Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 maart 2026
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 maart 2026
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 12 maart 2026
Uitspraak
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 maart 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Artikel 45 VWEU – Vrij verkeer van werknemers – Inkomstenbelasting – In een andere lidstaat ontvangen beroepsinkomsten – Vrijstelling met progressievoorbehoud in de woonstaat – Niet-toepassing van een bilateraal verdrag ter voorkoming van dubbele belasting door de andere overeenkomstsluitende staat – Verlies van een deel van de belastingvoordelen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige ”
In zaak C‑150/25 [Marhaux] (i),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal de première instance du Luxembourg (rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, België) bij beslissing van 19 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 20 februari 2025, in de procedure
BX
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan (rapporteur), D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– BX, vertegenwoordigd door M. Igalson en M. Shooshtari, avocats
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, P. Cottin en C. Pochet als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en O. Duprat-Mazaré als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en W. Roels als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 45 VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BX, een fiscaal inwoner van België die beroepsinkomsten uit Belgische, Luxemburgse en Franse bronnen ontvangt, en de Belgische Staat over de niet-aftrek van bepaalde gezinslasten van de belastinggrondslag voor de personenbelasting in België.
Toepasselijke bepalingen
VWEU
3 Artikel 45 VWEU stelt:
„1. Het verkeer van werknemers binnen de [Europese] Unie is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
[...]
4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.”
Belgisch-Franse belastingovereenkomst
4 De Overeenkomst tussen België en Frankrijk van 10 maart 1964 tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, in de op het tijdstip van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Belgisch-Frans belastingverdrag”), bepaalt in artikel 10, lid 1:
„De bezoldigingen in de vorm van salarissen, lonen, wedden, soldijen en pensioenen toegekend door één van de verdragsluitende Staten of door een publiekrechtelijke rechtspersoon van deze Staat, die geen nijverheids‑ of handelsactiviteit uitoefent, zijn uitsluitend in deze Staat belastbaar.”
5 Artikel 25 van dit verdrag luidt:
„1.
a) Onderdanen van een overeenkomstsluitende Staat worden in een andere overeenkomstsluitende Staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichtingen onderworpen die anders of zwaarder zijn dan de belastingheffing of daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder gelijke omstandigheden, inzonderheid met betrekking tot de woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1, ook van toepassing op personen die geen ingezetenen zijn van een overeenkomstsluitende Staat of van beide overeenkomstsluitende Staten.
b) Er is overeengekomen dat een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een personenvennootschap of een vereniging die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat zich niet in dezelfde omstandigheden bevindt als een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een personenvennootschap of een vereniging die geen inwoner is van die Staat, en dit, ongeacht de definitie van de nationaliteit, zelfs indien de rechtspersonen, de personenvennootschappen en de verenigingen worden beschouwd als onderdanen van de overeenkomstsluitende Staat waarvan zij inwoner zijn.
2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 worden natuurlijke personen die inwoner zijn van een overeenkomstsluitende Staat en die in de andere overeenkomstsluitende Staat een dienstbetrekking uitoefenen, in die andere Staat ter zake van de inkomsten uit deze werkzaamheden niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting, die zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan natuurlijke personen die inwoner zijn van die andere Staat en die aldaar een dienstbetrekking uitoefenen, zijn of kunnen worden onderworpen. De persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten welke die andere staat aan zijn eigen inwoners verleent, worden verleend aan de in de vorige zin bedoelde personen, maar ze worden verminderd naar rata van de bezoldigingen die uit die andere Staat afkomstig zijn in verhouding tot het totale beroepsinkomen, ongeacht de herkomst ervan, waarvan die personen de begunstigden zijn.
[...]
4. De uitdrukking ‚onderdanen’ betekent voor elke overeenkomstsluitende Staat:
a) alle natuurlijke personen die de nationaliteit van die Staat bezitten;
b) alle rechtspersonen, personenvennootschappen en verenigingen die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de genoemde Staat.”
Belgisch recht
6 Artikel 104 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, in de versie die door de verwijzende rechter is voorgesteld als die welke van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:
„De volgende bestedingen worden van het totale netto-inkomen afgetrokken, in zover zij in het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald:
1 80 pct. van de onderhoudsuitkeringen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald aan personen die niet deel uitmaken van zijn gezin, wanneer ze zijn betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede 80% van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen. [...]”
7 Artikel 155, eerste alinea, van dit wetboek bepaalt:
„Inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld, komen in aanmerking voor het bepalen van de belasting, maar deze wordt verminderd naar de verhouding tussen de inkomsten die zijn vrijgesteld en het geheel van de inkomsten.”
8 Circulaire nr. Ci.RH.331/575.420 (AFER 8/2008) van 12 maart 2008 bepaalt:
„I. Inleiding
1. In het Belgische belastingstelsel worden de fiscale tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke toestand of de gezinstoestand van de belastingplichtige (aftrek van onderhoudsuitkeringen, aanvullende belastingvrije som voor kinderen ten laste, enz.) zowel op de inkomsten van Belgische oorsprong als op de inkomsten van buitenlandse oorsprong toegepast. Indien de persoonlijke toestand of de gezinstoestand waarvan sprake is niet in aanmerking is genomen in het buitenland, gaat een gedeelte van die tegemoetkomingen verloren.
Nederland paste een vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud toe die gelijkaardig is als die welke in België wordt gebruikt. In zijn arrest [van 12 december 2002, De Groot (C‑385/00, EU:C:2002:750) inzake een] inwoner van Nederland, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen evenwel geoordeeld dat die vrijstellingsmethode strijdig was met de reglementering inzake vrij verkeer van personen binnen de [Unie].
België werd door de [Europese Commissie] verzocht de Belgische fiscale bepalingen inzake de toepassing van de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud in het kader van ‚de personeninkomstenbelasting’, in overeenstemming te brengen met de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen [21, 45, 49 en 63 VWEU] en de artikelen 28, 31 en 40 van de [Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3)].
De volgende oplossing is aangenomen: in de gevallen waarin de persoonlijke toestand of de gezinstoestand van de belastingplichtige niet in aanmerking is genomen in het buitenland, zal, bovenop de in [artikel 155, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992] vermelde vermindering, nog een belastingvermindering voor inkomsten van buitenlandse oorsprong worden verleend.
[...]
II. Toepassingsvoorwaarden
[...]
9. De bijkomende vermindering kan in geen enkel geval worden verleend:
– wanneer de tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke toestand of de gezinstoestand van de belastingplichtige werden toegekend in de buitenlandse lidstaat (lidstaten) van de [Europese Economische Ruimte (EER)] met toepassing van een ‚prorata’-regel. Dit is inzonderheid het geval wanneer die tegemoetkomingen worden verleend naar rata van de in de desbetreffende lidstaat (lidstaten) verkregen inkomsten in het wereldinkomen of in het totale beroepsinkomen. Dergelijke prorata-regel is opgenomen in de dubbelbelastingverdragen die met Frankrijk (uitsluitend voor bepaalde categorieën beroepsinkomsten) en met Nederland gesloten zijn [...]”
Frans recht
9 De code général des impôts (algemeen belastingwetboek), in de door de verwijzende rechter als de op het hoofdgeding toepasselijk aangeduide versie (hierna: „code général des impôts”), bepaalt in artikel 156:
„Inkomstenbelasting wordt geheven over het totale bedrag van de jaarlijkse netto-inkomsten waarover een fiscaal huishouden beschikt. Deze netto-inkomsten worden bepaald aan de hand van de eigendommen en het vermogen van de in artikel 6, leden 1 en 3, genoemde leden van het fiscale gezin, de door hen uitgeoefende beroepen, de salarissen, lonen, pensioenen en lijfrenten die zij ontvangen, alsmede de winst op alle winstgevende transacties die zij verrichten, onder aftrek van:
[...]
II. De volgende lasten die niet in aanmerking worden genomen voor de waardering van de inkomsten van de verschillende categorieën:
[...]
2° [...] onderhoudsuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 205 tot en met 211, 367 en 767 van het burgerlijk wetboek, met uitzondering van de uitkeringen aan bloedverwanten in opgaande lijn wanneer de bepalingen van artikel 199 sexdecies, leden 1 en 2, worden toegepast; [...]”
10 Artikel 164 A van dat wetboek bepaalt het volgende:
„De inkomsten uit Franse bron van personen die hun fiscale woonplaats niet in Frankrijk hebben, worden bepaald volgens de regels die van toepassing zijn op inkomsten van dezelfde aard die worden verworven door personen die hun fiscale woonplaats in Frankrijk hebben. Geen van de kosten die op grond van de bepalingen van dit wetboek van de totale inkomsten kunnen worden afgetrokken, kunnen evenwel worden afgetrokken.”
11 Artikel 197 A van de code général des impôts bepaalt:
„Artikel 197, lid I, punten 1 en 2, is van toepassing op de berekening van de inkomstenbelasting die verschuldigd is door personen die, ook al hebben zij hun fiscale woonplaats niet in Frankrijk:
a. inkomsten uit Franse bron ontvangen; in dat geval mag de belasting niet lager zijn dan een bedrag dat wordt berekend door een tarief van 20 % toe te passen op het gedeelte van de belastbare netto-inkomsten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de bovengrens van de tweede schijf van de inkomstenbelastingtabel en een tarief van 30 % op het deel dat deze grens overschrijdt[.] [...]
b. In afwijking van artikel 164 A zijn bij de berekening van het onder a) van dit artikel bedoelde tarief van de Franse belasting op alle wereldinkomsten, de in artikel 156, lid II, punt 2, bedoelde onderhoudsuitkeringen aftrekbaar onder dezelfde voorwaarden en beperkingen, mits deze onderhoudsuitkeringen bij de begunstigde ervan in Frankrijk belastbaar zijn en de belasting die de belastingplichtige in zijn woonstaat verschuldigd is door die aftrek niet wordt verminderd[.]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12 BX is fiscaal inwoner van België en ontvangt daar vergoedingen in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider. Bovendien oefent hij beroepswerkzaamheden uit in Luxemburg en Frankrijk en ontvangt hij uit hoofde van die activiteiten inkomsten in die landen. De inkomsten uit Franse bron bestaan uit een salaris als ambtenaar, omdat BX in dat land hoogleraar aan de universiteit is.
13 Overeenkomstig het Belgisch-Franse belastingverdrag worden deze inkomsten uit Franse bron in Frankrijk belast en zijn zij vrijgesteld van de personenbelasting in België, waar zij evenwel met toepassing van een per schijf ingedeelde belastingschaal in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de belasting, die vervolgens wordt verminderd met het gedeelte van de belasting dat is berekend over het deel van de vrijgestelde inkomsten.
14 BX betaalt onderhoudsuitkeringen, die naar Frans recht „pensions alimentaires” worden genoemd, aan zijn dochter en zijn voormalige echtgenote, die in België wonen. Hij heeft voor de aanslagjaren 2020 en 2021 in België aangiften voor de personenbelasting ingediend en in die aangiften al zijn inkomsten en betaalde onderhoudsuitkeringen vermeld.
15 Bij de vaststelling van het bedrag van de door BX voor elk van deze belastingjaren verschuldigde belasting heeft de Belgische belastingdienst hem slechts de aftrek van de betaalde onderhoudsuitkeringen toegestaan naar rato van zijn inkomsten uit Belgische bron.
16 Aangezien zijn oorspronkelijke bezwaren niet hadden geleid tot nietigverklaring of vermindering van de voor de aanslagjaren 2020 en 2021 vastgestelde bijdragen aan de personenbelasting, heeft BX bij de tribunal de première instance du Luxembourg (rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, België), de verwijzende rechter, beroep ingesteld op grond dat de regel van evenredige verdeling van de aftrekbare onderhoudsuitkeringen tussen inkomsten uit Belgische en uit buitenlandse bron, die van die belasting zijn vrijgesteld, in strijd is met artikel 45 VWEU.
17 De verwijzende rechter is van oordeel dat de Franse belastingdienst BX krachtens het Belgisch-Franse belastingverdrag had moeten toestaan om een deel van de onderhoudsuitkeringen die hij aan zijn dochter en zijn voormalige echtgenote uitkeert, af te trekken van zijn belastbare inkomsten in Frankrijk, maar dat deze lidstaat een dergelijke aftrek feitelijk weigert wanneer de ontvangers van de onderhoudsuitkeringen, zoals de dochter en voormalige echtgenote van verzoeker, niet onder het Franse belastingstelsel vallen. In deze context heeft deze rechter twijfels over artikel 45 VWEU. Hij vraagt zich af of dat artikel verenigbaar is met de Belgische belastingregels die ertoe leiden dat een belastingplichtige die inkomsten uit Franse bron ontvangt, maar krachtens het Belgisch-Franse belastingverdrag is vrijgesteld van de personenbelasting, een deel van de door hem betaalde onderhoudsuitkeringen niet kan aftrekken van zijn in België belastbare inkomsten, terwijl dit deel wegens zijn gezinssituatie in Frankrijk niet in aanmerking wordt genomen naar rato van de in die laatste lidstaat belastbare inkomsten. De reden hiervoor is volgens deze rechter dat de Franse belastingdienst dat verdrag onjuist heeft toegepast.
18 Wat betreft de door BX ontvangen inkomsten uit Luxemburgse bron, merkt de verwijzende rechter op dat BX in Luxemburg evenmin belastingvoordelen heeft genoten die verband houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, maar dienaangaande is hij van mening dat hij de geldende wetgeving kan toepassen zonder het Hof te hoeven verzoeken om uitlegging van artikel 45 VWEU in die situatie.
19 Gelet op een en ander heeft de tribunal de première instance du Luxembourg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat een lidstaat ([in casu het Koninkrijk] België) bij de berekening van de personenbelasting van een van zijn ingezetenen rekening moet houden met het feit dat deze Belgische ingezetene (niettegenstaande een verdragsrechtelijke non-discriminatiebepaling, zoals artikel 25, lid 2, van het [Belgisch-Frans belastingverdrag], waarin is voorzien in de naar rato toekenning aan niet-ingezetenen van persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten), op grond van de specifieke voorwaarden die zijn opgelegd door de nationale wetgeving van de lidstaat van tewerkstelling (in casu artikel 197 A van de code général des impôts [van de Franse Republiek]), de onderhoudsuitkeringen die deze niet-ingezetene van de lidstaat van tewerkstelling betaalt slechts kan aftrekken van de Franse belasting, mits deze onderhoudsuitkeringen bij de begunstigde ervan in Frankrijk belastbaar zijn en de belasting die de belastingplichtige in zijn woonstaat verschuldigd is, door die aftrek niet wordt verminderd, zodat deze Belgische ingezetene noch in de lidstaat van tewerkstelling ([Franse Republiek]), noch in de woonstaat ([Koninkrijk] België) in aanmerking komt voor een evenredige fiscale aftrek van de betaalde onderhoudsuitkeringen, terwijl de woonstaat (om te voorkomen dat het voordeel van de aftrek verwatert) de belasting kan berekenen door eerst het bij verdrag vrijgestelde deel van de inkomsten te isoleren en vervolgens de van de binnenlandse inkomsten aftrekbare onderhoudsuitkeringen te verrekenen met de bij verdrag, onder voorbehoud van progressiviteit vrijgestelde inkomsten, op grond waarvan hij in de lidstaat van tewerkstelling niet daadwerkelijk een evenredige aftrek van die onderhoudsuitkeringen heeft genoten?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van het beroep
20 In haar schriftelijke opmerkingen concludeert de Franse regering dat de prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk is, omdat de verwijzende rechter het Hof om te beginnen verzoekt zich uit te spreken over de gevolgen van een eventuele schending van een bepaling van een belastingverdrag door een van de overeenkomstsluitende staten, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Vervolgens heeft deze rechter volgens de Franse regering het juridische en feitelijke kader van het hoofdgeding onvoldoende uiteengezet. Tot slot is de gestelde vraag in wezen hypothetisch. Artikel 25 van het Belgisch-Franse belastingverdrag is namelijk niet van toepassing op dit geding op grond van het tweede lid van dit artikel, dat voor niet-ingezeten natuurlijke personen het voordeel van de daarin neergelegde discriminatieverbod beperkt tot personen die in de andere overeenkomstsluitende staat arbeid in loondienst verrichten. BX is echter geen werknemer in loondienst in Frankrijk, aangezien zijn arbeidsverhouding statutair en niet-contractueel van aard is.
21 In dit verband moet in de eerste plaats worden benadrukt dat wanneer een verzoek de in artikel 267, eerste alinea, VWEU gestelde grenzen overschrijdt van wat het mogelijke voorwerp van een prejudiciële verwijzing vormt, het niet niet-ontvankelijk moet worden verklaard, maar moet worden afgewezen wegens onbevoegdheid van het Hof (zie in die zin beschikking van 28 april 2025, A.En. Slovensko, C‑201/24, EU:C:2025:288, punten 35‑39).
22 Overeenkomstig deze beperkingen is het Hof niet bevoegd om uitspraak te doen over de vraag of een lidstaat de bepalingen heeft geschonden van een overeenkomst die die lidstaat met een of meer andere lidstaten heeft gesloten om de nadelige gevolgen die de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheid door twee lidstaten kan meebrengen, weg te werken of te verminderen (arrest van 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, EU:C:2009:471, punt 22). Het is evenmin bevoegd om de verhouding te onderzoeken tussen een nationale maatregel en de bepalingen van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, aangezien deze vraag niet onder de uitlegging van het Unierecht valt (arrest van 24 oktober 2018, Sauvage en Lejeune, C‑602/17, EU:C:2018:856, punt 17).
23 Dit neemt echter niet weg dat het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van een bepaling van Unierecht in het licht van de feitelijke en juridische situatie die de verwijzende rechter in zijn verzoek heeft beschreven.
24 Wanneer een verwijzende rechter het bestaan vermeldt van een verdrag ter vermijding van dubbele belasting als bestanddeel van het relevante regelgevingskader, moet het Hof rekening houden met dat verdrag en met de uitlegging ervan door de verwijzende rechter, teneinde die rechter een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te geven (zie in die zin arrest van 24 oktober 2018, Sauvage en Lejeune, C‑602/17, EU:C:2018:856, punt 18).
25 Hieruit volgt dat het Hof, ook al is in het onderhavige geval de enige gestelde prejudiciële vraag gebaseerd op een premisse die verband houdt met de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van het Belgisch-Franse belastingverdrag, niet automatisch onbevoegd is, aangezien deze vraag de uitlegging betreft van artikel 45 VWEU en niet van dat verdrag. Het antwoord dat het Hof op deze vraag zal geven, hangt er echter van af of deze premisse juist is, wat door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.
26 Wat in de tweede plaats de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, moet in herinnering worden gebracht dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie geldt voor vragen over de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, waarvan de juistheid niet ter beoordeling van het Hof staat. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus), C‑753/22, EU:C:2024:524, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
27 Wat in het bijzonder dit laatste geval betreft, is het vaste rechtspraak, die naar voren komt in artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat de noodzaak om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen met name vereist dat deze rechter, ten eerste, de relevante feiten zoals die door hem zijn vastgesteld uiteenzet of, ten minste, een summier overzicht geeft van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten, en ten tweede, de wettelijke context omschrijft waarbinnen de gestelde vragen moeten worden geplaatst (zie in die zin arrest van 30 oktober 2025, Attal et Associés, C‑321/24, EU:C:2025:836, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In casu heeft de verwijzende rechter voldoende gedetailleerd het relevante feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding uiteengezet opdat het Hof de gestelde vraag kan beantwoorden op een manier die nuttig is voor deze rechter. Ook al staat het niet aan het Hof om in het kader van de in artikel 267 VWEU bedoelde procedure uitspraak te doen over de vraag of de uitlegging van de verwijzende rechter van het Belgisch-Franse belastingverdrag of van het Franse recht juist is, aangezien in het kader van deze procedure – die berust op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof – elke waardering van de feiten en van het nationale recht, waarmee tussen twee lidstaten gesloten overeenkomsten moeten worden gelijkgesteld, tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoort, blijkt bovendien niet kennelijk uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de gestelde vraag geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat het opgeworpen probleem hypothetisch is.
29 Derhalve is er geen reden om het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten gronde
30 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 45 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarvan de toepassing tot gevolg heeft dat het voordeel van de fiscale aftrek waarmee wordt beoogd rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen die ingezetenen zijn van een eerste lidstaat, gedeeltelijk verloren gaat in een situatie waarin zij beroepsinkomsten ontvangen in een tweede lidstaat en die inkomsten in de eerste lidstaat vrijgesteld zijn van belastingen op grond van een bilateraal belastingverdrag, terwijl ingezeten belastingplichtigen die geen inkomsten genieten uit een andere lidstaat, volledig recht hebben op deze aftrek wanneer het verlies van dat deel van deze aftrek op grond van dit bilateraal belastingverdrag in de tweede lidstaat had moeten worden gecompenseerd door de daaraan gekoppelde mogelijkheid om in de tweede lidstaat een soortgelijke aftrek te verkrijgen, evenredig aan de inkomsten die in die lidstaat zijn ontvangen.
31 In dit verband zij eraan herinnerd dat het verkeer van werknemers binnen de Unie krachtens artikel 45 VWEU vrij is. Volgens het tweede lid van dat artikel houdt dit de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
32 Het is juist dat artikel 45, lid 1, VWEU stelt dat de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van dit artikel 45 niet van toepassing zijn op de betrekkingen in overheidsdienst. In de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak, vormen de inkomsten die BX in een andere lidstaat dan zijn woonstaat ontvangt een salaris als ambtenaar.
33 Deze bepaling mag echter niet ruimer worden uitgelegd dan het doel waarvoor zij is vastgesteld, namelijk de lidstaten toe te staan om de toegang van buitenlandse onderdanen tot bepaalde betrekkingen in overheidsdienst te beperken, maar niet om discriminerende maatregelen vast te stellen inzake de bezoldiging of andere arbeidsvoorwaarden tegen onderdanen van andere lidstaten die zijn toegelaten tot dergelijke betrekkingen (zie in die zin arrest van 12 februari 1974, Sotgiu, 152/73, EU:C:1974:13, punt 4).
34 Artikel 45, lid 4, VWEU moet derhalve aldus worden uitgelegd dat de bepalingen in de leden 1 en 2 van artikel 45 enkel en alleen niet van toepassing zijn op een werknemer wat betreft de toegang tot bepaalde betrekkingen in overheidsdienst.
35 Deze bepaling staat er evenwel niet aan in de weg dat een ingezeten belastingplichtige die is tewerkgesteld in een overheidsdienst in een andere lidstaat zich in het kader van een fiscaal geschil kan beroepen op zijn hoedanigheid van „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU wat betreft de belastingheffing op zijn inkomsten uit deze tewerkstelling.
36 Dat gezegd zijnde, moet ook worden opgemerkt dat elke lidstaat volgens de huidige stand van het Unierecht dus vrij blijft om, met inachtneming van dat recht, zijn eigen inkomstenbelastingsysteem te organiseren, zodat de vrijheden van verkeer niet aldus kunnen worden begrepen dat een lidstaat verplicht is om zijn belastingregeling af te stemmen op die van een andere lidstaat, teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen (zie in die zin arresten van 27 februari 2020, AURES Holdings, C‑405/18, EU:C:2020:127, punt 32, en 10 november 2022, VP CAPITAL, C‑414/21, EU:C:2022:871, punt 19).
37 In het bijzonder is het vaste rechtspraak dat de nadelen die uit de parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheden door verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, zoals een dubbele belasting, geen door het VWEU verboden beperkingen vormen, voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert (zie met name arrest van 25 februari 2021, Société Générale, C‑403/19, EU:C:2021:136, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Er is evenwel slechts sprake van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties (zie met name arresten van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punt 30; 18 juni 2015, Kieback, C‑9/14, EU:C:2015:406, punt 21, en 9 februari 2017, X, C‑283/15, EU:C:2017:102, punt 29).
39 Daarbij dient de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie te worden onderzocht op basis van het voorwerp, de inhoud en de nagestreefde doelstellingen van de betrokken regels (zie in die zin arresten van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 76).
40 Wanneer de nationale voorschriften, om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtigen, voorzien in aftrekposten die bij de berekening van de grondslag van toepassing zijn op het wereldwijde inkomen, moet dan ook worden geoordeeld dat ingezeten belastingplichtigen en niet-ingezeten belastingplichtigen zich doorgaans niet in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien de door niet-ingezeten belastingplichtigen in een staat verworven inkomsten, welke inkomsten daar in beginsel de enige belaste inkomsten zijn, doorgaans slechts een deel vormen van de totale inkomsten van deze belastingplichtigen (zie in die zin arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punten 31 en 32).
41 Wanneer daarentegen een lidstaat een beginsel toepast op grond waarvan alle inkomsten van de belastingplichtige, ook de inkomsten uit het buitenland, in de woonplaats worden belast, moet worden geoordeeld dat ingezeten belastingplichtigen die dergelijke inkomsten uit het buitenland ontvangen naar aanleiding van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer van werknemers en ingezeten belastingplichtigen die geen dergelijke inkomsten ontvangen, zich in vergelijkbare situaties bevinden.
42 Gezien deze vergelijkbaarheid van de situaties van de verschillende categorieën ingezeten belastingplichtigen wanneer de woonstaat zijn fiscale bevoegdheden uitoefent ten aanzien van alle inkomsten van deze belastingplichtigen, is het in beginsel aan die staat om alle aan de persoonlijke en de gezinssituatie verbonden belastingvoordelen aan de verschillende categorieën ingezeten belastingplichtigen toe te kennen – zelfs als deze belastingplichtigen over inkomsten uit buitenlandse bronnen beschikken – omdat deze lidstaat overigens, uitzonderingen daargelaten, het best in staat is om een beoordeling te geven van de persoonlijke draagkracht van die belastingplichtigen zoals die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van hun wereldwijde inkomen en hun persoonlijke en gezinssituatie, aangezien zij daar – eveneens in beginsel – het centrum van hun persoonlijke, familiale en vermogensrechtelijke belangen hebben (zie in die zin arresten van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punten 32 en 33, en 12 december 2013, Imfeld en Garcet, C‑303/12, EU:C:2013:822, punt 43).
43 Het Hof heeft evenwel erkend dat bij gebreke van unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen op Unieniveau, de lidstaten die koppeling tussen de inaanmerkingneming door de woonstaat van enerzijds de wereldwijde inkomsten van hun inwoners en anderzijds hun persoonlijke en gezinssituatie mogen wijzigen door middel van bilaterale of multilaterale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Een woonstaat die een principe toepast op grond waarvan alle inkomsten van de belastingplichtigen in de woonplaats worden belast, kan dus bij overeenkomst ontheven worden van de verplichting om volledig rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de op zijn grondgebied wonende belastingplichtigen die hun economische activiteit minstens gedeeltelijk in een andere lidstaat verrichten, indien hij, bij wijze van uitzondering, met name gelet erop dat dergelijke overeenkomsten voorrang hebben boven een dergelijk beginsel, inkomsten uit de lidstaat waarmee het een dergelijke overeenkomst heeft gesloten, vrijstelt van belasting [zie in die zin arresten van 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, EU:C:2002:750, punt 99, en 15 juli 2021, Belgische Staat (Verlies van belastingvoordelen in de woonstaat), C‑241/20, EU:C:2021:605, punt 44].
44 In een dergelijke situatie kan de woonstaat evenwel uitsluitend ontkomen aan de verplichting om volledig rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van deze ingezeten belastingplichtigen die hun economische activiteit minstens gedeeltelijk in een andere lidstaat uitoefenen, indien hun persoonlijke en gezinssituatie in het licht van alle aldus toegekende fiscale voordelen in verband met die situatie volledig in aanmerking is genomen [zie in die zin arresten van 12 december 2002, De Groot, C‑385/00, EU:C:2002:750, punten 100 en 101, en 15 juli 2021, Belgische Staat (Verlies van belastingvoordelen in de woonstaat), C‑241/20, EU:C:2021:605, punten 45 en 46].
45 In het onderhavige geval wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een woonstaat geacht kan worden te zijn ontheven van die verplichting door het bestaan zelf van een bilateraal belastingverdrag waarin die lidstaat en de lidstaat van tewerkstelling de belasting van de wereldwijde inkomsten van een belastingplichtige onderling hebben verdeeld en naar evenredigheid van die verdeling rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van die belastingplichtige, ook al wordt dit verdrag door de tweede lidstaat niet toegepast op een manier die in de praktijk betekent dat in een van beide lidstaten naar behoren rekening wordt gehouden met deze situatie in zijn geheel.
46 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de grondslag van de in punt 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak bestaat in de verplichting van de lidstaten om hun fiscale bevoegdheid uit te oefenen op een manier die niet-discriminerend is voor de ingezetenen van de Unie die hun recht op vrij verkeer van werknemers, dat gegarandeerd wordt door artikel 45, leden 1 en 2, VWEU, hebben uitgeoefend.
47 Wanneer de woonstaat een bilateraal belastingverdrag sluit waarbij die lidstaat en de lidstaat van tewerkstelling overeenkomen om de belasting op het wereldwijde inkomen van de belastingplichtigen die hun recht op het vrije verkeer van werknemers hebben uitgeoefend te verdelen en naar evenredigheid van die verdeling rekening wordt gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van die belastingplichtige, kan alleen maar worden geoordeeld dat de woonstaat zijn bevoegdheden op niet-discriminerende wijze heeft uitgeoefend, als de betrokken belastingplichtigen – als gevolg van de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst in elk van deze lidstaten – er zeker van kunnen zijn dat, zoals voor ingezetenen belastingplichtigen die geen inkomsten vanuit een andere lidstaat ontvangen, naar behoren rekening wordt gehouden met de gehele persoonlijke en gezinssituatie.
48 Opgemerkt zij dat het non-discriminatiebeginsel, zoals met name geconcretiseerd in artikel 45, leden 1 en 2, VWEU, namelijk beoogt alle maatregelen op te heffen die op het gebied van het vrije verkeer van werknemers aan een ingezetene van een andere lidstaat een strengere behandeling opleggen, of hem plaatsen in een situatie die hem rechtens of feitelijk benadeelt ten opzichte van de situatie waarin een eigen ingezetene wordt geplaatst in dezelfde omstandigheden (zie in die zin arrest van 13 december 1984, Haug-Adrion, 251/83, EU:C:1984:397, punt 14).
49 Wanneer een woonstaat met andere lidstaten afspreekt om de verplichting om rekening te houden met de gehele persoonlijke en gezinssituatie van de op zijn grondgebied ingezeten belastingplichtigen gedeeltelijk aan hen over te dragen, zal bijgevolg pas kunnen worden geoordeeld dat de woonstaat zijn fiscale bevoegdheid op niet-discriminerende wijze heeft uitgeoefend voor de ingezetenen van de Unie die hun recht op het vrije verkeer van werknemers hebben uitgeoefend, indien deze ingezetenen bij de uitoefening van dat recht niet worden geplaatst in een situatie rechtens of feitelijk die vergeleken met de situatie van ingezeten belastingplichtigen die dit recht op vrij verkeer van werknemers niet hebben uitgeoefend, nadelig is.
50 Wanneer een woonstaat een dergelijk bilateraal belastingverdrag sluit met een lidstaat van tewerkstelling, maar de rechterlijke instanties van die woonstaat naar behoren vaststellen dat – door de wijze waarop dit verdrag in de lidstaat van tewerkstelling wordt toegepast – het verlies van een deel van de aftrek die in de woonstaat geldt voor ingezeten belastingplichtigen wegens hun persoonlijke en gezinssituatie niet wordt gecompenseerd door de daaraan gekoppelde mogelijkheid om in de lidstaat van tewerkstelling een soortgelijke aftrek te verkrijgen, evenredig aan de in die lidstaat ontvangen inkomsten, moet daarentegen worden geoordeeld dat de woonstaat niet is ontheven van de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie van de ingezeten belastingplichtigen volledig in aanmerking te nemen.
51 Voor zover dit daadwerkelijk de wijze is waarop de lidstaat van tewerkstelling toepassing geeft aan het tussen de lidstaat van tewerkstelling en de woonstaat gesloten belastingverdrag, waardoor de betrokken ingezeten belastingplichtigen in de woonstaat in een nadeliger situatie worden geplaatst dan ingezeten belastingplichtigen die hun recht op vrij verkeer van werknemers niet hebben uitgeoefend, moet bijgevolg worden geoordeeld dat de regelgeving van die woonstaat een belemmering van het vrije verkeer van werknemers invoert, aangezien deze belastingplichtigen daardoor geen aanspraak kunnen maken op volledige inaanmerkingneming van hun persoonlijke en gezinssituatie,.
52 Een dergelijke belemmering is slechts toelaatbaar wanneer zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang (arrest van 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C‑174/18, EU:C:2019:205, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak) of indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn (zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Nordea Bank Danmark, C‑48/13, EU:C:2014:2087, punt 23).
53 In casu heeft noch de verwijzende rechter noch de Belgische regering echter melding gemaakt van dwingende redenen van algemeen belang die een dergelijke rechtvaardiging kunnen vormen, zoals de noodzaak om de samenhang van het Belgische belastingstelsel te waarborgen. Bovendien berust de identificatie van de belemmering in punt 51 van het onderhavige arrest juist op een analyse van de vergelijkbaarheid van de situatie waarin een ingezeten belastingplichtige zich bevindt die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers en ten aanzien van wie de woonstaat een belastingverdrag als beschreven door de verwijzende rechter toepast, met in beginsel de situatie waarin een ingezeten belastingplichtige zich bevindt die een dergelijk recht niet heeft uitgeoefend.
54 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 45 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarvan de toepassing tot gevolg heeft dat het voordeel van de fiscale aftrek waarmee wordt beoogd rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen die ingezetenen zijn van een eerste lidstaat, gedeeltelijk verloren gaat, in een situatie waarin zij beroepsinkomsten ontvangen in een tweede lidstaat en die inkomsten in de eerste lidstaat vrijgesteld zijn van belastingen op grond van een bilateraal belastingverdrag, terwijl ingezeten belastingplichtigen die geen inkomsten genieten uit een andere lidstaat volledig recht hebben op deze aftrek, wanneer het verlies van dat deel van deze aftrek op grond van dit bilateraal belastingverdrag in de tweede lidstaat had moeten worden gecompenseerd door de daaraan gekoppelde mogelijkheid om in de tweede lidstaat een soortgelijke aftrek te verkrijgen, evenredig aan de in die lidstaat ontvangen inkomsten, maar dit niet het geval is geweest wegens de manier waarop de tweede lidstaat dat verdrag heeft toegepast, tenzij er redenen van algemeen belang bestaan die een dergelijk verlies kunnen rechtvaardigen.
Kosten
55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 45 VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling waarvan de toepassing tot gevolg heeft dat het voordeel van de fiscale aftrek waarmee wordt beoogd rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen die ingezetenen zijn van een eerste lidstaat, gedeeltelijk verloren gaat, in een situatie waarin zij beroepsinkomsten ontvangen in een tweede lidstaat en die inkomsten in de eerste lidstaat vrijgesteld zijn van belastingen op grond van een bilateraal belastingverdrag, terwijl ingezeten belastingplichtigen die geen inkomsten genieten uit een andere lidstaat volledig recht hebben op deze aftrek, wanneer het verlies van dat deel van deze aftrek op grond van dit bilateraal belastingverdrag in de tweede lidstaat had moeten worden gecompenseerd door de daaraan gekoppelde mogelijkheid om in de tweede lidstaat een soortgelijke aftrek te verkrijgen, evenredig aan de in die lidstaat ontvangen inkomsten, maar dit niet het geval is geweest wegens de manier waarop de tweede lidstaat dat verdrag heeft toegepast, tenzij er redenen van algemeen belang bestaan die een dergelijk verlies kunnen rechtvaardigen.
ondertekeningen