Home

Centrale Raad van Beroep, 06-03-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:346, 23/3404 NOW

Centrale Raad van Beroep, 06-03-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:346, 23/3404 NOW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 maart 2025
Datum publicatie
11 maart 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:346
Zaaknummer
23/3404 NOW

Inhoudsindicatie

Definitieve vaststelling en terugvordering van de subsidie op grond van de NOW-1 en NOW-3 terecht. De minister heeft bij de vaststelling van de omzetdaling van de groep, terecht ook de huuropbrengsten en de jaarvergoeding van een bierbrouwer tot de omzet gerekend. Niet in strijd met artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en NOW-3 omdat in die bepalingen wordt aangesloten bij de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW. Berekening van het omzetverlies niet in strijd met de wet en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Uitspraak

23/3404 NOW, 23/3405 NOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 november 2023, 22/1030 en 22/1407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

Datum uitspraak: 6 maart 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken over de definitieve vaststelling van de subsidie op grond van de NOW1 en NOW-3. De minister heeft bij de vaststelling van de omzetdaling van de groep ook de huuropbrengsten en de jaarvergoeding van een bierbrouwer tot de omzet gerekend. Volgens appellante is dat in strijd met artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en NOW-3 omdat in die bepalingen wordt aangesloten bij de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW. Daarom acht appellante de berekening van het omzetverlies in strijd met de wet en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Raad volgt appellante hierin niet. De minister heeft terecht de subsidie op grond van de NOW-1 en NOW-3 vastgesteld op € 7.421,- respectievelijk € 10.853,- en een bedrag van € 11.134,- en € 1.774,- van appellante teruggevorderd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Bartels hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali, medewerker van het Uwv.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.

Appellante is een exploitatiemaatschappij die twee activiteiten verricht. In de eerste plaats gaat het om de exploitatie (verhuur) van een horecapand gelegen aan het [adres 1] te [vestigingsplaats] , en appartementen aan [adres 2] en [adres 3] . De andere activiteit betreft de exploitatie van horecaonderneming ‘ [naam horeca] ’, gevestigd [adres 4] te [vestigingsplaats] . Beide activiteiten hebben een eigen loonheffingsnummer (respectievelijk: [loonheffingennummer 1] en [loonheffingennummer 2] ).

1.2.

Op 6 april 2020 respectievelijk 17 november 2020 heeft appellante, voor loonheffingsnummer [loonheffingennummer 2] , een aanvraag ingediend voor een subsidie voor de loonkosten op grond van de (eerste) Tijdelijke noodmatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) voor de periode van maart tot en met mei 2020 en op grond van de (derde) Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW3) voor de periode van oktober tot en met december 2020. Bij besluit van 10 april 2020 heeft de minister aan appellante een subsidie op grond van de NOW-1 verleend van € 23.194,-, waarvan een bedrag van € 18.555,- als voorschot is verleend. Bij besluit van 18 november 2020 heeft de minister appellante een subsidie op grond van de NOW-3 verleend van € 15.784,-, waarvan een bedrag van € 12.627,- als voorschot is verleend.

1.3.

Appellante heeft op 7 september 2021 respectievelijk 10 november 2021 de definitieve berekening van de subsidie op grond van de NOW-1 en de NOW-3 aangevraagd. Appellante heeft op de aanvraagformulieren vermeld geen onderdeel te zijn van een groep of concern en vermeld dat zij een omzetverlies van 93% respectievelijk 91% heeft geleden.

1.4.

Naar aanleiding van deze aanvragen heeft de minister een onderzoek ingesteld naar de opgave van het percentage omzetverlies en de daaraan ten grondslag liggende gegevens in de aanvragen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van bevindingen van 9 februari 2022 (NOW-1) en 15 februari 2022 (NOW-3). De minister heeft in deze rapporten geconcludeerd dat appellante, samen met [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] , een groep vormt als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1.1 Op grond van dit artikellid moet voor de bepaling van het omzetverlies worden uitgegaan van de omzetgegevens van de gehele groep. Verder moeten de huuropbrengsten van [naam B.V. 1] worden meegenomen voor de omzetberekening van de gehele groep. Daarnaast zijn sommige huuropbrengsten en vergoedingen van een bierbrouwer niet meegenomen in de berekening. Op basis van de aldus aangepaste omzetgegevens is in het rapport het omzetverlies vastgesteld op 57% voor de NOW-1 en op 55% voor de NOW-2.

1.5.

Bij besluit van 10 februari 2022 (besluit 1) heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan appellante op grond van de NOW-1 vastgesteld op € 7.421,-. De minister heeft het teveel betaalde voorschot ten bedrage van € 11.134,- van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 24 maart 2022 (besluit 2) heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan appellante op grond van de NOW-3 vastgesteld op € 10.853,-. De minister heeft het teveel betaalde voorschot van € 1.774,- van appellante teruggevorderd. Bij beslissingen op bezwaar van 5 april 2022 (bestreden besluit 1) en 17 mei 2022 (bestreden besluit 2) heeft de minister de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

2.1.

Appellante stelt zich op het standpunt dat de NOW-regeling in strijd is met het Burgerlijk Wetboek (BW), daarmee aanduidend dat het BW voorgaat op de NOW. Deze opvatting vindt volgens de rechtbank geen steun in het recht. De NOW is weliswaar een ministeriële regeling maar met een grondslag in een wet in formele zin. Daarmee is de bevoegdheid gegeven ten aanzien van het specifieke onderwerp in de regeling de, in essentie taalkundige begrippen, die ook in andere wetten voorkomen, in casu het begrip omzet uit het BW, anders of uitgebreider uit te leggen.

2.2.

De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat de minister terecht de huuropbrengsten en de vergoedingen vanuit een bierbrouwer heeft aangemerkt als omzet. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de bewoordingen van artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 en de Nota van Toelichting bij deze regeling. Naar het oordeel van de rechtbank moet ervan worden uitgegaan dat de regelgever nadrukkelijk heeft gekozen voor de in artikel 1, tweede lid, van NOW-1 gekozen definitie van ‘omzet’ in het belang van een eenduidige en werkbare uitvoering van de NOW-1. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er voor de NOW een breder omzetbegrip wordt gehanteerd dan alleen het omzetbegrip uit Boek 2 van het BW, namelijk met de uitbreiding van de baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie en aansluiting wordt gezocht bij het omzetbegrip zoals dat wordt gebruikt in het jaarrekeningenrecht. Waarbij ook de overige opbrengsten als omzet worden gezien voor de NOW voor zover zij zien op reguliere bedrijfsactiviteiten van de onderneming. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar bijlage III “Verduidelijking omzetbegrip binnen de NOW” van de Kamerbrief van 9 december 2020. Appellante heeft niet betwist dat de huuropbrengsten en de opbrengsten vanuit de bierbrouwer ‘overige opbrengsten’ zijn die voortvloeien uit de uitvoering van de normale activiteiten van de onderneming. Dit heeft de minister ook voldoende gemotiveerd in zijn rapportage van bevindingen van 9 februari 2022.

2.3.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om in het geval van appellante af te wijken van de regels over de omzet in de NOW. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De minister was op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd om de subsidie lager vast te stellen maar bij de uitoefening van die bevoegdheid had de minister een belangenafweging behoren te maken. Dit heeft de minister ten onrechte achterwege gelaten. De rechtbank heeft daarom beoordeeld wat de uitkomst is als de belangenafweging wordt gemaakt zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 januari 20232 heeft voorgeschreven.

2.4.

Bij de belangenafweging is volgens de rechtspraak van de Raad eerst van belang te onderkennen dat de toetsing door de rechter minder intensief is omdat de NOW-regeling het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging. Beoogd wordt daarmee om werkgevers, die te maken hebben met een acute terugval in de omzet door omstandigheden die niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, een tegemoetkoming te bieden in de loonkosten met het doel werkgelegenheid zoveel mogelijk te behouden. Verder is het een noodmaatregel waarbij een zeer groot aantal werkgevers op korte termijn duidelijkheid moest worden verschaft. De regeling heeft daardoor noodgedwongen een generiek karakter waarbij niet steeds maatwerk kan worden geboden.

2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onvoldoende gemotiveerd waarom er in haar specifieke geval afgeweken zou moeten worden van het omzetbegrip zoals dat is bepaald in de NOW. Het gaat erom of de bestreden besluiten onevenredig nadelige gevolgen hebben voor appellante die niet in verhouding staan tot de met die besluiten te dienen doelen. Dat is niet gebleken.

2.6.

Omdat er in de bestreden besluiten een onvoldoende belangenafweging is gemaakt, zijn deze niet deugdelijk gemotiveerd. Die besluiten zijn volgens de rechtbank dan ook in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Aannemelijk is dat appellante door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. De rechtbank heeft in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel aanleiding gezien om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het door haar betaalde griffierecht.

Het standpunt van appellante

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de wet en met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het evenredigheidsbeginsel. De stelling van appellante is niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat de NOW-regeling in strijd is met het BW. Het standpunt van appellante is dat de interpretatie van het begrip ‘omzet’ door de minister afwijkt van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW, terwijl artikel 1, tweede lid, van de NOW-1 naar die bepaling verwijst. Daarmee handelt de minister in strijd met de wet. Wat betreft het standpunt dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gaat de rechtbank er volgens appellante ten onrechte vanuit dat zij heeft verzocht om de regels omtrent omzet opzij te zetten. Appellante heeft bedoeld te stellen dat als de minister de regels over het begrip ‘omzet’ opzij zet, hij niet alleen handelt in strijd met de wet maar ook met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met betrekking tot de door de rechtbank uitgevoerde belangenafweging is appellante van mening dat er een eenzijdige belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij alleen maar is gekeken naar de belangen van de minister.

Het standpunt van de minister

3.2.

De minister heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage

NOW-1:

NOW-3:

Burgerlijk Wetboek (BW):

Algemene wet bestuursrecht (Awb):