Home

Gerechtshof Amsterdam, 25-04-2003, BC1002, 01/04209

Gerechtshof Amsterdam, 25-04-2003, BC1002, 01/04209

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25 april 2003
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2003:BC1002
Zaaknummer
01/04209
Relevante informatie
Gemeentewet 222

Inhoudsindicatie

Baatbelasting Hilversum. Zelfstandige eigendommen die niet aan de heringerichte ruimte grenzen kunnen niet in de baatbelasting worden betrokken louter omdat zij grenzen aan eigendommen van dezelfde eigenaar die wel grenzen aan die ruimte.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Hilversum, verweerder.

1. Loop van het geding.

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 26 november 2001.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 6 november 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de Baat¬belasting Groest/Kerkstraat e.o. voor het jaar 1999 met betrekking tot de onroerende zaak aan-geduid als h-straat 99.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2001 een aanslag opgelegd tot een bedrag van ƒ 46.946. Bij bezwaarschrift van 29 oktober 2001 heeft belangheb-bende bezwaar gemaakt tegen de aanslag en tevens verzocht om toepassing van de regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting.

Bij zijn uitspraak van 6 november 2001 heeft verweerder het bedrag van de ver-schuldigde belasting nader gesteld op ƒ 41.056,03, het verzoek tot omzetting van de aanslag in een jaarlijkse heffing van 13 termijnen ingewilligd en de aanslag dien-overeenkomstig verminderd tot een bedrag van ƒ 4.776,85.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en de aanslag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2003. Daar zijn verschenen, als ge-machtigden van verweerder, A, B, C en D. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Aan belanghebbende is per aangetekende brief van 17 februari 2003, verzonden aan het in het beroepschrift opgegeven adres, een uitnodiging voor de zitting verzonden.

De gemachtigden van verweerder hebben een pleitnota met bijlagen overgelegd, alsmede een kopie van de aanslag overgelegd.

2. De Verordening.

2.1. De gemeenteraad van Hilversum heeft in de openbare vergadering van 9 oktober 1996 de Verordening Baatbelasting Groest/Kerkstraat e.o. (hierna: de Verordening) vastgesteld. In De Gooi en Eemlander van 7 november 1996 is bekendgemaakt dat de Verordening voor een ieder in het raadhuis ter inzage ligt.

De Verordening luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“ Artikel 1 – Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. een onroerende zaak:

1. een gebouwd eigendom, waaronder in ieder geval wordt verstaan een gebouw met eventuele toebehoren en of grond ten aanzien waarvan een splitsing in ap-partementsrechten heeft plaatsgevonden;

2. een ongebouwd eigendom;

3. een samenstel van:

twee of meer aaneengebouwde of aangrenzende gebouwde eigendommen, of:

twee of meer aangrenzende ongebouwde eigendommen; of:

aangrenzende gebouwde en ongebouwde eigendommen; voorzover voor die eigendommen eenzelfde genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een gerechtigde tot een appartementsrecht hiervan uitgezonderd, wordt aangemerkt als belastingplichtige.

4. een samenstel van:

twee of meer aaneengebouwde of aangrenzende gebouwde eigendommen; of:

aangrenzende gebouwde en ongebouwde eigendommen; voorzover die ei-gendommen deel uitmaken van een onroerende zaak ten aanzien waarvan een splitsing in appartementsrechten, al dan niet in combinatie met een onder-splitsing van een zodanig appartementsrecht, heeft plaatsgevonden.

b. heringerichte openbare ruimte: het gebied zoals is aangeduid op de bij deze verorde-ning behorende kaart.

c. frontbreedte: alle zijden van een onroerende zaak voor zover gelegen aan de herin-gerichte openbare ruimte.

Artikel 2 – Belastbaar feit.

1. Onder de naam “Baatbelasting Groest/Kerkstraat e.o.” wordt in de vorm van een heffing ineens een belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de bolletjes omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 november 1995 zijn gebaat door de in de tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door of met mede-werking van het gemeentebestuur.

2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten het aanleggen/verbeteren van:

a. sierbestrating met inbegrip van profielaanpassingen op de bestaande voorzienin-gen;

b. openbare sierverlichting

c. straatmeubilair;

d. groenvoorzieningen.

Artikel 3 – Belastingplicht.

1. De belasting wordt geheven van degene, die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

2. (…)

Artikel 4 – Maatstaf van heffing.

1. Maatstaf van heffing is de uitkomst van de volgende formule:

(M x V x T1) + (F x T2)

waarin :

M = de maatstaf van heffing zoals bedoeld in het tweede lid

F = de maatstaf van heffing zoals bedoeld in het derde lid

V = de voorzieningsfactor zoals bedoeld in het vierde lid

T1 = het tarief zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid

T2 = het tarief zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid

2. De oppervlakte van een onroerende zaak wordt bepaald, op het aantal volle vierkante kadastrale meters van de begane grond – van de onroerende zaak die grenst aan de her-ingericht openbare ruimte – waarbij op hele meters naar beneden wordt afgerond.

3. De frontbreedte wordt bepaald op de lengte gemeten van de kadastrale kaart, van dat deel van een onroerende zaak dat grenst/gelegen is aan de heringerichte openbare ruim-te. De werkelijke lengte wordt hierbij op halve meters naar beneden afgerond. Indien er meerdere zijden, van één onroerende zaak, zijn gelegen aan de heringerichte openbare ruimte die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, geldt de som van alle zijden.

4. De voorzieningsfactor, voor de op in artikel 2 bedoelde kaart, voorkomende onroe-rende zaken welke deels zijn gelegen aan een reeds eerdere heringerichte openbare ruimte, en of die uit hoofde van de verordening baatbelasting Leeuwenstraat/kampstraat reeds een aanslag ontvangen hebben, is aangegeven in de rode kleur en bedraagt: 0,5.

Artikel 5 – Belastingtarief

De belasting bedraagt:

1. voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 4, twee-de lid ƒ 50,30

2. voor elke strekkende meter van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 4, der-de lid ƒ 1.618,67.

Artikel 6 – Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijks belasting.

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 15 jaren. (…)

2. Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

3. De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis van een periode van 15 jaren en een rentevoet van 6,51%.

4. De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan door de belastingplich-tige worden afgekocht. (…)

5. a. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de be-lastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in het eerste lid eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe genothebbende (…) met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak, berekend overeenkomstig het vierde lid van dit artikel.

b. In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van de in dat onder-deel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig het eerste lid ge-continueerd. (…)

6. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en in de loop van het belastingtijdvak de eigendom, het bezit of het beperkt recht van een ge-deelte van de onroerende zaak wordt overgedragen, wordt voor de verdeling van de res-terende belastingschuld, de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 4 voor de desbe-treffende onroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de nog niet aangevangen belas-tingjaren.

(…)

Artikel 14 – Inwerkingtreding en citeertitel.

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de be-kendmaking.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 1997.

3. Zij kan worden aangehaald als “Verordening Baatbelasting Groest/Kerkstraat e.o.”.

2.2. Op 10 december 1992 had de gemeenteraad van Hilversum het “Bekostigingsbe-sluit herinrichting Groest/Kerkstraat e.o.” (hierna: het Bekostigingsbesluit) vastge-steld. Dit besluit is op 21 december 1992 in De Gooi en Eemlander bekendgemaakt.

3. Tussen partijen vaststaande feiten.

3.1. Op 1 november 1995 waren de in het centrum van Hilversum gelegen percelen met de kadastrale nummers 7100, 9701 en 9702 en de daarop gelegen opstallen aan-geduid als respectievelijk Herenstraat 95, 97 en 99 eigendom van één en dezelfde eigenares. De percelen liggen in het bij het Bekostigingsbesluit aangegeven plange-bied en tevens in het gebied dat op de bij de Verordening behorende kaart is aange-geven met een bolletjesomlijning.

Uit de door belanghebbende en verweerder overgelegde kaarten en verdere gegevens blijkt het volgende.

Het perceel 9701 grenst aan de heringerichte openbare ruimte. Op dit perceel is de opstal h-straat 97/e-straat 9 gelegen. Daarin is een tapijthandel gevestigd, die zijn ingang heeft aan de e-straat. Het overige aan de heringerichte openbare ruimte gele-gen onbebouwde deel van dit perceel wordt gebruikt als terras door de uitbater van het in de opstal h-straat 95 gevestigde café. Het perceel 9701 is 376 m² groot. De afstand waarmee het kadastrale perceel 9701 grenst aan de heringerichte ruimte be-draagt 13 meter.

Het perceel h-straat 95 (kadastraal nummer 7100) grenst aan de h-straat en wordt overigens volledig omsloten door voormeld perceel 9701. Het kadastrale perceel 7100 is 128 m².

Aan het pand h-straat 97 grenst het pand h-straat 99. Het is gelegen op het perceel met kadastraal nummer 9702 ter grootte van 98 m². H-straat 99 is een woning.

3.2. Ter zake van de onder 3.1 vermelde percelen, die volgens verweerder een sa-menstel vormen op grond van het bepaalde in artikel 1, onderdeel a, 3°, van de Ver-ordening, is met dagtekening 31 mei 1997 aan de toenmalige gezamenlijke eigenaar een aanslag Baatbelasting Groest/Kerkstraat e.o. 1997 opgelegd. Na een daartoe strekkend verzoek is die aanslag vervangen door een heffing in de vorm van een jaar-lijkse belasting gedurende 15 jaren als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Veror-dening.

3.3. Op 29 juni 1998 heeft belanghebbende de percelen 9702 en 9701 in eigendom verkregen.

3.4. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2001 een aanslag in de baatbelasting opgelegd voor de belastingjaren vanaf 1999, zulks op de voet van arti-kel 6, vijfde lid, sub a, van de Verordening. Daarbij werd er ten onrechte van uitge-gaan dat belanghebbende ook het perceel 1700 had verkregen, zodat bij de bereke-ning van de aanslag naast een frontbreedte van 13 meter een oppervlakte van 602 m² in aanmerking werd genomen. De aanslag bedroeg ƒ 46.946.

3.5. Na bezwaar, tevens verzoek om toepassing van de regeling van artikel 6, vijfde lid, onder b, van de Verordening, werd het bedrag van de ineens verschuldigde belas-ting, door uitsluiting van de oppervlakte van het perceel 7100, verminderd tot ƒ 41.056,03. De aanslag werd verminderd tot een bedrag aan jaarlijkse belasting van ƒ 4.776,85.

4. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vraag: leidt de omschrijving van de ‘on-roerende zaak’ in artikel 1 van de Verordening in combinatie met de aanwijzing van ‘de belastingplichtige’ in artikel 3 tot een willekeurige en onredelijke belastinghef-fing ?

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan door verweerder -kort en zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd:

In het bezwaarschrift heeft belanghebbende het over een perceel 9703. Daar zal wel bedoeld zijn 9702. Het strookje grond tussen de percelen 7100 en 9701 waarover belanghebbende rept is een onbebouwd stukje van het perceel 9701, zoals ook blijkt uit de kadastrale kaartjes. De toegang tot de winkel op e-straat 9/h-straat 97 is wel degelijk een deel van het perceel 9701. Van een recht van overpad is geen sprake.

6. Beoordeling van het geschil

6.1.1. Op 1 november 1995 waren de aangrenzende eigendommen met de kadastrale perceelsnummers 7100, 9702 en 9701 eigendom van één eigenares. Al deze eigen-dommen zijn als gebaat aangemerkt en zijn gelegen binnen de bolletjesomlijning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening. Verweerder heeft deze eigen-dommen als één onroerende zaak aangemerkt, zulks op grond van de samenstelbepa-ling van artikel 1, onderdeel a, 3°, van de Verordening.

6.1.2. Gelet op de aanduiding op de bij de Verordening behorende kaart, waarbij ka-dastrale grenzen en kadastrale nummers zijn aangebracht, dient als voorwerp van de belasting in beginsel te worden aangemerkt de onroerende zaak die als gebouwde, als ongebouwde of als gebouwde en ongebouwde eigendom als één kadastraal perceel is aangemerkt. Het aan belanghebbende toebehorende kadastrale perceel 9701 grenst aan het heringerichte gebied. Voor zover belanghebbende met zijn betoog stelt dat het perceel 9701 niet grenst aan het heringerichte gebied, wordt dit betoog ontkracht door de in het geding, ook door belanghebbende, overgelegde kadastrale tekeningen.

De kadastrale percelen 7100 en 9702 grenzen niet aan de heringerichte ruimte. Zij zijn niettemin als gebaat aangemerkt. Dit is enkel geschied op grond van de omstan-digheid dat deze percelen op de peildatum eigendom waren van een eigenares die tevens eigenares was van het perceel 9701. Ook elders heeft de gemeente een derge-lijke gedragslijn gevolgd.

Bij het vaststellen van de Verordening en de daarin aangebrachte bolletjesomlijning heeft de gemeente overigens de begrenzing van het gebate gebied gelegd bij de ka-dastrale percelen die grenzen aan het heringerichte gebied.

6.1.3. Daarom komt de vraag aan de orde of de artikelen 1 en 2 van de Verordening ertoe mogen leiden dat gebouwde en ongebouwde eigendommen, die op zichzelf bezien niet als gebaat zijn aan te merken, niettemin als gebaat mogen worden aan-gemerkt in samenhang met wel gebate aangrenzende eigendommen, louter op grond van de omstandigheid dat zij aan eenzelfde genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht toebehoren.

Naar ’s Hofs oordeel voert het te ver om zelfstandige eigendommen die niet aan de heringerichte openbare ruimte grenzen als gebaat aan te merken, louter omdat zij eigendom zijn van een belastingplichtige wiens overige aangrenzende zelfstandige eigendommen aan de heringerichte openbare ruimte grenzen. In zoverre is sprake van een willekeurige begrenzing die niet wordt gedragen door de baat die aan de desbetreffende zelfstandige eigendommen kan worden toegerekend.

De samenstelbepaling in de Verordening mag naar ’s Hofs oordeel niet dienen om zelfstandige gebouwde en ongebouwde eigendommen als gebaat aan te merken enkel omdat zij grenzen aan eigendommen die gebaat zijn omdat zij aan de heringerichte ruimte grenzen.

Een eigendom kan niet in de heffing worden betrokken louter op grond van de sa-menstelbepaling.

Het Hof voegt hier nog aan toe dat ook de letterlijke tekst van de samenstelbepaling tot dit gevolg leidt. Immers, volgens artikel 1, onderdeel a, 3°, van de Verordening, is een onroerende zaak een samenstel van aangrenzende eigendommen voor zover daarvoor eenzelfde genothebbende wordt aangemerkt als belastingplichtige. Belas-tingplicht voor de percelen 7100 en 9702 kan nu juist pas ontstaan door toepassing van de samenstelbepaling.

6.1.4. Het vorenstaande brengt mede dat wat belanghebbende betreft de onroerende zaak h-straat 99 (de woning op het kadastrale perceel 9702) ten onrechte in de hef-fingsgrondslag is begrepen. De aanslag kan slechts betrekking hebben op het perceel 9701, met een frontbreedte van 13 meter en een oppervlakte van 376 m². De ingevol-ge de artikelen 4 en 5 van de Verordening verschuldigde belasting bedraagt derhalve (13 x ƒ 1.618,67) + (376 x ƒ 50,30) = ƒ 39.955,51. De daarbij behorende annuïteit in de zin van artikel 6, derde lid, van de Verordening bedraagt ƒ 4.252,11.

6.2. Belanghebbende heeft zich in het beroepschrift nog beroepen op het feit dat de genothebbenden van h-straat 101 en h-straat 103, die ook niet grenzen aan de e-straat, niet in de baatbelasting zijn betrokken. Nu het Hof heeft beslist dat ook be-langhebbende niet kan worden betrokken in de baatbelasting ter zake van een perceel dat niet aan de e-straat grenst, kan dit beroep verder buiten behandeling blijven.

6.3. Op grond van hetgeen is vermeld onder 6.1.4 hiervóór is het beroep van belang-hebbende gegrond.

7. Proceskosten

Omtrent voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is in deze procedure niets gesteld of gebleken.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak en vermindert de aanslag tot ƒ 4.252,11 (€ 1.929,52);

- gelast de gemeente Hilversum het betaalde griffierecht ad € 204,20 aan belang-hebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 25 april 2003 door mr. Van Loon, lid van de belas-tingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Rentenaar-Groot als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geano-nimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden ge-nomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit ge-rechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.