Conclusie van advocaat-generaal M. Brkan van 25 februari 2026
Conclusie van advocaat-generaal M. Brkan van 25 februari 2026
Gegevens
- Datum uitspraak
- 25 februari 2026
Uitspraak
Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. BRKAN
van 25 februari 2026 (1)
Zaak T‑184/25
Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö
in tegenwoordigheid van:
A Oy
[verzoek van de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Vrijstellingen – Beheer van kredieten en kredietgaranties – Handelingen betreffende schuldvorderingen – Eén enkele prestatie – Verkoop van door een eerste financiële vennootschap aan haar klanten verleende kredieten aan een tweede financiële vennootschap – Voortgezet beheer van de kredieten door de eerste vennootschap – Kredietvorderingen die dienen als zekerheid voor een door de tweede vennootschap uitgegeven obligatie ”
Inleiding
1. De onderhavige zaak behoort tot de talloze prejudiciële zaken betreffende vrijstellingen van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor financiële diensten.(2) De toepassing van de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG(3) over deze vrijstellingen, die in de jaren zeventig zijn uitgewerkt in het kader van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)(4), heeft tal van vragen doen rijzen en ook een behoefte aan hervormingen aan het licht gebracht(5).
2. In de onderhavige zaak moet het Gerecht zich buigen over de vrijstelling van btw voor bepaalde handelingen uit een commerciële praktijk in de financiële sector, namelijk de securitisatie van woningkredieten. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde groep vennootschappen is voornemens om woningkredieten van de oorspronkelijke kredietverstrekkende vennootschap over te dragen aan een specifieke vennootschap zodat deze obligaties kan uitgeven waarvoor deze kredietvorderingen als zekerheid dienen, terwijl het beheer van deze kredieten bij de oorspronkelijke kredietgever blijft. In het hoofdgeding, dat betrekking heeft op een door de oorspronkelijke kredietgever ingediend verzoek om een ruling, rijst de vraag of dat beheer van kredieten van btw is vrijgesteld.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3. Volgens artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn zijn aan de btw onderworpen „de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”.
4. Artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn verplicht de lidstaten om de volgende handelingen van btw vrij te stellen:
„[...]
b) de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend;
c) de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;
d) handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;
[...]”
5. De in het voorgaande punt weergegeven bepalingen komen overeen met artikel 13, B, onder d), punten 1 tot en met 3, van de Zesde richtlijn, die met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken en vervangen door de btw-richtlijn.
Fins recht
6. De btw-richtlijn is in Fins recht omgezet bij wet 1501/1993 van 30 december 1993 betreffende de btw, zoals gewijzigd (hierna: „btw-wet”).
7. Volgens § 42, lid 1, punten 2 en 3, van de btw-wet, gelezen in samenhang met § 41 ervan, zijn de verlening van kredieten en van andere vormen van financiering, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, vrijgesteld van btw.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8. Het geschil in het hoofdgeding betreft een door de vennootschap A Oy aangevraagde ruling. In haar verzoek om een ruling heeft deze vennootschap een uiteenzetting van de feiten gegeven, zodat de keskusverolautakunta (centrale belastingcommissie, Finland) de btw-gevolgen van de voorgenomen transacties kon bepalen. Deze uiteenzetting kan als volgt worden samengevat, voor zover relevant voor de onderhavige zaak.
9. A is het hoofdkantoor van een bank in Finland. Deze vennootschap verstrekt kredieten voor de financiering van woningen. Nadat de kredieten zijn opgenomen, wordt een groot deel ervan onmiddellijk verkocht aan de vennootschap B Oy, een 100 % dochteronderneming van A. Deze verkoop gaat gepaard met de overdracht aan B van alle uit de kredieten voortvloeiende rechten en verplichtingen. Het grootste deel van de aan B verkochte kredieten dient als zekerheid voor door deze vennootschap uitgegeven obligaties. A blijft niettemin verantwoordelijk voor het beheer van de kredieten, inclusief de daaraan verbonden garanties, en vertegenwoordigt B ten aanzien van de kredietnemers. Voor dit beheer ontvangt A van B een marktconforme vergoeding.
10. In de ruling heeft de centrale belastingcommissie ten eerste vastgesteld dat de verkoop van kredieten door A aan B van btw is vrijgesteld op grond van § 42, lid 1, punt 2, van de btw-wet. Ten tweede heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de door A aan B verleende diensten voor het beheer van kredieten door de kredietgever worden verricht overeenkomstig § 42, lid 1, punt 3, van de btw-wet en bijgevolg van btw zijn vrijgesteld, met uitzondering van de incassodiensten. De veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Finse dienst voor het toezicht op de rechten van rechthebbenden op belastingen) heeft beroep ingesteld tegen deze ruling en daarin aangevoerd dat de vrijstelling voor het beheer van kredieten alleen van toepassing is wanneer de belastingplichtige zowel kredietgever als kredietbeheerder is. In casu was A niet langer de kredietgever.
11. De Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland), de verwijzende rechter in deze zaak, is van mening dat het Unierecht, namelijk artikel 135, lid 1, onder b) tot en met d), van de btw-richtlijn, aldus kan worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn de betrokken handelingen vrij te stellen. Niettemin heeft deze rechter, in het licht van een andersluidende beslissing van de Högsta förvaltningsdomstol (hoogste bestuursrechter, Zweden)(6), de behandeling van de zaak geschorst en in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet, indien een financiële onderneming de door haar aan een klant verstrekte kredieten aan een andere financiële instelling verkoopt en deze kredieten zelf tegen vergoeding blijft beheren, nadat deze zijn verkocht,
artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming de door haarzelf verstrekte kredieten die zij aan die andere financiële instelling heeft verkocht, blijft beheren?
2) Moet, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het beheer van kredieten door de eerste onderneming betrekking heeft op kredieten die als zekerheden voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie dienen,
artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming kredieten beheert die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie?
3) Moet, indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord,
artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van handelingen betreffende schuldvorderingen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming schuldvorderingen beheert die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen?”
Analyse
Opmerkingen vooraf
12. De onderhavige zaak betreft in wezen de btw over de securitisatie van woningkredieten. Securitisatie heeft betrekking op transacties die onder meer een kredietgever in staat stellen een samenstel van leningen te herfinancieren door ze om te zetten in verhandelbare effecten.(7) In het kader van een dergelijke transactie draagt bijvoorbeeld een vennootschap die deel uitmaakt van een bankgroep en die onder meer woningkredieten verstrekt, deze kredieten over aan een speciale entiteit(8) binnen diezelfde groep, zodat die entiteit verhandelbare obligaties kan uitgeven die worden gedekt door de overgedragen kredietvorderingen. Met deze transactie kan de bankgroep haar activiteiten herfinancieren. Aangezien de speciale entiteit enkel het herfinancieringsinstrument uitgeeft, blijft het beheer van de kredieten onder de verantwoordelijkheid van de bank die de woningkredieten heeft verstrekt en die over de daartoe nodige competenties en middelen beschikt.
13. Wat de fiscale behandeling van de securitisatie van kredieten betreft, zou het voor de bankgroep voordelig zijn als de vergoeding die de bank van de speciale entiteit ontvangt voor het beheer van de kredieten, niet aan btw onderworpen is. Die speciale entiteit heeft namelijk geen recht op aftrek van btw, aangezien haar activiteiten op het gebied van de uitgifte van obligaties en de verlening van kredieten van deze belasting zijn vrijgesteld.(9) Indien deze handeling niet was vrijgesteld, zou de bankgroep bijgevolg de btw over het beheer van kredieten moeten dragen.
14. Hoewel een groot deel van de activiteiten in de financiële sector op grond van artikel 135, lid 1, onder a) tot en met g), van de btw-richtlijn van btw is vrijgesteld, zijn de vrijstellingen niet algemeen van toepassing op alle activiteiten van deze sector. In het kader van de drie prejudiciële vragen moeten dus de drie belastingvrijstellingen worden onderzocht die op het beheer van de kredieten in kwestie van toepassing zouden kunnen zijn. Bij dit onderzoek zal ik tevens ingaan op de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn, die relevant blijft voor de uitlegging van de btw-richtlijn.(10)
Eerste prejudiciële vraag
15. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
16. Het antwoord op deze prejudiciële vraag hangt af van de uitlegging van het begrip „beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”. Hoewel er geen twijfel over lijkt te bestaan dat de betrokken handelingen onder „beheer van kredieten” vallen, rijst de vraag welke btw-plichtigen die kredieten beheren, voor deze vrijstelling in aanmerking kunnen komen.
17. Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(11)
Bewoordingen en context van de vrijstelling
18. Wat de letterlijke uitlegging betreft, volgt uit een vergelijking van de verschillende taalversies dat de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn op twee verschillende manieren kunnen worden uitgelegd, namelijk dat de vrijstelling is voorbehouden aan hetzij de oorspronkelijke kredietgever, hetzij de huidige kredietgever. De eerste uitlegging, namelijk dat de vrijstelling is voorbehouden aan de oorspronkelijke kredietgever, vloeit met name voort uit de Griekse, de Franse en de Nederlandse taalversie, waarin een werkwoord in de verleden tijd wordt gebruikt om de verlening van kredieten te beschrijven.(12) Dat betekent dat de persoon die de vrijstelling geniet, degene is die het kredietbedrag in het verleden en aan het begin van de contractuele relatie aan de kredietnemer heeft uitgekeerd. De tweede uitlegging, namelijk dat de vrijstelling is voorbehouden aan de huidige kredietgever, vindt in het bijzonder steun in de Engelse, de Kroatische, de Roemeense en de Sloveense taalversie van de tekst, waarin wordt verwezen naar het bestaan, op dat moment, van het krediet door gebruikmaking van het equivalent van het werkwoord verlenen in de tegenwoordige tijd.(13) De Duitse en de Finse taalversie van de bepaling kan zelfs volgens deze beide uitleggingen worden begrepen.(14) Tegen die achtergrond bieden de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn geen eenduidig antwoord op de vraag welke personen in aanmerking komen voor de vrijstelling voor het beheer van kredieten.
19. De context van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn biedt evenmin verdere duidelijkheid. Artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn, dat onder meer voorziet in de betreffende vrijstelling, somt een reeks vrijgestelde handelingen op die los van elkaar staan en waarvan het enige gemeenschappelijke kenmerk is dat zij niet behoren tot de activiteiten van algemeen belang waarvoor uitsluitend de vrijstellingen gelden die in artikel 132 van de btw-richtlijn zijn opgenomen. In het opschrift van artikel 135 wordt alleen verwezen naar „andere activiteiten” die op grond van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld. Voor zover andere bepalingen van deze richtlijn verwijzen naar artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn(15) wordt in dit verband slechts gezamenlijk verwezen naar meerdere vrijstellingen voor de in lid 1 genoemde financiële handelingen. Uit deze verwijzingen kunnen dus geen conclusies worden getrokken in verband met de vrijstelling voor het beheer van kredieten.
Doel van de vrijstelling
20. Aangezien de letterlijke en systematische uitlegging geen sluitend antwoord oplevert, is een teleologische uitlegging noodzakelijk. Volgens vaste rechtspraak moeten de bewoordingen waarin de in artikel 135 van de btw-richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt worden uitgelegd; de uitlegging ervan moet echter in overeenstemming zijn met de door die vrijstellingen nagestreefde doeleinden.(16)
21. De in artikel 135, lid 1, onder a) tot en met g), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling voor financiële handelingen beoogt, ten eerste, het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag en het bedrag van de aftrekbare btw en, ten tweede, het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet.(17) Meer in het bijzonder beoogt de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn voornamelijk het tweede doel, namelijk het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet.(18)
22. In dit verband onderschrijf ik het standpunt van de verwijzende rechter dat dit doel ook geldt voor de in deze zaak aan de orde zijnde woningkredieten, ook al gaat het strikt genomen niet om consumentenkredieten. Ten eerste volgt namelijk uit de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), dat deze bepaling betrekking heeft op alle kredieten. Ten tweede heeft het Hof nooit geoordeeld dat de vrijstelling alleen geldt voor consumentenkredieten. Het Hof heeft in de hierboven bedoelde zaken(19) weliswaar verwezen naar „consumentenkredieten” toen het doel van deze vrijstellingen aan de orde kwam. Deze verwijzing is echter te verklaren uit het feit dat de betrokken vrijstelling alleen voor consumenten een verlichting van de belastingdruk met zich brengt, aangezien belastingplichtigen ook zonder de belastingvrijstelling dankzij de aftrek van voorbelasting in beginsel geen extra kosten voor het krediet hoeven te dragen.(20)
23. Het doel om een verhoging van de kostprijs van het consumentenkrediet te voorkomen biedt echter evenmin een sluitend antwoord op de gestelde vraag. Vastgesteld moet worden dat beide mogelijke uitleggingen, zowel de uitlegging dat de vrijstelling is voorbehouden aan de huidige kredietgever als de uitlegging dat de vrijstelling is voorbehouden aan de oorspronkelijke kredietgever, een verhoging met zich kunnen brengen van de kostprijs van de kredieten bij verkoop daarvan.
24. Mocht het beheer van kredieten door de huidige kredietgever op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld, dan zou de kostprijs van het krediet hoger worden indien een kredietverkoper, die de oorspronkelijke kredietgever was, de kredieten zou blijven beheren, zoals in casu het geval is. Dit beheer zou namelijk worden aangemerkt als een door de verkoper aan de koper verrichte dienst die aan btw is onderworpen en niet daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. Aangezien de activiteit van de koper van de kredieten van btw zou zijn vrijgesteld(21), zou deze koper de door de verkoper geheven btw over het beheer van kredieten moeten dragen(22) en zou hij hoogstwaarschijnlijk trachten deze belasting door te berekenen aan de kredietnemers, waardoor de kostprijs van het krediet voor de kredietnemers hoger zou worden.
25. Mocht de vrijstelling in kwestie echter gelden voor het beheer van kredieten door de oorspronkelijke kredietgever, dan zou de kostprijs van het krediet in beide gevallen hoger worden, zowel wanneer de koper van de kredieten voor dat beheer instaat als wanneer de verkoper van de kredieten dat blijft doen. In het eerste geval zou de koper diensten op het gebied van kredietbeheer kunnen verrichten die afzonderlijk aan de kredietnemers worden aangerekend. Deze diensten zouden niet van btw zijn vrijgesteld, aangezien de koper niet de oorspronkelijke kredietgever is die als enige voor de betrokken vrijstelling in aanmerking zou kunnen komen. De koper zou dus btw over deze diensten in rekening moeten brengen, wat voor de consument een verhoging van de kostprijs van het krediet met zich zou brengen. In het tweede geval, namelijk wanneer de verkoper de kredieten voor de koper blijft beheren, is dat beheer voor rekening van de koper weliswaar wel vrijgesteld van btw, maar geldt deze vrijstelling niet voor de diensten op het gebied van kredietbeheer die de verkoper namens de koper in rekening brengt aan de kredietnemers. Die diensten worden namelijk vanuit btw-oogpunt verricht door de koper. Door op te treden namens de koper voldoet de verkoper aan de contractuele verplichtingen van de koper jegens de kredietnemers. Deze diensten zouden dus niet vallen onder de vrijstelling in kwestie, aangezien deze niet geldt voor het beheer door de huidige kredietgever, namelijk de koper, wat voor de consumenten eveneens zou resulteren in een verhoging van de kostprijs van het krediet.
26. Er kan niet staande worden gehouden dat de door de huidige kredietgever jegens de kredietnemers verrichte diensten op het gebied van kredietbeheer in ieder geval zijn vrijgesteld van btw, dus ook zonder inroeping van de in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling voor het beheer van kredieten. Zowel de verwijzende rechter als de Finse regering is van mening dat de huidige kredietgever zijn diensten op het gebied van kredietbeheer in de regel niet aan de kredietnemers verkoopt. Bovendien voeren zij aan dat, zelfs indien de huidige kredietgever een afzonderlijke vergoeding voor zijn diensten in rekening zou brengen – bijvoorbeeld verwerkingskosten in verband met de termijnbetalingen van kredieten – deze vergoeding in werkelijkheid zou neerkomen op een tegenprestatie voor de op grond van die bepaling vrijgestelde kredietverlening.
27. Niettemin bestaan er, ten eerste, door de huidige kredietgever verrichte diensten die kunnen worden aangemerkt als diensten op het gebied van kredietbeheer die losstaan van de diensten op het gebied van kredietverlening. Wanneer de huidige kredietgever kosten aan een kredietnemer in rekening brengt voor bijvoorbeeld een rentecertificaat, lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat deze dienst kan worden geacht deel uit te maken van de kredietverlening. Bovendien zijn er nog andere voorbeelden waarbij het op zijn minst moeilijk te bepalen is of het een dienst betreft die losstaat van de kredietverlening, zoals de ontbinding van een kredietovereenkomst tegen betaling van een vergoeding voor vervroegde aflossing.(23) Indien het beheer van kredieten niet van btw was vrijgesteld, zou er over dergelijke diensten van de huidige kredietgever btw verschuldigd zijn.
28. Ten tweede bestaat er inderdaad een andere hypothese waarin de door de huidige kredietgever verrichte diensten op het gebied van kredietverlening voor vrijstelling in aanmerking kunnen komen, zonder dat de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn voor het beheer van kredieten wordt toegepast. Volgens vaste rechtspraak van het Hof deelt een bijkomende prestatie namelijk het fiscale lot van de hoofdprestatie.(24) Voor zover het beheer van kredieten wordt aangemerkt als een bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten zou de vrijstelling voor de verlening van kredieten ook gelden voor het beheer ervan. Het Hof heeft echter geoordeeld dat een prestatie in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie moet worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie.(25) Bovendien volgt eveneens uit de rechtspraak van het Hof dat er geen absolute regel bestaat om te bepalen of een prestatie het fiscale lot van een andere prestatie deelt en dat er altijd rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling is verricht.(26) In het licht van deze in de rechtspraak gestelde vereisten betwijfel ik of alle diensten op het gebied van kredietbeheer kunnen worden beschouwd als een bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten. Dat geldt met name voor de bovengenoemde voorbeelden, aangezien een rentecertificaat andere doelen dient dan de kredietovereenkomst en de voortijdige ontbinding van deze overeenkomst evenmin een „middel” is „om optimaal gebruik te maken” van de verlening van het krediet.
29. Ten derde delen vrijwel alle lidstaten de overtuiging dat de vrijstelling voor het beheer van kredieten van essentieel belang is voor de huidige kredietgever. Tijdens hun beraadslagingen in het btw-comité waren de lidstaten het er namelijk vrijwel unaniem over eens dat, in het geval van een door een bankenconsortium verleend krediet, het beheer van dit krediet door een lid van dat consortium in ruil voor een door de kredietnemer betaalde vergoeding, niet valt onder de vrijstelling voor de verlening van kredieten, maar onder die voor het beheer van kredieten overeenkomstig artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn.(27) Hieruit volgt duidelijk dat de vrijstelling voor het beheer van kredieten op grond van deze bepaling noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat alle kredietgerelateerde handelingen van de huidige kredietgever zijn vrijgesteld.
Doel van de beperking van de personele werkingssfeer
30. Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag niet kan worden afgeleid uit het algemene doel van de betrokken vrijstelling, moet meer specifiek worden vastgesteld waarom de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten beperkt is tot bepaalde belastingplichtigen. De bewoordingen van de vrijstelling zien namelijk duidelijk enkel op het beheer van kredieten door specifieke personen.
31. De Uniewetgever heeft evenwel geen aanwijzingen gegeven over het doel van de beperking van de personele werkingssfeer van deze vrijstelling.
32. Dat geldt in de eerste plaats voor de totstandkomingsgeschiedenis van de betrokken bepaling. Artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn vervangt artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn, waarvan de bewoordingen identiek waren. Het door de Commissie ingediende voorstel voor een zesde richtlijn voorzag enkel in de vrijstelling voor „kredietverrichtingen”, zonder verwijzing naar het beheer van kredieten, terwijl de definitieve versie van de Zesde richtlijn, zoals deze door de Raad was goedgekeurd, ook de vrijstelling voor het beheer van kredieten omvatte.(28) Hoewel de toevoeging door de Raad van de vrijstelling voor het beheer van kredieten in de definitieve tekst het gevolg kan zijn van het verzoek van het Economisch en Sociaal Comité om nadere bepaling van de draagwijdte van de begrippen waarvoor deze vrijstelling geldt(29), blijft er onzekerheid over de oorsprong van de bewoordingen „door degene die ze heeft verleend”.
33. In de tweede plaats bevat de overgangsregeling voor de desbetreffende vrijstelling, waarin de Zesde richtlijn had voorzien en die tot en met 31 december 1990 van toepassing was(30), geen aanwijzingen voor de redenen die de Uniewetgever ertoe hebben gebracht om de personele werkingssfeer van de vrijstelling in kwestie te beperken. Volgens deze regeling was het de lidstaten op grond van artikel 28, lid 3, onder b), van deze richtlijn en punt 13 van bijlage F daarbij toegestaan om tijdens deze overgangsperiode de vrijstelling te behouden voor het „[b]eheer van kredieten [...] door een persoon of instelling, andere dan die welke de kredieten heeft verstrekt”. Deze bepaling van de overgangsregeling beoogde dus de vrijstelling van het beheer van kredieten dat niet was vrijgesteld op grond van artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn, thans artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. Hieruit zou a contrario kunnen worden afgeleid dat die vrijstelling, die niet van tijdelijke aard was, alleen gold voor het beheer door personen „die de kredieten hebben verstrekt”. Deze redenering vindt met name bevestiging in de Duitse en de Engelse taalversie van de overgangsregeling, waarin een werkwoord in de verleden tijd wordt gebruikt(31), hoewel dat niet het geval is in de tekst van de vrijstelling zoals die in de Zesde richtlijn is opgenomen(32). Dat zou erop kunnen wijzen dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om de personele werkingssfeer van de in artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn neergelegde vrijstelling voor het beheer van kredieten te beperken tot de oorspronkelijke kredietgever. Niettemin moet worden vastgesteld dat er sprake is van semantische discrepanties tussen enerzijds meerdere taalversies van de overgangsregeling en anderzijds de bewoordingen van de in artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn neergelegde vrijstelling.(33) Het staat dan ook vast dat de Uniewetgever bij het opstellen van de Zesde richtlijn de bewoordingen van deze vrijstelling niet heeft afgestemd op die van de overgangsregeling, zodat het mij moeilijk lijkt om uit deze overgangsregeling af te leiden welk doel de Uniewetgever met de beperking van de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor ogen had.
34. In het licht van het bovenstaande blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn dat de Uniewetgever de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten heeft willen beperken, zonder evenwel de ratio legis daarvan nader te preciseren. Het enige dat kan worden afgeleid uit het bestaan zelf van een beperking van de personele werkingssfeer – hetzij tot de oorspronkelijke kredietgever, hetzij tot de huidige kredietgever – is dat het niet de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om de uitbesteding van het beheer van kredieten aan derden fiscaal aan te moedigen.
Fundamentele beginselen van het gemeenschappelijk btw-stelsel
35. Aangezien het niet mogelijk is om te achterhalen welk doel de Uniewetgever met de beperking van de personele werkingssfeer voor ogen had, moet deze beperking worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene beginselen van het gemeenschappelijke btw-stelsel. Deze benadering kan leiden tot de conclusie dat het beheer van kredieten niet van btw moet worden vrijgesteld, tenzij het gaat om een bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten door de huidige kredietgever.(34) Op die wijze beoogt de vrijstelling voor het beheer van kredieten te waarborgen dat alle prestaties die in het kader van een kredietrelatie worden verricht, van btw worden vrijgesteld, terwijl tegelijkertijd wordt uitgesloten dat het beheer van kredieten onder vrijstelling van btw aan een willekeurige derde wordt uitbesteed.
36. In de eerste plaats voldoet alleen deze uitlegging aan het beginsel van fiscale neutraliteit. Dit beginsel moet namelijk worden geëerbiedigd in het kader van de in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling.(35) Het beginsel van fiscale neutraliteit vereist dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten, vanuit het oogpunt van de btw niet verschillend worden behandeld.(36) Volgens dit beginsel mag er, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, voor btw-doeleinden geen verschil in behandeling zijn tussen diensten op het gebied van kredietbeheer naargelang een kredietgever deze diensten uitbesteedt aan de persoon die het krediet oorspronkelijk heeft verleend of aan een andere persoon.
37. In de tweede plaats staat de uitlegging dat alleen het beheer van kredieten door de huidige kredietgever op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn is vrijgesteld, in de weg aan fiscale constructies met als doel om het beheer van kredieten onder vrijstelling van btw door een willekeurige derde te laten verrichten. De bestrijding van belastingontwijking en misbruik is immers een doelstelling die door de btw-richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd.(37) Indien de vrijstelling in kwestie aldus wordt uitgelegd dat zij geldt voor het door de oorspronkelijke kredietgever verrichte beheer, zou elke kredietgever het beheer van het krediet onder vrijstelling van btw kunnen uitbesteden aan een willekeurige derde, waarbij hij de formele verlening van het krediet in het kader van dat beheer aan die derde overlaat om het vervolgens onmiddellijk van hem terug te kopen. Op die wijze zou de beperking van de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten worden omzeild en zou zij elke werking verliezen.
Antwoord op de eerste prejudiciële vraag
38. Gelet op de bovenstaande overwegingen stel ik voor om op de eerste vraag te antwoorden dat artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
Tweede prejudiciële vraag
39. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten heeft verkocht en tegen vergoeding blijft beheren voor de koper ervan, die een obligatie heeft uitgegeven waarvoor deze kredieten als zekerheid dienen, onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
40. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat noch de verwijzende rechter, noch de partijen in het hoofdgeding, noch de andere partijen in deze procedure uitvoerig zijn ingegaan op de eventuele toepassing van deze bepaling. De verwijzende rechter heeft alleen aangegeven dat de omstandigheid dat de door A beheerde kredieten als zekerheid dienen voor een door B uitgegeven obligatie, tot gevolg zou kunnen hebben dat de in artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling van toepassing is.
41. Deze bepaling valt uiteen in twee delen. Ten eerste strekt zij tot vrijstelling voor „de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen”. Ten tweede geldt de vrijstelling voor „het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend”.
42. Wat het eerste deel van de bepaling betreft, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen ervan uiteenlopen naargelang van de verschillende taalversies.(38) Hoewel er geen enkele grond is om aan te nemen dat het beheer van kredieten die als zekerheid dienen voor een door de koper ervan uitgegeven obligatie, iets heeft uit te staan met „de bemiddeling bij [of] het aangaan” van garantieverbintenissen in de zin van de Franse taalversie van deze bepaling(39), valt niet uit te sluiten dat dit beheer wordt bedoeld met de in de Engelse taalversie gebruikte uitdrukking „any dealings in credit guarantees”.(40)
43. Niettemin blijkt duidelijk uit de context van de in artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling dat deze bepaling niet van toepassing is op het beheer van kredieten.
44. De in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling strekt zich namelijk al uitdrukkelijk uit tot „het beheer van kredieten”. De uitdrukkelijke opname van het beheer van kredieten in de werkingssfeer van deze vrijstelling zou, zoals de Commissie in wezen aanvoert in haar schriftelijke opmerkingen, geen nuttig effect hebben indien het beheer van kredieten ook binnen de werkingssfeer van andere vrijstellingen zou vallen.
45. Indien de in artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling ook geldt voor het beheer van kredieten, zou bovendien de in punt b) gestelde beperking aan de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten worden omzeild.
46. Om dergelijke gevolgen te vermijden, dient artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn te worden beschouwd als een lex specialis die van toepassing is op vrijstellingen voor handelingen ter zake van het beheer van kredieten. Bijgevolg is het eerste deel van artikel 135, lid 1, onder c), van die richtlijn niet van toepassing op het beheer van kredieten.
47. Wat het tweede deel van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn betreft, namelijk „het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend”, moet worden vastgesteld dat deze kwestie weliswaar niet uitdrukkelijk door de verwijzende rechter aan de orde is gesteld, maar het door de oorspronkelijke kredietgever verrichte beheer van kredietgaranties voor de koper van de desbetreffende kredieten op grond van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn evenmin van btw is vrijgesteld. Volgens deze bepaling is dat beheer van kredietgaranties alleen vrijgesteld indien het wordt verricht door „degene die het krediet heeft verleend”. Er is geen enkele reden om hier een andere uitlegging aan deze uitdrukking te geven dan ik in het kader van de eerste prejudiciële vraag heb voorgestaan, zodat het beheer van kredietgaranties alleen is vrijgesteld wanneer het wordt verricht door de huidige kredietgever.(41)
48. Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten heeft verkocht en tegen vergoeding blijft beheren voor de koper ervan, die een obligatie heeft uitgegeven waarvoor deze kredieten als zekerheid dienen, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
Derde prejudiciële vraag
49. Tot slot moet de derde prejudiciële vraag worden onderzocht waarmee de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, onder de vrijstelling van deze bepaling valt. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of dat beheer van kredieten op grond van deze bepaling kan worden vrijgesteld als „handelingen [...] betreffende betalingen” of als „handelingen betreffende schuldvorderingen”.
50. Zelfs indien wordt aangenomen dat bepaalde diensten op het gebied van kredietbeheer kunnen vallen onder de definitie van handelingen betreffende betalingen(42) of schuldvorderingen, is artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn desalniettemin niet van toepassing op het beheer van kredieten. Wat de vrijstelling voor het beheer van kredieten betreft, geldt immers de lex specialis van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, zoals al vermeld in het kader van de beantwoording van de tweede vraag.(43)
51. De vraag rijst evenwel of het beheer van kredieten in de onderhavige zaak indirect in aanmerking zou kunnen komen voor de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, aangezien dit beheer een bijkomende prestatie is bij de verkoop van kredieten en dus op grond van deze bepaling zou kunnen worden vrijgesteld. Ten eerste zou de verkoop van kredieten namelijk kunnen worden aangemerkt als een handeling betreffende schuldvorderingen in de zin van voornoemde bepaling. Ten tweede is het vaste rechtspraak dat verschillende formeel onderscheiden prestaties een hoofddienst vormen wanneer een of meer prestaties een hoofddienst vormen, terwijl de andere prestatie of prestaties een of meer bijkomende diensten vormen die het fiscale lot van de hoofddienst delen.(44) In dit verband wijs ik er louter ter informatie op dat de belastingdienst van ten minste één lidstaat al heeft geoordeeld dat het beheer van schuldvorderingen door de verkoper ervan als bijkomende prestatie in aanmerking komt voor de vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen.(45)
52. Ik ben echter van mening dat het Gerecht in de onderhavige zaak niet kan vaststellen dat het beheer van kredieten door de verkoper ervan op de hierboven genoemde indirecte grond voor vrijstelling in aanmerking komt.
53. In de eerste plaats zou de toepassing van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn op het beheer van kredieten als bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten afbreuk doen aan het karakter van lex specialis van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, dat ziet op de vrijstelling voor het beheer van kredieten als bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten. Uit de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn volgt dat het beheer van kredieten alleen moet worden vrijgesteld wanneer het een bijkomende prestatie vormt bij de verlening van kredieten.(46) Deze uitlegging zou mijns inziens worden omzeild wanneer het beheer van kredieten voor vrijstelling in aanmerking zou komen als bijkomende prestatie, dat wil zeggen als nevenprestatie, bij een prestatie die niet strekt tot de verlening van een krediet.
54. In de tweede plaats is in de bestreden ruling weliswaar vastgesteld dat de verkoop van de kredieten van btw was vrijgesteld, maar de vraag rijst of die vaststelling in overeenstemming is met het Unierecht. In het onderhavige geval behelst de verkoop van kredieten de overdracht van alle rechten en verplichtingen – en niet alleen de kredietvorderingen – die uit de kredietovereenkomsten voortvloeien. Zo heeft het Hof in een soortgelijke situatie al verklaard dat de verkoop van herverzekeringscontracten niet binnen de werkingssfeer van de vrijstellingen voor financiële diensten valt.(47) Het heeft met name geoordeeld dat de cessie van een portefeuille van herverzekeringscontracten niet kan worden vrijgesteld als een combinatie van het aangaan van verbintenissen in de zin van de bepaling die thans artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn is en van een handeling betreffende schuldvorderingen in de zin van de bepaling die thans artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn is. Naar analogie daarvan betwijfel ik dan ook of de verkoop van kredieten op grond van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn van btw kan worden vrijgesteld. Bijgevolg zou de vrijstelling voor het beheer van kredieten op grond van die bepaling, als bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten, enkel op de grond dat de verkoop van kredieten niet aan de criteria voor vrijstelling voldoet, al onmogelijk zijn.
55. In ieder geval beschikt het Gerecht niet over voldoende informatie om de vraag te kunnen beantwoorden of de verkoop van kredieten in het onderhavige geval op grond van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn zou kunnen worden vrijgesteld, aangezien de verwijzende rechter deze vraag niet aan het Gerecht heeft voorgelegd.
56. In de derde en laatste plaats lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat het beheer van kredieten een bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten vormt in de zin van de rechtspraak van het Hof.
57. Het Hof is van oordeel dat een prestatie in het bijzonder als bijkomend moet worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie.(48) Om te bepalen of aan dit criterium is voldaan, houdt het Hof rekening met het economische doel en met het belang van de ontvangers van de prestaties.(49) Bovendien benadrukt het Hof dat er geen absolute regel bestaat om te bepalen of een prestatie het fiscale lot van een andere prestatie deelt en dat er altijd rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling is verricht(50), hetgeen tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort(51).
58. Het Hof heeft in zijn rechtspraak soms zelf gezinspeeld op concretere regels. Zo pleit de omstandigheid dat de beweerdelijke bijkomende prestatie op dezelfde wijze door een derde zou kunnen worden verricht(52) of dat de dienstverrichter deze prestatie in de praktijk los van de beweerdelijke bijkomende prestatie aanbiedt(53), tegen de hoedanigheid van bijkomende prestatie. Deze „onafhankelijkheidsregel” is mijns inziens passend om de fiscale neutraliteit te waarborgen en de mededinging te beschermen. Met name indien de beweerdelijke bijkomende prestatie ook afzonderlijk bij andere belastingplichtigen kan worden afgenomen, zouden deze een concurrentienadeel ondervinden wanneer die prestatie als vrijgesteld zou worden beschouwd op de enkele grond dat zij een bijkomende prestatie bij een andere prestatie vormt.
59. Aangezien het onderhavige geval betrekking heeft op het beheer van kredieten voor de koper ervan, komt de toepassing van de zogenoemde „onafhankelijkheidsregel” erop neer dat het bij voorbaat uitgesloten is dat dit beheer wordt beschouwd als een bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten. De koper van de kredieten zou het beheer ervan namelijk kunnen overdragen aan een andere belastingplichtige, zonder dat dit van invloed is op de verwerving van de kredietovereenkomsten, zodat het beheer van die kredieten een prestatie zou zijn die losstaat van de verkoop ervan. Op die wijze kan met de „onafhankelijkheidsregel” worden voorkomen dat de keuze van een dienstverrichter wordt beïnvloed door een gunstiger btw-behandeling.
60. In het licht van het voorgaande stel ik voor om op de derde vraag te antwoorden dat artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
Conclusie
61. Gelet op een en ander geef ik het Gerecht in overweging om de prejudiciële vragen van de Korkein hallinto-oikeus te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moet aldus worden uitgelegd dat
het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
2) Artikel 135, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112
moet aldus worden uitgelegd dat
het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten heeft verkocht en tegen vergoeding blijft beheren voor de koper ervan, die een obligatie heeft uitgegeven waarvoor deze kredieten als zekerheid dienen, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.
3) Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112
moet aldus worden uitgelegd dat
het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.”
M. Brkan
Genomen ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 februari 2026.
ondertekeningen