Home

Gerechtshof Amsterdam, 24-04-2008, BD2315, 05/445

Gerechtshof Amsterdam, 24-04-2008, BD2315, 05/445

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24 april 2008
Datum publicatie
22 mei 2008
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2315
Zaaknummer
05/445

Inhoudsindicatie

Belanghebbendes beroep op toeval of overmacht wordt verworpen. Naar het oordeel van de Douanekamer is belanghebbendes verzoek niet tardief als gevolg van toeval of overmacht. Het moet worden beschouwd als een verzoek waarbij het bedrag van de douaneschuld, ondanks het bestaan van een vaststellingsovereenkomst, alsnog wordt teruggevraagd, buiten de gestelde termijn, en zonder dat een grond om de termijnoverschrijding te pardonneren aanwezig is. Een dergelijk verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 05/445 DK

de dato 24 april 2008

1. De procedure

1.1. Op 4 februari 2005 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van A, namens X B.V. te Y, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P, kantoor p (hierna: de inspecteur) van 24 december 2004, kenmerk [….], waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen na te melden beschikking, gedagtekend 12 juli 2004, kenmerk [….], werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 276 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Een eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 14 augustus 2007.

Ter zitting zijn verschenen A, namens belanghebbende, alsmede namens de inspecteur drs. B. Tijdens de zitting hebben partijen ieder een pleitnota met bijlage overgelegd en voorgelezen.

1.4. Bij beslissing van 2 april 2008 heeft de Douanekamer mr. H.J. Bronkhorst op zijn verzoek toestemming verleend om zich in de onderhavige zaak te verschonen; deze beslissing is aan partijen en aan mr. Bronkhorst toegezonden.

1.5. In verband met de wijziging in de samenstelling van de raadkamer heeft ter zitting van de Douanekamer van 15 april 2008 opnieuw een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben schriftelijk aangegeven niet te zullen verschijnen.

1.6. De gewijzigde raadkamer heeft kennisgenomen van de onder 1.4. vermelde beslissing en van de inhoud van het voorliggende dossier, met name ook van het proces-verbaal van de zitting van 14 augustus 2007, waarin zijn opgenomen de nadere standpunten van partijen.

2. De feiten

2.1. Aan belanghebbende, douane-expediteur, zijn in september 1994 en februari en april 1995 terzake van de niet-zuivering van door belanghebbende ten behoeve van zijn opdrachtgever C opgemaakte vervoersdocumenten, uitnodigingen tot betaling uitgereikt tot een totaal bedrag van ƒ 8.966.840,40 waarvan na afboeking van een bedrag van ƒ 35.230,10 nog een bedrag van ƒ 8.931.610,30 openstaat.

Belanghebbende heeft tegen deze uitnodigingen tot betaling bezwaar aangetekend.

2.2. De uitnodigingen tot betaling zijn gevolgd door een uitgebreide en langdurige briefwisseling tussen de inspecteur en belanghebbende. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen heffingsbevoegdheid heeft aangezien bij het grootste deel van de niet-gezuiverde documenten geen kennisgeving van niet-zuivering is verzonden. Belanghebbende verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 1999, Lensing & Brockhausen GmbH, C-233/98, Jurispr., blz. I- 7349 en Douanerechtspraak 2001/68* (hierna: Lensing & Brockhausen). Daarnaast zou de onttrekking hebben plaatsgevonden in Italië of België wat met zich brengt dat de douaneschuld in één van die landen zou zijn ontstaan. Dit heeft tot gevolg dat Nederland niet heffingsbevoegd zou zijn. De inspecteur betoogt dat het in de onderhavige zaak als gezuiverd aangemerkte documenten betreft die na verloop van tijd bij een na controle voorzien bleken van valse stempels.

2.3. Op 30 april 2001 is door belanghebbende en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst ondertekend. De lopende bezwaarschriften, gedateerd 10 oktober 1994 en 4 april 1995, tegen de in de vaststellingsovereenkomst genoemde uitnodigingen tot betaling zijn door belanghebbende op 11 juni 2001 ingetrokken.

2.4. De tekst van de vaststellingsovereenkomst luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Vaststellingsovereenkomst.

In deze overeenkomst participeren de volgende partijen:

A. X B.V. gevestigd te Y (hierna te noemen partij A) vertegenwoordigd door de heer A.

B. De Belastingdienst/Douane district q (hierna te noemen partij B) vertegenwoordigd door de heren D en E.

Ter beëindiging van bestaande onzekerheid en voorkoming van geschil omtrent hetgeen tussen partijen geldt, willen partijen het volgende vastleggen.

1. De feiten

Partij A ontving in de loop van 1994 en 1995 uitnodigingen tot betaling als gevolg van geconstateerde onregelmatigheden bij communautair douanevervoer. Partij A had voor dit vervoer documenten opgemaakt en werd als schuldenaar aangemerkt. Het betrof vervoer van boter, suiker, textiel en vlees.

Het verschuldigde bedrag dat op de betreffende uitnodigingen tot betaling was vermeld beliep in totaliteit een bedrag van ƒ 8.966.840,40. Als bijlagen bij deze vaststellingsovereenkomst zijn overzichten gevoegd waarop de opgelegde bedragen zijn vermeld. De in deze overzichten opgenomen uitnodigingen tot betaling zijn opgelegd onder de nummers: 94321256 t/m 94321298, 95320088, 95320089, 95320078 t/m 95320086, 95320090 en 95320091.

Door partij B werd op de genoemde uitnodigingen tot betaling een bedrag van ƒ 35.230,10 afgeboekt in de vorm van verrekeningen. Per saldo staat thans nog een bedrag open van

ƒ 8.931.610,30.

Door, dan wel namens Partij A werden er bezwaarschriften ingediend tegen de betreffende uitnodigingen tot betaling. De in deze bezwaarschriften genoemde bezwaren worden door Partij B niet erkend.

In verband met de ingediende bezwaarschriften werd door Partij A uitstel van betaling gevraagd aan Partij B. Door Partij B werd aan dit uitstel van betaling de voorwaarden verbonden dat zekerheid zou worden gesteld tot een bedrag van ƒ 350.000,-. De verlangde zekerheid werd gesteld door overboeking van zeven maal een bedrag van ƒ 50.000,-. Deze zeven overboeking werden door (vijf maal ) of namens (twee maal) Partij A verricht.

2. De inhoud van de overeenkomst.

De beide partijen wensen de gerezen geschillen door middel van deze overeenkomst te beëindigen en komen daartoe het volgende overeen.

- Partij A accepteert de door Partij B tot een bedrag van ƒ 35.230,10 verrichte verrekeningen.

- Partij A stemt in met het afboeken van de gestelde zekerheid van ƒ 350.000,- op de onderhavige uitnodigingen tot betaling.

- Partij B zal met betrekking tot de onderhavige uitnodigingen tot betaling afzien van verdere invorderingsakties jegens Partij A.

- Partij A zal binnen veertien dagen na ondertekening van deze overeenkomst de tegen de betreffende uitnodigingen tot betaling ingediende bezwaarschriften intrekken. Mocht er sprake zijn van andere lopende procedures dan zullen ook deze worden ingetrokken.

- Partij A en Partij B zien af van het indienen van claims tot vergoeding van enigerlei schade of proceskosten welke betrekking hebben op procedures die in relatie tot de onderhavige uitnodigingen tot betaling zijn gevoerd of thans nog lopen.

- Partij A en Partij B verklaren niet meer op deze zaak terug te komen, ook niet wanneer omstandigheden bekend zouden worden, welke ten tijde van het aangaan van deze overeenkomst niet bekend waren of konden zijn.

- Partij A en Partij B doen afstand van het recht ontbinding van deze overeenkomst te vorderen.

Door ondertekening van deze overeenkomst verlenen partijen, behoudens juiste en volledige nakoming van deze overeenkomst, elkaar finale kwijting over en weer en verklaren zij niets meer van elkaar te vorderen te hebben, uit welke hoofde dan ook met betrekking tot de onderhavige uitnodigingen tot betaling.

- Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

Opgemaakt te Q op 29 maart 2001.

(…)”.

2.5. Bij brief van 12 mei 2004 en 16 juni 2004 verzoekt belanghebbende de Belastingdienst/Q ambtshalve teruggaaf van de geïnde bedragen te overwegen wegens ongeoorloofd uitgeoefende druk door de inspecteur.

De tekst van de brief met dagtekening 12 mei 2004 luidt, voorzover van belang:

“Gelet op de zeer duidelijke jurisprudentie dient de belastingdienst Q in ernstige overweging te nemen of niet dient te worden overgegaan tot ambtelijke teruggaaf van de in deze zaak geïnde bedragen.”

2.6. Bij brief van 12 juli 2004 heeft de inspecteur aangegeven geen reden te zien om terug te komen op de vaststellingsovereenkomst.

De tekst van vermelde brief luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…)

Dossier “C”

In uw brief van 12 mei 2004 heeft u, wat mij betreft overigens tussen de regels door zodat ik een en ander niet als een expliciet verzoek in behandeling heb genomen, melding gemaakt van een tweede zaak tussen Belastingdienst/Douane district Q en uw bedrijf. Daarbij is naar uw mening dezelfde problematiek aan de orde als in de thans door u voorgelegde zaak. De zaak waar u aan refereert betreft naar ik begrijp enkele aan u in oktober 1994 en april 1995 verzonden uitnodigingen tot betaling, in verband met de niet-zuivering van vervoersdocumenten, die door u ten behoeve van uw opdrachtgever, C, zijn opgemaakt.

Inmiddels heb ik kennis genomen van het dossier in de door u aangehaalde zaak C. Ik merk dienaangaande het volgende op:

In het dossier C is onder meer de vraag aan de orde of het verzenden van een kennisgeving van niet-zuivering een constitutief vereiste is om tot heffing van rechten wegens niet-zuivering van vervoersdocumenten over te kunnen gaan. Op deze vraag heeft het Hof van Justitie in de zaak “Lensing en Brockhausen’ in 1999, derhalve geruime (tijd: toevoeging DK) nadat de betreffende uitnodigingen tot betaling aan u zijn gedaan, een bevestigend antwoord geformuleerd.

Een rechterlijke uitspraak heeft, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, slechts werking voor de toekomst. Aan een rechterlijke uitspraak kunnen derhalve geen rechten worden ontleend met het oog op vergelijkbare zaken, die zich geruime tijd vóór het moment van publicatie van de uitspraak hebben afgespeeld.

In deze kwestie is evenmin sprake van een expliciet beleid van de Staatssecretaris van Financiën, op basis waarvan zou moeten worden besloten tot toepassing van de uitspraak in de zaak Lensing & Brockhausen op de door u aangehaalde zaak C.

- De door u aangehaalde vaststellingsovereenkomst, die op 30 april 2001 door u is ondertekend, heb ik bestudeerd. In deze overeenkomst is onder meer uitdrukkelijk bepaald dat partijen verklaren niet meer op deze zaak terug te komen, ook niet wanneer omstandigheden bekend zouden worden welke ten tijde van het aangaan van deze overeenkomst niet bekend waren of konden zijn. De sedert enige tijd vaste jurisprudentie van zowel Hof van Justitie als Hoge Raad met betrekking tot het niet-verzenden van de kennisgeving van niet-zuivering beschouw ik als een dergelijke omstandigheid. Ik zie niet in op basis van welke argumenten in het dossier C zou moeten worden afgeweken van het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst en voor de betreffende kwestie alsnog rekening zou moeten worden gehouden met recente jurisprudentie van Hof van Justitie en Hoge Raad.

- De in het dossier aanwezige stukken doen bij mij niet de indruk ontstaan dat Douane, bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven of u anderszins op ontoelaatbare wijze onder druk zou hebben gezet. Integendeel, ik leid uit deze stukken af dat de heer E zich bij de onderhandelingen voortduren heeft laten leiden door de noodzaak van continuïteit en de mate van solvabiliteit van uw bedrijf. Van uw stelling, dat de heer E zich schuldig zou hebben gemaakt aan “een zuivere vorm van chantage”, “volkomen onwettig” zou hebben gehandeld en bedragen “ten onrechte op onwettige wijze” zou hebben geïnd, neem ik dan ook met kracht afstand.

Concluderend ben ik van mening dat er geen redenen zijn om thans terug te komen op de door u op 30 april 2004 in het dossier C ondertekende vaststellingsovereenkomst.

(…)”.

2.7. Belanghebbende heeft bij brief van 16 augustus 2004 bezwaar gemaakt tegen de afwijzende brief van de inspecteur van 12 juli 2004 op belanghebbendes verzoek om ambtshalve terugbetaling.

2.8. De inspecteur verzoekt belanghebbende bij brief van 14 oktober 2004 aan te geven of belanghebbendes brief van 16 juni 2004 een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van het CDW behelst. Daarnaast stelt hij belanghebbende in de gelegenheid aan te tonen dat deze ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de in artikel 236 genoemde termijn, i.c. voor 2 september 1997, dan wel voor 28 februari 1998 of voor 14 april 1998, had kunnen indienen.

De tekst van de brief luidt, voorzover van belang, als volgt :

“(…).

6. Vaststellingsovereenkomst

Over de bovenstaande bezwaarschriften alsmede over het uitstel van betaling van de verschuldigde bedragen is in de jaren 1994 tot en met 2001 uitvoerig en veelvuldig door medewerkers van de inspecteur c.q. van de ontvanger met u en met medewerkers van F gecorrespondeerd en gesproken. Dit resulteerde in een vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is op 29 maart 2001 door de daarbij betrokken medewerkers van de Belastingdienst/Douane district Q opgemaakt en ondertekend. Door u is deze vaststellingsovereenkomst op 30 april 2001 ondertekend.

(…).

Toepassing van de termijn genoemd in artikel 236

I stel vast dat u uw verzoek hebt ingediend op 16 juni 2004. Ik stel tevens vast dat de termijn van drie jaren startte:

Op 2 september 1994 voor de utb’s met de kenmerken xxxxx tot en met xxxx,

Op 28 februari 1995 voor de utb met het kenmerk xxxx,

Op 14 april 1995 voor de utb’s met de kenmerken xxxx tot en met xxxx,

Op 14 april 1995 voor de utb’s met de kenmerken xxxx en xxxx,

Op 14 april 1995 voor de utb’s met de kenmerken xxxx en xxxx.

Dit betekent dat uw verzoek is ingediend buiten de termijn.

Ik stel u in de gelegenheid het bewijs te leveren dat u ten gevolge van toeval of overmacht uw verzoek niet binnen de genoemde termijn, derhalve voor 2 september 1997, dan wel voor 28 februari 1998, dan wel voor 14 april 1998, hebt kunnen indienen.

Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat ik ambtshalve reeds de jurisprudentie d.d. 13 januari 2004 met kenmerk C-453/00 van het Hof van Justitie in mijn overwegingen heb betrokken.

(…).

Beoordeling fiscale formele betekenis vaststellingsovereenkomst

De vaststellingsovereenkomst is door de inspecteur en de ontvanger gedagtekend op 29 maart 2001 en op die dag ter post bezorgd. Ik beschouw deze overeenkomst niet als de uitspraak op de ingestelde bezwaarschriften. Immers, ik beschouwde de behandeling van uw bezwaarschriften hiermee niet als afgedaan.

Beoordeling inhoudelijke betekenis vaststellingsovereenkomst

Ik spreek tegen dat u door de inspecteur en de ontvanger bij de besprekingen en in de correspondentie onder druk bent gezet.

In tegendeel, door de inspecteur en de ontvanger zijn de belangen van uw bedrijf goed in het oog gehouden. De ontvanger is zeer terughoudend omgegaan met de mogelijkheden om zekerheid van u te eisen voor de openstaande douaneschuld, en om terugbetalingen aan uw bedrijf (bijvoorbeeld betreffende de wijnaccijns) te verrekenen met deze schuld.

Ik wijs erop dat de heren G en H van F, die namens u een belangrijk deel van de besprekingen en van de correspondentie met mij en met de ontvanger over deze kwestie hebben gevoerd nooit blijk hebben gegeven dat u door de inspecteur of door de ontvanger onder druk bent gezet.

Het komt mij voor dat in de vaststellingsovereenkomst een gelijkwaardige uitwisseling van belangen heeft plaatsgevonden.

(…).

Aangezien u vrijwillig, met andere woorden zonder dat er sprake was van druk door de inspecteur of door de ontvanger, deze vaststellingsovereenkomst hebt getekend en uw bezwaarschriften hebt ingetrokken, kunt u daar niet meer op terugkomen. Ook niet indien er na de intrekking van uw bezwaarschriften en het aangaan van de overeenkomst jurisprudentie is gepubliceerd waardoor u achteraf betreurt dat u uw bezwaarschriften hebt ingetrokken.

Overigens merk ik op dat u in uw bezwaarschrift refereert aan een arrest van het Hof van Justitie dat reeds op 21 oktober 1999 is gepubliceerd, derhalve ruim vóór 30 april 2001.

(…).

Schorsing

Ik schors de behandeling tot ik van u heb vernomen of mijn opvatting dat uw brief van 16 juni 2004 een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 behelst, juist is.

Tevens stel ik u in de gelegenheid het bewijs te leveren dat u ten gevolge van toeval of overmacht uw verzoek niet binnen de in artikel 236 genoemde termijn, derhalve voor 2 september 1997, dan wel voor 28 februari 1998, dan wel voor 14 april 1998, hebt kunnen indienen.

(..).

2.9. De tekst van belanghebbendes reactie met dagtekening 17 oktober 2004 luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…)

In eerdere correspondentie verwezen wij naar het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 1999, nr. C-233/89 (bedoeld wordt nr. C-233/98, DK) Lensing en Brockhausen. Hierin spreekt het Hof uit dat de lidstaat van vertrek pas bevoegd is tot heffing over te gaan, wanneer de inspecteur de belanghebbende erop heeft gewezen dat deze een termijn van drie maanden heeft om het bewijs van de plaats van de onregelmatigheid te leveren…

Wij mogen aannemen dat dit arrest, kort na 21 oktober 1999, bekend was bij de Inspectie der Douane en Accijnzen te Q.

Op datum van 21 oktober 1999 was, door Inspectie Q, nog geen beschikking uitgevaardigd op de door ons ingediende bezwaarschriften van 4 april 1995.

Naar onze mening had Inspectie Q, op basis van het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 1999, moeten constateren dat de in kwestie zijnde UTB’s aan X werden gezonden, zonder dat vooraf een kennisgeving van niet-zuivering, met drie maanden termijn, werd gezonden. De Inspectie Q had moeten concluderen dat Nederland als lidstaat van vertrek, niet bevoegd was tot heffing over te gaan. Inspectie had, op basis van het arrest van het Hof van Justitie C-233/89 van 21 oktober 1999, positief moeten beschikken op het door X ingediende bezwaarschrift. M.a.w. kort na 21 oktober 1999 had deze affaire afgewikkeld kunnen zijn.

Op 21 september 2000 schrijft Belastingdienst Douane Q ons, citaat “Mocht het niet mogelijk zijn om voor de genoemde datum van 1 oktober 2000 tot een unaniem standpunt te komen dan zal uitspraak worden gedaan op de lopende bezwaarschriften. Gevolg hiervan zal zijn dat het verleende uitstel van betaling zal worden ingetrokken. Mocht vervolgens worden besloten tot het indienen van beroepschriften dan kan opnieuw worden verzocht om uitstel van betaling. Op dat moment zal worden beoordeeld welke voorwaarden aan een verder uitstel van betaling zullen worden verbonden.”

Uit het feit dat in dit schrijven wordt aangegeven dat het verleende uitstel van betaling zal worden ingetrokken alsmede het feit dat wordt verwezen naar het indienen van beroepschriften, kan enkel en alleen worden geconcludeerd dat Inspectie Q nadrukkelijk aangeeft dat de bezwaarschriften zullen worden afgewezen. Ook na dit schrijven ontvingen wij regelmatig het dringende verzoek over te gaan tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Tevens werd hierbij aangegeven dat de voorwaarden voor het verkrijgen van verder uitstel

van betaling, bij beroepsprocedure, aanzienlijk zouden worden opgeschroefd.

Tot in 2001 ging Inspectie Q voorbij aan de uitspraak van het Hof van Justitie.

U stelt dat er geen druk werd uitgeoefend. De volgende keuze lag ons voor:

OF Ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.

OF Voortzetten van de procedure. Afwijzende beschikking van Inspectie Q afwachten. Uitstel van betaling zien ingetrokken worden. Beroepsprocedure aanspannen. Uitstel van betaling aanvragen. Onmogelijke onderhandelingen met Inspectie Q over nieuw te verkrijgen uitstel van betaling. Faillissement van de vier vennootschappen van X. Faillissement van A in persoon. Winnen van de beroepsprocedure, als mosterd na de maaltijd.

Een feit is inmiddels dat de uitspraak van het Hof van Justitie, terecht, wordt gevolgd door alle gerechtelijke instanties. Wij verwijzen o.m. naar Gerechtshof Amsterdam (Douanekamer) nrs. 01/90117 DK en 01/673 DK d.d. 23/12/2003. Ook de staatssecretaris volgt deze uitspraak van het Hof van Justitie.

(…).

Waarom Inspectie Q de uitspraak van het Hof van Justitie, vanaf 21 oktober 1999, niet wenst te volgen is ons onduidelijk. In feite gaat Inspectie Q, met het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst, voorbij aan dan, gepubliceerde, naar wij aannemen bij de Inspectie Q bekende jurisprudentie. Er is geen sprake van jurisprudentie achteraf. In feite is er sprake van het onbevoegd heffen van rechten. Naar onze mening kan terugbetaling van geïnde bedragen plaatsvinden op grond van het arrest van het Hof van Justitie.

Gelet op het feit dat de betaalde rechten niet wettelijk verschuldigd waren kunnen wij, naast de door ons aangevoerde wezenlijke gronden van ons verzoek om terugbetaling, uitspraak Hof van Justitie nr. C-233/89 van 21 oktober 1999, instemmen met het beschouwen van het verzoek om teruggaaf zijnde gebaseerd op art. 236 Verordening EEG nr. 2913/92.

Het feit dat het verzoek om terugbetaling werd ingediend, na 2 september 1997, dan wel 28 februari 1998, dan wel 14 april 1998 vindt zijn oorzaak in het nog lopen van de bezwaar- procedure bij Inspectie Q, op de hiervoor genoemde drie data. Op die data was niet bekend of een en ander zou uitmonden in daadwerkelijke verschuldigdheid van rechten. Waarschijnlijk ten overvloede willen wij U wijzen op de derde alinea van art. 236 Vo 2913/92 lid 2. Wanneer de douaneautoriteiten zelf constateren dat er omstandigheden zijn op grond waarvan tot kwijtschelding c.q. terugbetaling kan worden overgegaan, gaan zij hiertoe ambtshalve over. Vanaf 21 oktober 1999 had Inspectie Q over kunnen c.q. moeten gaan tot kwijtschelding c.q. terugbetaling.

(…)”.

2.10. Op 5 november 2004 is belanghebbende door de inspecteur gehoord.

2.11. Bij brief van 24 december 2004 is het bezwaar van belanghebbende afgewezen. De tekst van de uitspraak op bezwaar luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Verdere beoordeling van uw bezwaar

(…)

Uw verzoek is gebaseerd op toepassing van artikel 236 van het CDW. Samengevat luidt dit artikel als volgt:

- Vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, kan een verzoek worden ingediend.

- Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen.

- Ingevolge dit artikel wordt tot terugbetaling van rechten bij invoer overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.

Ik stel vast dat uw verzoek niet is ingediend vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld. Tevens stel ik vast dat u niet het bewijs hebt geleverd dat u ten gevolge van toeval of overmacht uw verzoek niet binnen de genoemde termijn hebt kunnen indienen. Dit betekent dat een verzoek niet kan worden ingediend. Voor de motivering van deze vaststellingen verwijs ik naar de voorgaande correspondentie.

Aan een beoordeling of het bedrag op het tijdstip van boeking wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, van het CDW werd geboekt, kom ik niet toe.

Beslissing

Ik wijs het bezwaar af.

(…)”.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de verzoeken om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting, geheven bij uitnodigingen tot betaling uit 1994 en 1995, op goede gronden heeft afgewezen.

Tevens is in geschil de vraag of belanghebbende is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst, zoals de inspecteur stelt, doch belanghebbende ontkent.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De uitgereikte uitnodigingen tot betaling kennen geen rechtsgrond vanaf het moment dat het arrest van 21 oktober 1999, Lensing & Brockhausen GmBH, C-233/98 is gewezen. Dit behoorde Douane Q duidelijk te zijn nu geen kennisgeving als bedoeld in artikel 379, eerste lid van de Toepassingsverordening is verzonden. Genoemd arrest was de inspecteur ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet bekend.

4.2. Het verzoek om terugbetaling is niet eerder ingediend vanwege overmacht. Deze bestond in de lange duur van de behandeling door de Belastingdienst/Q van de reeds door belanghebbende aangespannen rechterlijke procedures.

4.3. De vaststellingsovereenkomst is totstandgekomen onder zware druk van de ontvanger en inspecteur, is in die zin afgedwongen en moet worden ontbonden. Deze overeenkomst is in strijd met het bovenvermelde arrest Lensing & Brockhausen afgesloten en kan ook daarom niet in stand blijven. Gevolg hiervan zou terugbetaling van geïnde douanerechten in het kader van artikel 236 van het CDW moeten zijn. De gëinde bedragen waren niet wettelijk verschuldigd. Verwezen wordt naar de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB) van 18 juni 2003, nr. AWB 01/446 en de uitspraak van de Douanekamer van 23 februari 2004, 97/90168 DK en 02/00461 DK, Douanerechtspraak 2004/39.

4.4. De inspecteur heeft bij de afdoening van de bezwaarschriften de daarvoor geldende termijn ruim overschreden. Het zou niet juist zijn bij het verzoek om terugbetaling belanghebbende wel strikt aan de termijnen te houden. Gelet op de datum van toezending aan belanghebbende van de vaststellingsovereenkomst, t.w. 14 juni 2001, was het verzoek om terugbetaling van 12 mei 2004 wél tijdig ingediend.

4.5. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan nog het volgende toegevoegd:

Bij het CBB is geen beroepschrift ingediend.

Het verzoek om terugbetaling betreft een bedrag groot ƒ 285.000 voor gestelde zekerheid (5 x ƒ 50.000 = ƒ250.000) en verrekende bedragen (ƒ 35.230,10) en kan worden beschouwd als betrekking hebbend op douanerechten en omzetbelasting.

De brief van 12 mei 2004 mag als een verzoek om terugbetaling worden beschouwd.

Nu geen kennisgeving niet-zuivering is verzonden kunnen de uitgereikte utb’s niet in stand blijven.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De in 1994 en 1995 opgelegde utb’s kenden een rechtsgrond die in overeenstemming was met de toen geldende jurisprudentie. Ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was het arrest Lensing & Brockhausen bekend.

Pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2003, nr. 37.519, Douanerechtspraak 2003/42*, moet voorafgaand aan de uitnodiging tot betaling aan de aangever een kennisgeving als bedoeld in artikel 379, eerste lid van het TCDW (tekst tot 1 juli 2001) worden gezonden.

5.2. Een lopende bezwaarprocedure vormt geen toeval of overmacht waardoor een verzoek om terugbetaling niet binnen de in artikel 236, tweede lid, van het CDW genoemde termijn kan worden ingediend.

Ook overigens heeft belanghebbende niet het bewijs geleverd dat toeval of overmacht hem hebben belemmerd zijn verzoek tijdig in te dienen. Het bezwaarschrift is terecht afgewezen.

5.3. De door belanghebbende op 30 april 2001 ondertekende vaststellingsovereenkomst is evenwichtig. Er is sprake van een gelijkwaardig geven en nemen. Er was geen sprake van het uitoefenen van ongeoorloofde druk door de inspecteur.

5.4. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan nog het volgende toegevoegd:

Toegezegd wordt de uitspraak van de Douanekamer analoog toe te passen bij de opgelegde landbouwheffingen.

De brief van 14 oktober 2004 van de inspecteur bevat een juiste weergave van de feiten.

Indien de vaststellingsovereenkomst wordt vernietigd, herleven de door belanghebbende tegen de utb’s ingediende bezwaarschriften alsmede de aanspraken van de ontvanger van ruim 8 miljoen gulden.

Er is geen bevoegdheid de utb’s in te trekken. De termijn om dit ambtshalve te doen is verstreken.

Belanghebbende had in de jaren 1994, 1995 en 1996 de gelegenheid een verzoek om terugbetaling in te dienen.

Om belanghebbende niet te benadelen is voor zijn verzoek met dagtekening 12 mei 2004 een zo ruim mogelijke opvatting van het begrip ‘verzoek om terugbetaling’ gehanteerd.

Het CDW kent zowel het verzoek om terugbetaling als de mogelijkheid van een bezwaarschrift.

Het verzoek om terugbetaling betreft een bedrag groot ƒ 285.000 voor gestelde zekerheid en verrekende bedragen en kan als betrekking hebbend op douanerechten en omzetbelasting worden beschouwd.

Er heeft geen overleg plaatsgevonden met het ministerie van Financiën, wel met de zogenaamde ‘kennisgroepen’ van de Belastingdienst.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Ingevolge artikel 236, eerste lid, van het CDW kan tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer worden overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, tweede lid, werd geboekt. Op grond van artikel 236, tweede lid, van het CDW kan terugbetaling worden verleend indien een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld. Ingevolge de tweede alinea van bedoelde bepaling wordt deze termijn verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen een termijn van drie jaren heeft kunnen indienen.

6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat bedoelde mededelingen aan belanghebbende zijn gedaan op 2 september 1994, 28 februari 1995 en 14 april 1995. Genoemd verzoek om terugbetaling zou derhalve uiterlijk op respectievelijk 2 september 1997, 28 februari 1998 en 14 april 1998 door belanghebbende moeten zijn ingediend. Deze verzoeken heeft belanghebbende echter niet gedaan.

Wel heeft zij tegen de uitnodigingen tot betaling tijdig bezwaar gemaakt.

Blijkens de brief van de inspecteur van 14 juni 2001 heeft hij op 13 juni 2001 de schriftelijke intrekking van de bezwaarschriften door belanghebbende ontvangen.

6.3. Bij brief van 12 mei 2004 heeft belanghebbende kennelijk beoogd een verzoek als bedoeld in artikel 236, tweede lid, van het CDW, te doen. De inspecteur heeft dit verzoek van belanghebbende uiteindelijk ook als zodanig aangemerkt. Gelet op het onder 6.2. overwogene was de in artikel 236, tweede lid, van het CDW bedoelde termijn van drie jaar ten tijde van de indiening van het verzoek evenwel verstreken.

6.4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de te late indiening van het verzoek om terugbetaling aan toeval of overmacht te wijten is en dat derhalve de termijn waarbinnen een verzoek om teruggaaf rechtsgeldig kan worden gedaan, dient te worden verlengd. De Douanekamer volgt belanghebbende om de navolgende redenen daarin niet.

Belanghebbende had vanaf de vaststelling van de uitnodigingen in 1994 en 1995 gedurende drie jaar de gelegenheid verzoeken om terugbetaling in te dienen. Zij stelt dat het verzoek ook buiten de termijn kan worden ingediend omdat, gelet op het arrest Lensing & Brockhausen, de heffing onbevoegd heeft plaatsgevonden. Dit arrest dateert evenwel van 21 oktober 1999, een datum die gelegen is na het verstrijken van de hier aan de orde zijnde termijnen van drie jaar, en kan dus reeds daarom geen overmacht opleveren ten aanzien van het laten vervallen van die termijnen.

Ook overigens heeft belanghebbende naar het oordeel van de Douanekamer niets aangevoerd wat overmacht zou kunnen opleveren.

6.5. Het onderhavige verzoek om terugbetaling is dan ook naar het oordeel van de Douanekamer niet tardief als gevolg van toeval of overmacht.

6.6. Aldus bezien moet het verzoek om terugbetaling worden beschouwd als een verzoek waarbij het nog resterende bedrag van de douaneschuld, groot

ƒ 285.000 (€ 129.327), ondanks het bestaan van de vaststellingsovereenkomst, alsnog wordt teruggevraagd, echter buiten de daarvoor gestelde termijn, en zonder dat een grond om de termijnoverschrijding te pardonneren aanwezig is.

6.7. Een dergelijk verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. In zijn - als beschikking op het verzoek om terugbetaling te beschouwen - reactie van 12 juli 2004 heeft de inspecteur zulks niet uitdrukkelijk gedaan.

Het beroep is derhalve in zoverre gegrond, en de Douanekamer zal, doende wat de inspecteur had behoren te doen, deze niet-ontvankelijkheid alsnog uitspreken.

7. De proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de beschikking van 12 juli 2004 en verklaart het verzoek om terugbetaling van 12 mei 2004 niet-ontvankelijk;

- gelast de Staat der Nederlanden het griffierecht ad € 276 aan belanghebbende te voldoen.

Aldus vastgesteld op 24 april 2008 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. E.M. Vrouwenvelder en M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.