Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-03-2009, BH6281, AWB 07/118

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-03-2009, BH6281, AWB 07/118

Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/118 3 maart 2009

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. M.M. de Jong, advocaat te Goirle,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.A. van Dartel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 februari 2007, bij het College op die datum binnengekomen, beroep ingesteld tegen een op 22 januari 2007 verzonden besluit

van verweerder.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen de vaststelling van de aan haar op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) in verband met maatregelen op grond van die wet toekomende tegemoetkoming in de schade, ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 maart 2007 heeft appellante het beroep aangevuld met gronden.

Op onderscheidenlijk 30 maart 2007 en 27 april 2007 heeft het College van verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ontvangen.

Verweerder heeft bij brief van 6 november 2007 gereageerd op bij griffiersbrief van

22 oktober 2007 gestelde vragen en daarbij enkele nadere stukken overgelegd.

Op 28 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Voorts is het woord gevoerd door

C, directeur van appellante (hierna te noemen: C).

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

b. produkten of voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;

c. (…)

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand;

b. (…)

c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel,

(…)

Artikel 87

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt, (…) wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

(…)

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.

3. Indien Onze Minister of de eigenaar of diens gemachtigde geen genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de kantonrechter (…) drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de krachtens het tweede lid aangewezen deskundige.

(…)

Artikel 89

Terstond nadat de waarde is vastgesteld deelt Onze Minister aan de eigenaar het bedrag van de waardevaststelling mede.

(…)

Artikel 91

Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel 17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90

voor vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden vergoed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het kader van de bestrijding van Aviaire Influenza (verder: AI) is het pluimvee

op het bedrijf van appellante, gelegen aan [adres] te B, in april 2003 verdacht verklaard en zijn maatregelen ingevolge de Gwd genomen, waaronder doding van de dieren.

- Met het oog op de tegemoetkoming in de schade tengevolge van die maatregelen heeft op 26 april 2003 een taxatie van de waarde van de dieren en producten op het bedrijf plaatsgevonden. Hierbij is de waarde van de aanwezige (57.869) leghennen

- met een leeftijd van (naar boven afgerond) 30 weken - bepaald op € 196.754,60

(€ 3,40 per stuk). Voorts is bij de taxatie de waarde van het materiaal voor eieropslag (trays en tussenplaten) bepaald op € 1.135,50, de waarde voor het in het systeem aanwezige voer op € 1.090,80 en de waarde van de aanwezige (977.400) eieren op

€ 31.317,62. Alle genoemde bedragen zijn inclusief btw.

- Het taxatieformulier is namens appellante niet ondertekend, aangezien zij zich op

het standpunt stelde dat, omdat sprake is van preventieve ruiming, aan haar de marktwaarde moet worden vergoed.

- Op 29 april 2003 is het bedrijf van appellante geruimd.

- Bij brief van 17 juni 2003 heeft verweerder appellante bericht dat aan haar een voorschot zal worden betaald van € 185.617,55, zijnde de getaxeerde waarde van de leghennen, exclusief btw. Als reden voor de aftrek van de btw is in de brief vermeld dat appellante heeft aangegeven niet onder de Landbouwregeling te vallen.

- Bij brief van 22 juli 2003 heeft verweerder appellante meegedeeld dat zij een voorschot ontvangt van € 30.278,35, zijnde 90% van de getaxeerde waarde van de eieren, eveneens exclusief btw. Bij deze brief is voorts meegedeeld dat na afronding van de hertaxatie een besluit zal worden genomen over de tegemoetkoming voor producten en voorwerpen.

- Verweerder heeft appellante bij brief van 2 september 2003 meegedeeld dat in overleg met de belangenorganisaties van pluimveehouders is besloten eerst de uitkomst van een aantal geselecteerde hertaxaties af te wachten en dat de uitkomst daarvan mede de basis zal vormen voor afhandeling van de overige dossiers.

- Bij op 4 februari 2005 verzonden brief aan het op hetzelfde adres als dat van appellante gevestigde bedrijf E B.V. heeft verweerder er onder meer op gewezen dat in overleg met vertegenwoordigers van de pluimveesector (LTO/NOP) is besloten dat inentingen, indien aantoonbaar verricht, alsnog bij de waardebepaling van de dieren kunnen worden meegewogen en dat pluimveehouders die het met de aldus gehanteerde waardebepaling van de dieren niet eens zijn, hun hertaxatieprocedure kunnen voortzetten.

- Bij brief van 30 april 2005 heeft C zich zowel met betrekking tot de hertaxatieprocedure van appellante als die van E B.V. tot verweerder gewend en daarbij onder meer verzocht hem - liefst op korte termijn - te informeren wanneer de hertaxatie zal worden uitgevoerd.

- Bij brief van 18 juli 2005 aan E B.V. heeft verweerder meegedeeld dat hij op die datum "de nog openstaande hertaxaties ter benoeming aan de kantonrechter heeft aangeboden".

- Bij beschikking van 24 oktober 2005 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch

(sector kanton) drie deskundigen, waaronder de oorspronkelijk taxateur, benoemd.

- Op 6 april 2006 hebben de taxateurs in het kader van de hertaxatie het bedrijf van appellante bezocht, waarbij appellante is gehoord.

- Op het naar aanleiding van de hertaxatie opgemaakte formulier is vermeld dat de hertaxatie is verricht door F. Op dit formulier zijn, evenals op de daarbij gevoegde bijlagen, drie handtekeningen geplaatst en op het formulier zijn tevens de namen 'G' en 'H' vermeld.

- Bij de hertaxatie is in verband met inentingen uitgegaan van een waarde per dier van

€ 3,47, een waarde van € 1.135,50 voor de tussenplaten en trays, € 1.090,80 voor het voer en een bedrag ad € 63.306,20 voor de (977.400) eieren (€ 0,06477 per stuk). Alle genoemde bedragen zijn inclusief btw.

- Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft verweerder appellante bericht dat de aan haar toekomende tegemoetkoming na hertaxatie is vastgesteld en dat na aftrek van de reeds betaalde voorschotten nog € 42.532,03, exclusief btw, moet worden betaald. Hierin is een dagvergoeding begrepen van € 7.108,06.

- Bij brief van 6 oktober 2006, aangevuld bij brief van 6 november 2006, heeft appellante tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft appellante gesteld dat de hertaxatie niet op de juiste wijze is verricht, dat de schade met betrekking tot het aantal eieren, alsmede de waarde van de dieren en vernietigde materialen onjuist is vastgesteld, en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met rente en kosten.

- Blijkens een op 4 december 2006 van de zijde van verweerder opgestelde telefoonnotitie heeft G op die datum bevestigd dat hij als deskundige bij de hertaxatie ten behoeve van appellante betrokken is geweest.

- Bij faxbericht van 5 december 2006 heeft H aan verweerder bevestigd eveneens bij de hertaxatie betrokken te zijn geweest. - Op 13 december 2006 is appellante naar aanleiding van haar bezwaar gehoord.

- Verweerder heeft naar aanleiding van hetgeen op de hoorzitting is besproken alsmede gelet op nadien door appellante per fax toegezonden informatie, contact opgenomen met de oorspronkelijke taxateur F. Hierbij heeft verweerder gevraagd of ten tijde van de hertaxatie het standpunt van appellante met betrekking tot de waarde van dieren en het geruimde materiaal bekend was.

- Bij faxbericht van 2 januari 2007 heeft F bevestigd dat ten tijde van de hertaxatie het standpunt van appellante, zoals in de bezwaarprocedure per fax aan verweerder toegezonden, bekend was, en dat alle daarin genoemde punten zijn meegewogen.

- Naar aanleiding van de hoorzitting heeft appellante bij brief van 4 januari 2007, onder verwijzing naar daarbij gevoegde bijlagen, de gronden van haar bezwaar nader aangevuld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en daartoe - zakelijk samengevat - het volgende overwogen.

3.1.1 Anders dan uit het hertaxatieformulier naar voren lijkt te komen, is de hertaxatie wel degelijk door alle drie hertaxateurs, derhalve naast F ook G en H, verricht. Dit blijkt ook uit door deze hertaxateurs op onderscheidenlijk

4 en 5 december 2006 aan verweerder verstrekte informatie. Alle drie hertaxateurs hebben het formulier ondertekend. Verweerder erkent dat de wijze waarop de formulieren zijn ingevuld weliswaar enigszins slordig is geweest, maar stelt dat het standpunt van appellante dat de waardevaststelling in hertaxatie ondeugdelijk en onvolledig is geweest, niet kan worden gevolgd.

3.1.2 Met betrekking tot het aantal voor vergoeding in aanmerking komende eieren stelt verweerder dat appellante haar standpunt ten onrechte baseert op het aantal geruimde eieren. Ten tijde van de taxatie was duidelijk dat geruimd zou worden en op dat moment zijn 977.400 eieren geteld. Nadien geproduceerde eieren waren derhalve niet verhandelbaar en vergoeding van die eieren zou een ontoelaatbare bevoordeling van appellante opleveren ten opzichte van bedrijven die wel direct zijn geruimd. Verweerder verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van het College (o.m. AWB 04/1137, <www. rechtspraak.nl>, LJN AW5769). Voorts wijst verweerder erop dat aan appellante voor het tijdsverloop tussen screening en ruiming een dagvergoeding is toegekend als tegemoetkoming in de kosten van verzorging van haar pluimvee.

3.1.3 Ook de overige door appellante tegen de hoogte van de tegemoetkoming aangevoerde argumenten slagen niet.

Verweerder stelt dat, mede gezien de jurisprudentie van het College, bij de tegemoetkoming in de schade in het algemeen moet worden uitgegaan van hetgeen de taxateurs in de hertaxatie hebben vastgesteld. Slechts indien de hertaxatie vanwege de inhoud of wijze van totstandkoming zo zeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is dat van een deugdelijke taxatie geen sprake is, kan de tegemoetkoming niet op de hertaxatie worden gebaseerd.

3.1.4 Appellante heeft met betrekking tot de waarde van de dieren gesteld dat moet worden uitgegaan van € 3,50 per stuk, omdat ze niet bij een leeftijd van 17, maar van 20 weken zijn opgezet, en hanteert voorts een bedrag van € 0,10 per hen voor transportkosten.

In hertaxatie zijn de taxateurs uitgegaan van de volgens de waardetabel bij een leeftijd van 30 weken behorende waarde van € 3,12 per stuk per (opfok)leghen (batterij).

De geboortedatum van de dieren is aan de hand van de leveringsfacturen vastgesteld op

26 september 2002 en de juistheid daarvan is op de hoorzitting komen vast te staan.

Tevens hebben de taxateurs de waarde van de inentingen bepaald op € 0,35 per hen, namelijk € 0,47 verminderd met een wekelijkse afschrijving van 2% over een periode van

13 weken. Deze periode is berekend vanaf het moment dat de hennen een leeftijd hadden van 17 weken. Daarmee is de totale waarde vastgesteld op (3,12 + 0,35 =) € 3,47 per hen. Deze wijze van taxatie is in overeenstemming met de jurisprudentie van het College en het tijdstip waarop de dieren volgens appellante op haar bedrijf zijn opgezet - bij een leeftijd van 20 weken in plaats van 17 weken - is in dat verband niet relevant.

3.1.5 Met betrekking tot de door appellante gestelde schade voor de eiertrays, platen en folie stelt verweerder dat bij de oorspronkelijke taxatie door de taxateur is vastgesteld dat 138 pakken trays met een standaardprijs van € 7,50 en 150 platen met een prijs van € 0,67 per stuk voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betrof verpakkingsmateriaal dat niet onder de eieren zat. Het hiervoor getaxeerde bedrag van € 1.135,50 is in de hertaxatie unaniem overgenomen.

Met betrekking tot het materiaal dat wél onder de vernietigde eieren zat, is uit navraag gebleken dat het daarop betrekking hebbende standpunt van appellante in hertaxatie bekend was. In beginsel worden platen en trays die onder de eieren zitten niet vergoed, omdat ervan wordt uitgegaan dat de waarde daarvan in de eierprijs is verdisconteerd. Dit kan anders zijn, indien wordt aangetoond dat dit materiaal eigendom is van de eierafnemer.

In bezwaar heeft appellante echter gesteld dat de platen en trays haar eigendom zijn. Bovendien is zij in bezwaar in de gelegenheid gesteld een nadere onderbouwing te geven van al het geruimde verpakkingsmateriaal, maar heeft zij geen bewijs geleverd van de door haar gestelde ruiming van folie, zodat zij daarvoor ook geen vergoeding ontvangt.

Mede gelet op hetgeen de taxateurs in de hertaxatie hebben onderzocht, heeft appellante volgens verweerder geen recht op het door haar gestelde bedrag van € 4.238,07.

3.1.6 Met betrekking tot de door appellante gestelde renteschade stelt verweerder, onder verwijzing naar artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat aanspraak op rentevergoeding ontstaat als sprake is van verzuim wegens niet tijdige voldoening van een geldsom. In de Gwd is, indien geen genoegen wordt genomen met de oorspronkelijk vastgestelde waarde, uitdrukkelijk voorzien in een hertaxatieprocedure.

Consequentie van het instellen van die procedure is dat slechts een voorschotbetaling kan volgen en pas na hertaxatie een primair besluit kan worden genomen met betrekking tot de hoogte van de tegemoetkoming in de schade. Hieruit volgt dat appellante geen aanspraak heeft op vergoeding van wettelijke rente.

3.1.7 Tenslotte stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het verzoek om toekenning van in bezwaar gemaakte proceskosten gelet op artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet voor vergoeding in aanmerking komt.

3.2 In zijn reactie op bij griffiersbrief van 22 oktober 2007 gestelde vragen, heeft verweerder in zijn op 6 november 2007 verzonden brief - voor zover van belang - het volgende gesteld.

3.2.1 In het kader van de uitvoering van de pilot is eind 2004 een aantal knelpunten naar voren gekomen, waaronder de bij de waarde van pluimvee in acht te nemen kosten van entstoffen en inentingen. Naar aanleiding hiervan hebben verweerder en de representatieve organisaties LTO en NOP besloten die kosten, mits aangetoond, in aanmerking te brengen voor een aanvullende schadevergoeding. In het kader daarvan heeft verweerder het Landbouw Economisch Instituut een waarderings-/prijslijst laten opstellen.

Met betrekking tot de in het kader van de tegemoetkoming voor geruimde eieren door verweerder gehanteerde eierstaffels, is besloten deze niet in de pilot te betrekken, maar dit onderwerp in een soort proefprocedure aan het College voor te leggen, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van het College van 20 september 2005 in de zaak AWB 04/720

(<www. rechtspraak.nl>, LJN AU3674). Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder de eierstaffels herzien en aan (her)taxateurs nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij vrij (moeten) zijn in hetgeen zij als waardebepaling aandragen.

3.2.2 Ten tijde van de AI-crisis in 2003 was het gebruikelijk om aan een pluimveehouder die het taxatieformulier niet voor akkoord had getekend, een voorschot in de geleden schade te verstrekken, waarbij in beginsel werd uitgegaan van 90% van het betwiste onderdeel van de taxatie. Op deze manier werd reeds voor de bekendmaking van het primaire besluit grotendeels tegemoetgekomen in de geleden schade. In het onderhavige geval bedroeg het voorschot 100% van de oorspronkelijk getaxeerde waarde van de dieren en 90% van de getaxeerde waarde van de eieren, ter grootte van € 30.278,35 exclusief btw.

Tenslotte heeft verweerder in zijn op 6 november 2007 verzonden reactie opgemerkt dat een dagvergoeding niet eerder wordt toegekend dan bij het primaire besluit tot definitieve vaststelling van de tegemoetkoming in de schade, omdat de hertaxatie zijn oorzaak mede kan vinden in het moment waarop de dieren door verweerder zijn overgenomen.

4. Het standpunt van appellante

4.1 Appellante heeft in beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

4.1.1 Met betrekking tot de bij de hertaxatie gevolgde procedure stelt appellante dat voor de bepaling van de geldigheid en bepaalbaarheid van een document het volgen van de juiste procedure bepalend is en dat de in het bestreden besluit gehanteerde kwalificatie ´slordig` een understatement is. Zij handhaaft haar argumenten tegen de in hertaxatie gevolgde procedure.

4.1.2 In het bestreden besluit is verweerder wel ingegaan op het aantal geruimde eieren, maar

is ten onrechte nagelaten in te gaan op het hiermee samenhangende bezwaar dat de dagvergoeding te laag is vastgesteld. In zoverre is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en evenmin deugdelijk gemotiveerd.

4.1.3 Met betrekking tot de waarde van de dieren, handhaaft appellante haar standpunt dat in verband met de opzetdatum uitgangspunt moet zijn de waarde behorende bij een leeftijd van 20 weken, waarbij de kosten voor de inentingen moeten worden opgeteld. Daarop dient dan de afschrijving over een periode van 10 weken (tot de ruiming) in mindering te worden gebracht. Dit leidt volgens appellante tot een extra te vergoeden bedrag van € 22.754,53, exclusief btw.

4.1.4 Appellante handhaaft haar standpunt dat zij aanspraak heeft op een extra vergoeding voor het geruimde verpakkingsmateriaal voor de eieren. Zij begrijpt uit het bestreden besluit dat verweerder kennelijk van mening is dat er meer verpakkingsmateriaal is vernietigd dan door de (her)taxateur(s) is vastgesteld, maar zich anderzijds op het standpunt stelt dat appellante de op dit punt gestelde schade onvoldoende heeft onderbouwd.

Naar de opvatting van appellante is dit innerlijk tegenstrijdig. Bovendien vermag appellante niet in te zien hoe verweerders standpunt met betrekking tot het verpakkingsmateriaal, inhoudend dat er in het algemeen van wordt uitgegaan dat de prijs daarvan is verdisconteerd in de eierprijs, zich verhoudt tot diens standpunt dat na de taxatie gelegde eieren niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

4.2 Het feit dat artikel 86 Gwd geen melding maakt van mogelijke renteschade, brengt naar de opvatting van appellante niet mee dat dergelijke schade op grond van die bepaling niet voor vergoeding in aanmerking zou komen. In het onderhavige geval is de oorspronkelijke taxatie niet juist geweest. Daarmee staat volgens appellante vast dat zij van aanvang af recht had op een hoger bedrag dan bij die taxatie is bepaald, zij het dat daaromtrent pas later duidelijkheid is verkregen. Een verkeerde taxatie komt voor rekening van de instantie die gehouden is de schade te vergoeden, derhalve verweerder, temeer indien die taxatie, zoals in dit geval, moet worden aangemerkt als het niet correct naleven van de toepasselijke regels en derhalve gekwalificeerd moet worden als onzorgvuldig handelen.

Toekenning van de wettelijke rente is volgens appellante tevens aan de orde omdat zich anders de merkwaardige situatie voordoet dat je door verweerder te wijzen op diens fouten en - dus - niet akkoord te gaan met de uitkomst van de taxatie, langer op betaling van de (definitieve) schadevergoeding moet wachten. In het onderhavige geval heeft het ruim drie jaren geduurd voordat duidelijk werd dat appellante gelijk had. Naar haar opvatting had verweerder in ieder geval direct 100% van de oorspronkelijk getaxeerde waarden aan haar kunnen uitkeren. Bovendien valt appellante niet aan te rekenen dat er zoveel tijd is verstreken tussen de eerste taxatie en de hertaxatie, aangezien dit het gevolg is van een pilotproject, waarom appellante niet heeft gevraagd. Al hetgeen in het bestreden besluit met betrekking tot de juiste waardevaststelling na hertaxatie is opgemerkt, kan daar niet aan afdoen.

Het gaat appellante om de wettelijke rente over de periode vanaf de eerste taxatie tot het besluit van 29 augustus 2006, waarbij de definitieve tegemoetkoming is bepaald. Het bedrag aan wettelijke rente behoort tot de door appellante geleden gevolgschade, die door handelen van verweerder is ontstaan.

Namens appellante is ter zitting gesteld dat de lange duur van de procedure tot vaststelling van haar schade ook tot emotionele schade heeft geleid, in welk verband zij heeft gewezen op artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van appellante terecht ongegrond heeft verklaard. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.1.1 Vaststaat dat op het formulier met betrekking tot de hertaxatie drie handtekeningen staan, alsmede dat bij die handtekeningen de namen F, G en H zijn vermeld. Voor zover niet reeds uit dien hoofde vaststaat dat de hertaxatie door drie hertaxateurs, waaronder de oorspronkelijke taxateur F, is verricht, geldt bovendien dat de hertaxateurs G en H naar aanleiding van het bezwaar van appellante ieder voor zich hebben bevestigd dat zij bij de hertaxatie betrokken zijn geweest.

Hoewel aan appellante kan worden toegegeven dat een nauwgezettere invulling van het hertaxatieformulier de voorkeur zou hebben verdiend, kan in hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding worden gevonden het beroep gegrond te verklaren.

5.1.2 Ten aanzien van de waardevaststelling van de eieren, is het College onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, onder meer de uitspraak van 20 april 2006 (AWB 04/1137,

<www. rechtspraak.nl>, LJN AW5769) van oordeel dat verweerder op goede gronden de eieren die zijn gelegd na de taxatiedatum en voor de ruiming, niet voor vergoeding in aanmerking heeft gebracht.

Anders dan appellante in dit verband - subsidiair - heeft gesteld, leidt het vorenstaande niet tot de slotsom dat de aan haar toegekende dagvergoeding te laag is vastgesteld.

Het College wijst er op dat die dagvergoeding is gebaseerd op door verweerder ingevolge artikel 91 Gwd gevoerd beleid. Ingevolge dit beleid worden voor de redelijkerwijs in aanmerking te nemen kosten, gemoeid met het tijdsverloop tussen taxatie- en ruimingsdatum, dat tijdsverloop en het aantal dieren bepalend geacht.

Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat verweerder niet in redelijkheid tot dat beleid heeft kunnen komen. Vaststaat dat verweerder met inachtneming van dit beleid de aan appellante toegekende dagvergoeding heeft bepaald en die bepaling bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd. Niet valt in te zien waarom verweerder ten aanzien van appellante niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

5.1.4 Ook de stelling van appellante dat de, bij het bestreden besluit gehandhaafde, waardevaststelling van de dieren onjuist is, faalt. Vaststaat dat verweerder de vergoeding voor de dieren heeft vastgesteld overeenkomstig de hertaxatie en eveneens dat daarbij terecht is uitgegaan van een leeftijd ten tijde van de ruiming van (afgerond) 30 weken.

Eveneens staat gelet op de gedingstukken vast dat de hertaxateurs op de hoogte waren van het standpunt van appellante met betrekking tot het moment waarop de dieren in het onderhavige bedrijf zijn opgezet, en dat zij daarin geen aanleiding hebben gezien tot een andere, hogere, taxatie te komen. Naar het oordeel van het College kan hetgeen appellante ten aanzien van dit aspect - en de daaruit volgens haar voortvloeiende afschrijving van de inentingskosten - heeft aangevoerd, niet leiden tot de slotsom dat de hertaxatie vanwege de inhoud, dan wel de wijze van totstandkoming zozeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is, dat van een deugdelijke taxatie geen sprake is. Onder deze omstandigheden is dan ook geen plaats voor het oordeel dat verweerder de tegemoetkoming met betrekking tot de dieren ten onrechte overeenkomstig de hertaxatie heeft vastgesteld.

5.1.5 Met betrekking tot het verpakkingsmateriaal, dat zich ten tijde van de ruiming onder de eieren bevond, stelt het College voorop dat, anders dan appellante in beroep lijkt te veronderstellen, de trays en platen die zich ten tijde van de taxatie onder de eieren bevonden, niet voor vergoeding in aanmerking zijn gebracht. Vaststaat dat die trays en platen eigendom waren van appellante en dat zij verweerders standpunt dat de prijs van dat

verpakkingsmateriaal geacht moet worden in de eierprijs begrepen te zijn, niet, laat staan gemotiveerd, heeft weersproken.

Uit het vorenstaande volgt dat van de door appellante veronderstelde tegenstrijdigheid tussen het niet voor vergoeding in aanmerking brengen van na de taxatie gelegde eieren en eventueel voor die eieren gebruikt verpakkingsmateriaal geen sprake is.

Derhalve is slechts in geschil of het overige verpakkingsmateriaal, derhalve het ten tijde van de ruiming niet onder eieren aanwezige materiaal, met een - in hertaxatie gehandhaafde - waarde van € 1.135,50 zo zeer onjuist is, dat verweerder de tegemoetkoming terzake ten onrechte op dit bedrag heeft vastgesteld. Gelet op de hiervoor in § 5.1.4 reeds weergegeven, door verweerder te hanteren toets, is daarvan geen sprake. Ook de in dit verband in beroep aangevoerde grond faalt derhalve.

5.2.1 Ter zitting is namens appellante gesteld dat tevens sprake is van emotionele schade als gevolg van de lange duur van de procedure sedert de ruiming van haar bedrijf en dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Het College begrijpt dat met deze grief wordt verzocht de immateriële schade die het gevolg is van de gestelde schending van de redelijke termijn voor vergoeding in aanmerking te brengen.

Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop het bestuursorgaan en de rechter de zaak hebben behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene (zie o.m. arrest van 29 maart 2006 in de zaak Scordino tegen Italië, par. 177, gepubliceerd in AB 2006, 294).

Naar het oordeel van het College is in zaken als de onderhavige, mede gezien het aan de orde zijnde financiële belang, de redelijke termijn in beginsel niet overschreden indien de totale procedure niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Die termijn vangt, zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 december 2007 in de zaken AWB 06/915 en 06/916, <www. rechtspraak.nl> LJN BB9789), aan op het moment dat de betrokkene kenbaar maakt het niet eens te zijn met de waardebepaling van zijn schade en daarmee verzoekt om hertaxatie.

Aangezien uit de jurisprudentie van het EHRM tevens volgt dat de duur van de hele procedure in aanmerking moet worden genomen, eindigt de termijn met de materiële beslechting van het geschil, derhalve op de datum van de onderhavige uitspraak.

Appellante heeft op 26 april 2003 kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met de waardebepaling, zodat op die datum de termijn is gaan lopen. Sedertdien is tot de datum van deze uitspraak een termijn van vijf jaar en (ruim) 10 maanden verstreken.

5.2.2 Indien in zaken als de onderhavige de totale procedure langer dan vier jaar heeft geduurd, dient vervolgens per afzonderlijke fase in die procedure te worden beoordeeld of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, teneinde de omvang van de schade te kunnen vaststellen. Daarbij gelden, in aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak van het College in de zaken AWB 06/915 en 06/916, in beginsel de volgende termijnen als uitgangspunt. Vanaf het verzoek om hertaxatie tot de totstandkoming van het primaire besluit een periode van een jaar, eveneens een jaar voor de behandeling van het daartegen gerichte bezwaar en een termijn van twee jaar voor de behandeling van het beroep in eerste en enige aanleg.

Vanaf de datum van het verzoek om hertaxatie (26 april 2003) tot de totstandkoming van het besluit tot definitieve tegemoetkoming (29 augustus 2006) is een periode van drie jaar en vier maanden verstreken. Verweerder heeft vervolgens op 22 januari 2007 beslist op het tegen dat besluit gerichte, door hem op 9 oktober 2006 ontvangen bezwaarschrift, derhalve na drie en een halve maand. Het vorenstaande brengt het College tot de slotsom dat verweerder bezien bij het licht van het hiervoor genoemde uitgangspunt de door hem totaal in acht te nemen redelijke termijn met één jaar en zeven maanden heeft overschreden.

Op grond van hetgeen hiervoor met betrekking tot de termijnoverschrijding door verweerder is overwogen dient het beroep voor zover het de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM gegrond te worden verklaard.

5.2.3 Het College overweegt tenslotte dat uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van de immateriële schade worden verondersteld. Aangezien verweerder geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en het College deze ook niet aanwezig acht, is bij appellante sprake van immateriële schade die op voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vergoeding in aanmerking komt. Dit leidt tot een door verweerder aan appellante te betalen schadevergoeding van - afgerond - vier maal € 500, derhalve totaal € 2.000.

5.3 Aangezien het beroep, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, overigens ongegrond is, ziet het College aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

5.4 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Deze worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-

(1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met een wegingsfactor 1, en een waarde van € 322,- per punt).

Voorts dient het door appellante voor het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,- aan haar te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan appellante als schadevergoeding een bedrag van € 1.500,-

(zegge: vijftienhonderd euro) te betalen;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 644,-

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,-

(zegge: tweehonderdeenentachtig euro) aan haar wordt vergoed;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de proceskosten en de griffierechten aan appellante

dient te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2009.

w.g. M.A. van der Ham De griffier is niet in staat de uitspraak

mede te ondertekenen.