanvang van de overbrenging, tenzij binnen een termijn van vier maanden na de aanvang van de overbrenging overeenkomstig artikel 20, lid 1, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending wordt aangetoond dat de overbrenging overeenkomstig artikel 20, lid 2, is geëindigd of dat is vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond.

[...]

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ,onregelmatigheid’ verstaan, een andere dan de in artikel 7, lid 4, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 20, lid 2, is geëindigd.”

8 Artikel 17, lid 1, van richtlijn 2008/118 bepaalde:

„Accijnsgoederen kunnen, ook indien zij via een derde land of een derdelandsgebied worden overgebracht, binnen het grondgebied van de [Europese Unie] onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht:

  1. van een belastingentrepot naar:

    1. een ander belastingentrepot;

[...]”

9 Artikel 20, lid 2, van richtlijn 2008/118 voorzag in het volgende:

„De overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling eindigt, in [het] in artikel 17, lid 1, onder a) i), [...] bedoelde [geval], op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen[...]”.

Nederlands recht

10 Artikel 2b, lid 2, van de Wet op de accijns van 31 oktober 1991 (Stb. 1991, 561), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidde als volgt:

„De overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling eindigt, in de in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a, b, c en e, tweede lid, en derde lid, onderdelen a, b, c en e, bedoelde gevallen, op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen, [...].”

11 Artikel 2c van de accijnswet bepaalt:

„[...]

2.

Indien in Nederland wordt geconstateerd dat zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen als bedoeld in het eerste lid een onregelmatigheid heeft voorgedaan die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd geconstateerd.

[...]

7.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder onregelmatigheid verstaan, een andere dan de in artikel 2, vijfde lid, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, is geëindigd.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12 FL heeft in maart en april 2019 per schip twee ladingen van respectievelijk 1 680 018 en 1 460 715 liter ethylalcohol in bulk van een belastingentrepot in België naar een belastingentrepot in Nederland verzonden. Het transport vond plaats in het kader van een overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns, zoals bedoeld in de artikelen 17 tot en met 31 van richtlijn 2008/118.

13 Bij aankomst op de plaats van bestemming heeft de geadresseerde geconstateerd dat hij respectievelijk 9 239 en 4 732 liter ethylalcohol minder had ontvangen dan de hoeveelheden die waren vermeld in de elektronische administratieve documenten die met het oog op de toepassing van de schorsingsregeling waren opgesteld.

14 Bij twee brieven van juli 2019 heeft de inspecteur FL meegedeeld dat zij in Nederland accijns diende te voldoen ten bedrage van respectievelijk 42 405 EUR en 5 889 EUR ter zake van de geconstateerde ontbrekende hoeveelheden ethylalcohol.

15 Volgens de door de inspecteur verstrekte informatie heeft FL in Nederland twee accijnsaangiften gedaan, de ene voor 42 405 EUR en de andere voor 5 889 EUR, en heeft zij deze bedragen betaald. Daarnaast heeft ook het Koninkrijk België ter zake van de eerste van de twee betrokken leveringen accijns geheven voor een bedrag van 49 997,60 EUR.

16 FL heeft bezwaar gemaakt bij de inspecteur. Bij besluit van 30 januari 2020 heeft de inspecteur dit bezwaar afgewezen en de teruggaaf van de door FL betaalde accijns geweigerd.

17 Bij beslissing van 20 juni 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Nederland) de beroepen van FL tegen het besluit van de inspecteur toegewezen en geoordeeld dat de door FL in Nederland betaalde accijns moest worden teruggegeven.

18 De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (Nederland), de verwijzende rechter.

19 De verwijzende rechter twijfelt of de accijns op de ontbrekende hoeveelheid geleverde ethylalcohol moest worden betaald in Nederland op grond van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118, dan wel in België op grond van artikel 10, lid 4, van deze richtlijn. Met name wil hij in essentie weten of, wanneer er bij het uitladen van een transportmiddel dat onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen vervoert, wordt geconstateerd dat een bepaalde hoeveelheid goederen ontbreekt, er dan sprake is van een onregelmatigheid die tijdens een overbrenging van accijnsgoederen is geconstateerd in de zin van artikel 10, lid 2, van die richtlijn, dan wel van een situatie waarin accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is geconstateerd in de zin van artikel 10, lid 4, van die richtlijn.

20 Daarom heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dient artikel 10, lid 2, van [richtlijn 2008/118] aldus te worden uitgelegd dat aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan in het geval de onder de accijnsschorsingsregeling overgebrachte goederen niet of niet geheel op de plaats van bestemming zijn aangekomen en dat tekort niet eerder is geconstateerd dan bij het uitladen van het transportmiddel, zodat deze constatering van een dergelijk tekort de onregelmatigheid vormt en de lidstaat van aankomst derhalve heffingsbevoegd is? Of dient de onbekend gebleven eerdere gebeurtenis welke heeft geleid tot het tekort te worden aangemerkt als de onregelmatigheid als bedoeld in artikel 10, lid 4, van [richtlijn 2008/118], zodat de lidstaat van verzending heffingsbevoegd is?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21 De verwijzende rechter wenst met zijn vraag in essentie te vernemen of artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet geheel op de plaats van bestemming zijn aangekomen en pas bij het uitladen van het transportmiddel dat die goederen vervoerde, is geconstateerd dat er een bepaalde hoeveelheid ontbrak, zodat de onregelmatigheid als bedoeld in deze bepaling wordt geacht te hebben plaatsgevonden in de staat van aankomst en de accijns derhalve in die staat verschuldigd is.

22 Vooraf zij eraan herinnerd dat op grond van artikel 2 van richtlijn 2008/118 de in artikel 1 van deze richtlijn bedoelde goederen aan accijns worden onderworpen op het tijdstip van hun productie op het grondgebied van de Europese Unie of van hun invoer in dat grondgebied. Het belastbare feit ter zake van de accijns is dus de productie van de betreffende goederen op dat grondgebied of de invoer ervan in dat grondgebied, maar deze belasting wordt volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/118 pas verschuldigd op het tijdstip waarop deze goederen worden uitgeslagen tot verbruik.

23 Volgens artikel 17, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118 kunnen accijnsgoederen binnen de Unie onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht, onder meer – zoals in het hoofdgeding – van een belastingentrepot in een lidstaat naar een belastingentrepot in een andere lidstaat. Een dergelijke accijnsschorsingsregeling wordt gekenmerkt door het feit dat de accijns voor de onder deze regeling vallende goederen nog niet verschuldigd is, hoewel het belastbare feit zich reeds heeft voorgedaan. Deze regeling leidt voor accijnsgoederen dus tot schorsing van de verschuldigdheid van de accijns totdat is voldaan aan de voorwaarde voor verschuldigdheid (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Voor accijnsgoederen die onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht (hierna: „accijnsgoederen”), bepaalt artikel 7, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/118 dat het aan deze regeling onttrekken, van accijnsgoederen als uitslag tot verbruik wordt beschouwd, ongeacht of het onttrekken al dan niet regelmatig is.

25 In dat verband stelt artikel 10 van richtlijn 2008/118 de regels vast aan de hand waarvan wordt bepaald in welke lidstaat accijnsgoederen moeten worden geacht te zijn uitgeslagen tot verbruik ten gevolge van onregelmatigheden die tijdens hun overbrenging hebben plaatsgevonden.

26 Voor de toepassing van artikel 10 van richtlijn 2008/118 wordt het begrip „onregelmatigheid” in artikel 10, lid 6, van deze richtlijn gedefinieerd als een andere dan de in artikel 7, lid 4, van die richtlijn bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen voordoet en die tot gevolg heeft dat die overbrenging of een onderdeel daarvan niet overeenkomstig artikel 20, lid 2, van die richtlijn is geëindigd.

27 Wat dit begrip „onregelmatigheid” betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de constatering dat er bij de levering van accijnsgoederen een bepaalde hoeveelheid ontbreekt, wijst op een situatie – die zich noodzakelijkerwijs op een eerder tijdstip heeft voorgedaan – waarin de ontbrekende goederen niet bij deze levering zaten, zodat de overbrenging ervan niet is geëindigd overeenkomstig artikel 20, lid 2, van richtlijn 2008/118. Deze situatie vormt bijgevolg een onregelmatigheid in de zin van artikel 10, lid 6, van deze richtlijn. Een dergelijke onregelmatigheid resulteert noodzakelijkerwijs in een onttrekking aan de accijnsschorsingsregeling en dus, overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder a), van die richtlijn, in een uitslag tot verbruik (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punt 43 ).

28 In dit verband moet worden benadrukt dat niet de constatering van een ontbrekende hoeveelheid goederen bij de levering op zichzelf de onregelmatigheid in de zin van artikel 10, lid 6, van richtlijn 2008/118 vormt. De situatie die in de in punt 27 hierboven genoemde rechtspraak als onregelmatigheid is aangemerkt, is immers die waarin de ontbrekende goederen niet bij de levering zaten en de overbrenging van die goederen derhalve niet is geëindigd overeenkomstig artikel 20, lid 2, van richtlijn 2008/118. Het is dus het bestaan zelf van een ontbrekende hoeveelheid dat de onregelmatigheid in de zin van artikel 10, lid 6, van deze richtlijn vormt.

29 Aangezien het begrip „onregelmatigheid” op dezelfde manier is gedefinieerd voor het gehele artikel 10 van richtlijn 2008/118, moet het bovendien dezelfde betekenis hebben voor zowel de toepassing van artikel 10, lid 2, van die richtlijn als de toepassing van artikel 10, lid 4, ervan. De situatie waarin de ontbrekende goederen niet bij de levering van accijnsgoederen zaten, kan als onregelmatigheid in de zin van artikel 10, lid 6, van richtlijn 2008/118 dus afhankelijk van de omstandigheden zowel onder artikel 10, lid 2, van die richtlijn als onder artikel 10, lid 4, ervan vallen.

30 Wat dit betreft volgt uit de bewoordingen van artikel 10, leden 2 en 4, van richtlijn 2008/118 dat artikel 10, lid 2, van deze richtlijn van toepassing is wanneer „tijdens een overbrenging” van accijnsgoederen een onregelmatigheid is geconstateerd, terwijl artikel 10, lid 4, van deze richtlijn betrekking heeft op het geval waarin de onregelmatigheid weliswaar tijdens een overbrenging heeft plaatsgevonden, maar niet tijdens deze overbrenging is geconstateerd (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punten 38 en 53 ).

31 Derhalve moet worden onderzocht of, wanneer er bij het uitladen van een transportmiddel dat accijnsgoederen vervoert, wordt geconstateerd dat een bepaalde hoeveelheid ontbreekt, die constatering moet worden geacht nog plaats te vinden tijdens een overbrenging van deze goederen in de zin van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118 dan wel na het einde van die overbrenging.

32 In dit verband blijkt om te beginnen uit artikel 20, lid 2, van richtlijn 2008/118 dat de overbrenging van accijnsgoederen in het geval van een overbrenging van een belastingentrepot naar een ander belastingentrepot eindigt op het tijdstip waarop de geadresseerde deze goederen in ontvangst heeft genomen.

33 Vervolgens volgt uit de context van artikel 20, lid 2, van richtlijn 2008/118 dat de daadwerkelijke ontvangst van de accijnsgoederen voor de Uniewetgever het beslissende onderdeel vormt van de context waarin de overbrenging van deze goederen bij de levering ervan moet worden beoordeeld (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punt 30 ).

34 Indien de inontvangstneming zou worden geacht plaats te vinden op het ogenblik waarop het transportmiddel waarmee de accijnsgoederen worden overgebracht, aankomt op de plaats van bestemming, nog voordat de geadresseerde de daadwerkelijk geleverde hoeveelheid van die goederen heeft kunnen vaststellen, zou de belasting bovendien verschuldigd worden zonder dat is voldaan aan de vereisten die verband houden met de aard zelf van deze belasting, die onderstelt dat de hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen goederen exact bekend is (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punten 32 en 33 ).

35 Ten slotte moet worden opgemerkt dat accijnsgoederen in de regel worden geleverd aan een belastingentrepothouder. Door van een dergelijke entrepothouder te eisen dat hij, zoals in artikel 16, lid 2, onder d), van richtlijn 2008/118 is bepaald, alle accijnsgoederen in zijn belastingentrepot plaatst en in zijn administratie noteert zodra de overbrenging ervan is geëindigd, en door aldus deze materiële en boekhoudkundige verrichtingen te doen samenvallen met het einde van de overbrenging van die goederen, heeft de Uniewetgever als einde van de overbrenging een tijdstip in aanmerking willen nemen waarop de entrepothouder die goederen daadwerkelijk heeft ontvangen en de hoeveelheid ervan nauwkeurig heeft kunnen bepalen met het oog op de inschrijving ervan in de administratie van het entrepot (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punt 34 ).

36 Daarom moet artikel 20, lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus worden uitgelegd dat de overbrenging van accijnsgoederen pas moet worden geacht te eindigen op het tijdstip waarop de geadresseerde de hoeveelheid goederen die hij daadwerkelijk heeft ontvangen, exact kan kennen (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punt 32 ).

37 Bijgevolg kan de overbrenging van accijnsgoederen pas worden geacht te zijn geëindigd nadat het transportmiddel dat deze goederen vervoert, volledig is uitgeladen, aangezien dat uitladen of een controle die daaraan voorafgaat de geadresseerde in staat stelt om de hoeveelheid goederen die hij daadwerkelijk heeft ontvangen, exact te kennen (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, BP Europa, C‑64/15, EU:C:2016:62, punt 33 ).

38 Hieruit volgt dat, wanneer bij het uitladen van een transportmiddel dat goederen vervoert, of nadat dit volledig is uitgeladen, wordt geconstateerd dat er een hoeveelheid goederen ontbreekt, deze constatering moet worden geacht nog tijdens de overbrenging van die goederen plaats te vinden in de zin van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118.

39 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de vraagstelling van de verwijzende rechter, volgens welke artikel 10, lid 4, van richtlijn 2008/118 zinledig zou kunnen worden indien aan artikel 10, lid 2, van deze richtlijn een dergelijke reikwijdte werd toegekend. Die rechter merkt namelijk op dat een ontbrekende hoeveelheid goederen altijd uiterlijk bij het uitladen van het transportmiddel wordt geconstateerd en dat een dergelijke situatie dus steeds onder artikel 10, lid 2, van die richtlijn valt.

40 Vastgesteld moet immers worden dat artikel 10, lid 4, van richtlijn 2008/118 met name nog altijd van toepassing is wanneer de door de geadresseerde ontvangen hoeveelheid accijnsgoederen kleiner is dan de hoeveelheid die aan hem geleverd had moeten worden, maar deze onregelmatigheid om welke reden dan ook niet tijdens de overbrenging maar pas in een later stadium wordt geconstateerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de geadresseerde de hoeveelheid goederen niet heeft gecontroleerd bij het uitladen ervan en pas na het einde van de overbrenging van die goederen is geconstateerd dat er een hoeveelheid ontbrak, of wanneer de geadresseerde de hoeveelheid goederen bij het uitladen onjuist heeft gecontroleerd en er daardoor van uitging dat de volledige hoeveelheid geleverd was, waarna pas later is geconstateerd dat er een hoeveelheid ontbrak.

41 Ook overweging 11 van richtlijn 2008/118 kan niet tot een andere uitlegging leiden, aangezien deze slechts een samenvatting van de inhoud van artikel 10, leden 1, 2 en 4, van deze richtlijn bevat en het niet mogelijk maakt om af te wijken van de regels aan de hand waarvan wordt bepaald in welke lidstaat de accijns verschuldigd is, zoals het Hof deze in het arrest van 28 januari 2016, BP Europa (C‑64/15, EU:C:2016:62 ), in het licht van met name artikel 20, lid 2, van die richtlijn heeft uitgelegd.

42 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin accijnsgoederen niet geheel op de plaats van bestemming zijn aangekomen en pas bij het uitladen van het transportmiddel dat die goederen vervoerde, is geconstateerd dat er een bepaalde hoeveelheid ontbrak, zodat de onregelmatigheid als bedoeld in deze bepaling wordt geacht te hebben plaatsgevonden in de staat van aankomst en de accijns derhalve in die staat verschuldigd is.

Kosten

43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (Prejudiciële kamer),

verklaart voor recht:

Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG

moet aldus worden uitgelegd dat

het van toepassing is op een situatie waarin onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet geheel op de plaats van bestemming zijn aangekomen en pas bij het uitladen van het transportmiddel dat die goederen vervoerde, is geconstateerd dat er een bepaalde hoeveelheid ontbrak, zodat de onregelmatigheid als bedoeld in deze bepaling wordt geacht te hebben plaatsgevonden in de staat van aankomst en de accijns derhalve in die staat verschuldigd is.

Papasavvas

Sampol Pucurull

Steinfatt

Petrlík

Valasidis

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 november 2025.

De griffier

V. Di Bucci

De president

S. Papasavvas