Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2009, BI4763, 04/04338

Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2009, BI4763, 04/04338

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 februari 2009
Datum publicatie
27 mei 2009
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4763
Zaaknummer
04/04338
Relevante informatie
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 [Tekst geldig vanaf 01-01-2023] art. 8

Inhoudsindicatie

Een in het buitenland gevestigde vennootschap Y heeft van haar Nederlandse moeder (belanghebbende) bedrijfsmiddelen gekocht die zij vervolgens aan die moeder heeft terugverhuurd (sale lease-back). In geschil was onder meer de prijs bij verkoop van de bedrijfsmiddelen door belanghebbende aan Y, de hoogte van de 'lease rentals', de vraag of belanghebbende resterende bedrijfsmiddelen kan afwaarderen, alsmede de hoogte van die (eventuele) afwaardering en de vraag of ter zake van de winst uit hoofde van de vervreemding van de bedrijfsmiddelen aan Y een vervangingsreserve kon worden gevormd, de vraag of tevens sprake was van een overdracht van winstcapaciteit (goodwill) en of Y aan belanghebbende nog een (extra) vergoeding ter zake van hoofdkantoorkosten verschuldigd was. Tussen partijen is niet in geschil dat er een zodanig verband bestaat tussen de hoogte van de lease rentals en de verkoopprijs van de (vervolgens) verhuurde bedrijfsmiddelen dat die prijs uit de hoogte van de lease rentals kan worden afgeleid. Het Hof heeft bij wege van een (schriftelijk) voorlopig oordeel aan de hand van zes bepalende factoren en aan de hand van één verklarende factor een standpunt bepaald over de hoogte van de lease rentals. Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde afwaardering is het Hof tot het (voorlopig) oordeel gekomen dat de feitelijke gronden hiervoor niet door belanghebbende aannemelijk zijn gemaakt. Voorts heeft het Hof kenbaar gemaakt geen vervangingsvoornemen aanwezig te achten. Partijen zijn vervolgens tot overeenstemming gekomen over de hoogte van het belastbaar bedrag en het Hof heeft dienovereenkomstig uitspraak gedaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van [X] te [Z], belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst [P], de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 3 november 2004 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door mr. [T] (hierna gemachtigde) te [R] en gericht tegen het niet (tijdig) doen van een uitspraak op het bezwaarschrift, gedagtekend 23 juli 2003, tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1999. Het beroep is aangevuld bij brief van gemachtigde van 1 februari 2005.

1.2. De aanslag, gedagtekend 14 juni 2003, is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van

f [a] en een aftrek elders belast van f [b]. Het beroep strekt tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van f [c].

1.3. Van de inspecteur is op 10 juni 2005 een verweerschrift ontvangen. Hij concludeert primair tot vermindering van het belastbaar bedrag tot f [d] en subsidiair tot f [e].

1.4. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Van de inspecteur is geen conclusie van dupliek ontvangen.

1.5. Van de inspecteur is op 3 november 2006 een nader stuk ontvangen als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en door hem mede aangeduid als ‘conclusie van dupliek’.

1.6. Het beroep is behandeld ter zitting van 15 november 2006. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is toegezonden.

1.7. Bij brief van de griffier van 16 januari 2007 heeft het Hof aan partijen over het verdere verloop van de behandeling van het beroep geïnformeerd.

1.8. Bij brief van 1 februari 2007 heeft het Hof partijen geïnformeerd over enkele voorlopige beoordelingen van het Hof en partijen verzocht hun standpunten nader toe te lichten. Op deze brief is namens belanghebbende gereageerd bij brief van mr. [S] (hierna ook: gemachtigde) van 14 maart 2007. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 16 maart 2007. Kopieën van deze reacties en de hierna vermelde brieven van partijen zijn steeds over en weer aan partijen toegezonden.

1.9. Bij brief van de inspecteur van 22 maart 2007 zijn door hem nadere stukken ingediend

1.10. Desgevraagd heeft de inspecteur bij brief van 23 maart 2007 aangegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting. Bij brief van gemachtigde 6 april 2007 heeft belanghebbende aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting.

1.11. Bij brief van 5 juni 2007 heeft de griffier partijen geïnformeerd over de datum waarop de nadere zitting zou worden gehouden.

1.12. Het Hof heeft op 31 augustus 2007 per fax een pleitnota met bijlagen van gemachtigde ontvangen.

1.13. De behandeling van het beroep is voortgezet ter nadere zitting van 5 september 2007. Het proces-verbaal van deze zitting is bij brief van de griffier van 20 september 2007 aan partijen toegezonden. In dit proces-verbaal is een (nader) voorlopig oordeel opgenomen, is aan belanghebbende op een specifiek onderdeel een bewijsopdracht verstrekt en zijn partijen op een ander onderdeel verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.

1.14. Bij brief van gemachtigde van 20 november 2007 zijn namens belanghebbende nadere inlichtingen verstrekt. De inspecteur heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brief van 17 december 2007. Voorts heeft de inspecteur bij brief van 4 januari 2008 gereageerd op de brief van gemachtigde van 20 november 2007.

1.15. De behandeling van het beroep is voortgezet ter nadere zitting van 25 juni 2008. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.16. Bij brieven van 9 juli 2008 en van 24 juli 2008 hebben de inspecteur respectievelijk gemachtigde nadere inlichtingen verstrekt.

1.17 Bij brief van de griffier van 29 juli 2008 zijn partijen geïnformeerd over het verdere verloop van de procedure.

1.18. Bij brief van de griffier van 24 september 2008 heeft het Hof partijen nader geïnformeerd over zijn voorlopig oordeel en heeft het partijen verzocht om het Hof op basis van de in die brief geformuleerde uitgangspunten nader te informeren.

1.19. Bij een mede door de inspecteur ondertekende brief van [belanghebbende], gedagtekend 20 november 2008, hebben partijen het Hof bericht dat zij over de hoogte van het belastbaar bedrag overeenstemming hebben bereikt en hebben zij verzocht dienovereenkomstig uitspraak te doen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich bezig met [een bedrijfsactiviteit]. Voor het jaar 1999 heeft zij een aangifte vennootschapsbelasting ingediend naar een belastbaar bedrag van f [f]. Bij het opleggen van de aanslag zijn diverse bijtellingen in aanmerking genomen. Deze bijtellingen hebben onder meer te maken met de activiteiten van [Y]. Dit is een in 1998 opgerichte en te Q (B-land) gevestigde dochtervennootschap van [Z]. Deze laatste vennootschap is eveneens in 1998 opgericht en te Q (B-land) gevestigd. Zij is op haar beurt een dochter van [X1], een op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gevoegde dochtervennootschap van belanghebbende.

2.2. [Y] heeft in september 1999 van [A] B.V. (hierna: [A]) en [B] B.V., twee eveneens op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met belanghebbende gevoegde dochtervennootschappen, [bedrijfsmiddelen] gekocht, waaronder 27 [bedrijfsmiddelen C] (ofwel 54 zogenoemde [eenheden] van [bedrijfsmiddel C]. [Y] is deze [bedrijfsmiddelen] vervolgens aan onder meer [A] gaan verhuren.

2.3. Voor de bepaling van de hoogte van de voor de verhuur van [de bedrijfsmiddelen] aan [A] in rekening gebrachte huurprijs (‘lease rental’) heeft belanghebbende aansluiting gezocht bij de prijs van [bedrijfsmiddelen D] die destijds op de markt kwamen.

2.4. Belanghebbende heeft in de relatief lage kostprijs van de [bedrijfsmiddelen D] aanleiding gezien om de [bedrijfsmiddelen C] die bij haar in eigendom zijn gebleven af te waarderen.

3. Geschil

Het geschil tussen partijen heeft zich in de beroepsfase op de volgende vragen toegespitst:

- wat is de juiste hoogte van de prijs waarvoor de [bedrijfsmiddelen C] aan [Y] zijn

verkocht;

- wat is de juiste hoogte van de prijs waarvoor [Y] [bedrijfsmiddelen] aan belanghebbende

is gaan verhuren;

- kan belanghebbende de [bedrijfsmiddelen C] die zij heeft behouden afwaarderen en – zo ja – tot welk bedrag;

- kan belanghebbende ter zake van de boekwinst op de verkoop van [bedrijfsmiddelen] aan [Y] een vervangingsreserve vormen;

- is ter zake van de oprichting van [Y] en de door haar ondernomen activiteiten sprake

van de overdracht van winstcapaciteit (goodwill) door belanghebbende, – zo ja – dient

daarover te worden afgerekend en – zo ja – tot welk bedrag;

- is [Y] aan belanghebbende nog een vergoeding verschuldigd ter zake van aan haar door

belanghebbende verrichte diensten (hoofdkantoorkosten).

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en de processen-verbaal van de zittingen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Na de zitting van 15 november 2006 heeft het Hof partijen bij brief van 1 februari 2007 als volgt geïnformeerd:

“1. Inleiding

Bij het Hof bestaat er behoefte aan om alvorens tot een beslissing te komen een aantal voorlopige beoordelingen aan u voor te leggen. Dat heeft mede te maken met de behandeling van de zaak tot dusver en de opbouw van het dossier. Dit komt onder meer tot uiting in de volgende aspecten:

(a) van de beschouwingen – over en weer – heeft een deel betrekking op de vestigingsplaats van [Y]. Met het 10-dagenstuk van de inspecteur is duidelijk geworden dat deze beschouwingen niet (meer) van belang zijn, omdat de inspecteur inmiddels heeft aanvaard dat de [dochtermaatschappij(en)] van belanghebbende feitelijk in [B-land] zijn gevestigd en dat [Y] in [B-land] haar lease-activiteiten ontplooit. Dit geldt – zoals de inspecteur ter zitting heeft verklaard – ook met betrekking tot het beroep op de zogenoemde omkering van de bewijslast vanwege het door de inspecteur gestelde niet (volledig) beantwoorden van vragen. Het Hof gaat ervan uit dat de desbetreffende vragen voor de te nemen beslissing ook overigens niet van belang zijn.

(b) een deel van het betoog van de inspecteur heeft betrekking op de verkoop door belanghebbende aan [Y] van [bedrijfsmiddelen C]. Aan deze kwestie heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag geen gevolgen verbonden. Eerst in voormeld 10-dagenstuk zijn aan de stelling met betrekking tot de prijs van de [bedrijfsmiddelen C], alsmede aan stellingen betreffende de onderhoudskosten, de ‘hoofdkantoorkosten’ en een renteloze lening gevolgen (in termen van het (nader) vast te stellen belastbare bedrag) verbonden.

(c) de inspecteur heeft geen uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift gedaan.

(d) ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat het controlerapport nooit echt met belanghebbende is besproken.

(e) het nog bij pleitnota van 14 november 2006 door belanghebbende – en kennelijk in overleg met de inspecteur – toevoegen van een nieuw geschilpunt in de vorm van een stelling betreffende de vorming van een vervangingsreserve.

Teneinde het debat tussen partijen nader te structureren en een meer afgerond beeld te krijgen van de wederzijdse argumenten van partijen legt het Hof met betrekking tot enige punten een voorlopig oordeel aan u voor en stelt het u in de gelegenheid daarop schriftelijk te reageren. Deze reacties zullen (door het Hof) in kopie naar de wederpartij worden gezonden, waarbij u in de gelegenheid wordt gesteld aan te geven of er behoefte bestaat aan een nadere zitting.

2. De verkoopprijs van de [bedrijfsmiddelen C]

2.1. Op 15 september 1999 zijn belanghebbende (haar gevoegde dochter [A]) en [Y] een sale/lease-backtransactie overeengekomen in het kader waarvan onder meer [bedrijfsmiddelen C] zijn verkocht. De zakelijkheid van de verkoopprijs van deze transactie is tussen partijen in geschil.

De oprichting van [Y] is gebaseerd op het ten behoeve van [A] opgestelde Business Plan [CD] (hierna: [CD]-rapport). Een bijlage bij dit rapport vermeldt als aanschafprijs van een [C]-[eenheid] (naar het Hof begrijpt is een ‘[eenheid]’ een combinatie van twee [bedrijfsmiddelen]) een bedrag groot ƒ 3.020.200. Dit bedrag wijkt aanzienlijk af van het bedrag van ƒ 1.993.000 dat in het kader van de sale/lease-backtransactie tussen [A] en [Y] in aanmerking is genomen.

2.2. Belanghebbende heeft gesteld dat met het sluiten van een koopovereenkomst door [F] op 15 april 1999 ter zake van de [bedrijfsmiddelen D] betere, recentere cijfers ter zake van marktconforme prijzen van [..][bedrijfsmiddelen] zijn gevonden, welke zijn gebruikt bij de berekening van de tussen [A] en [Y] overeengekomen lease rentals.

Naar het voorlopige oordeel van het Hof dient voor de bepaling van de waarde van de [bedrijfsmiddelen C] in beginsel te worden uitgegaan van het [CD]-rapport dat – mede – ten behoeve van die waardebepaling door [A] is opgesteld. Op basis van de stukken heeft het Hof (voorshands) niet kunnen vaststellen dat de conclusies van het [CD]-rapport op 15 september 1999 achterhaald zouden zijn; het Hof heeft geen stukken aangetroffen die het in de plaats stellen van de bevindingen van het [CD]-rapport door een op [bedrijfsmiddel D] gebaseerde prijs op een aannemelijke wijze verklaren.

2.3. Voorzover belanghebbende bedoeld heeft (1) dat ten tijde van de verkoop aan [Y] bekend was geworden dat [bedrijfsmiddel D] op de markt ging komen, (2) dat dit [bedrijfsmiddel] geschikt was voor de [activiteit] waarop tot dan toe van [bedrijfsmiddel C] gebruik werd gemaakt en (3) dat dit [bedrijfsmiddel] qua prestaties, gelet op het door [Y] beoogde gebruik, beduidend beter was dan [bedrijfsmiddel C], bieden de stukken hiervoor (in feitelijke zin) onvoldoende aanknopingspunten.

2.4. Volgens het controlerapport zijn er van [bedrijfsmiddel C] 54 stuks door [A] aan [Y] verkocht. (…) De inspecteur wordt in de gelegenheid gesteld de door hem gestelde overdrachtsprijs (nader) te onderbouwen, in welk verband meer in het bijzonder van hem wordt verwacht te beargumenteren waarom de prijs die in het [CD]-rapport is berekend niet zou kunnen worden aangehouden.

2.5. Partijen wordt verzocht een exemplaar van de overeenkomst (de ‘equipment purchase agreement’ van 15 september 1999) te overleggen die (onder meer) heeft geleid tot de verkoop van 54 [bedrijfsmiddelen C] door [A] aan [Y].

3. De afwaardering van de [bedrijfsmiddelen C]

3.1. Belanghebbende heeft de afwaardering van de [bedrijfsmiddelen C] gemotiveerd door te wijzen op het ‘onontkoombare en slechte perspectief van deze [bedrijfsmiddelen]’ (beroepschrift blz. 9). Ook aan deze motivering ligt een vergelijking met het [bedrijfsmiddel D] ten grondslag. Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van belanghebbende de stelling dat er gronden waren voor een afwaardering te onderbouwen. Vooralsnog ontbreekt het in het dossier aan de hiervoor (in feitelijke zin) vereiste aanknopingspunten. Mutatis mutandis wordt verwezen naar hetgeen onder 2 met betrekking tot de vergelijking tussen [bedrijfsmiddel C] en [bedrijfsmiddel D] is vermeld.

3.2. Vooralsnog acht het Hof het naar zijn (voorlopig) oordeel evenmin aannemelijk dat bij de waardering van de [bedrijfsmiddelen C] tot en met 31 december 1998 een fout als bedoeld in de zogenoemde foutenleer zou zijn gemaakt. De vraag of een inhaal van foutief achterwege gebleven afschrijvingen mogelijk zou moeten zijn is dan niet aan de orde.

4. De lease-rental

4.1. Van het tiendagenstuk van de inspecteur heeft een (niet gering) gedeelte betrekking op een beoordeling van de berekening van de prijs waarvoor [A] van [Y] [bedrijfsmiddelen] huurt. Het is echter niet (geheel) duidelijk welke cijfermatige consequenties de inspecteur aan deze kwestie verbindt. De inspecteur wordt op dit punt verzocht zijn standpunt aan te vullen.

4.2. De inspecteur heeft de overdrachtsprijs van de [bedrijfsmiddelen C] en de lease-rentals herrekend door uit te gaan van [bedrijfsmiddel D] als referentie-object. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 2 en 3 blijkt, ligt deze benadering naar het inzicht van het Hof minder voor de hand omdat met het oog op de sale/lease-backtransactie tussen [A] en [Y] het [CD]-rapport is opgesteld, partijen de methode(n) waarop dit rapport is gebaseerd onderschrijven en er naar het voorlopige oordeel van het Hof onvoldoende argumenten zijn aangevoerd om afstand te doen van de bevindingen van dat rapport.

5. Overdracht goodwill

De vraag of er aanleiding is een overdracht van goodwill te constateren beoordeelt het Hof vooralsnog negatief. Het Hof begrijpt dat de verhuur van [bedrijfsmiddelen] niet een activiteit was die vóór 1999 door belanghebbende werd uitgeoefend en dat evenmin met de inrichting van de (nieuwe) activiteiten van [Y] een zodanige betrokkenheid van productiefactoren van belanghebbende gemoeid was dat daarin een overdracht van goodwill geacht kan worden te zijn begrepen; in het bijzonder speelt hierbij een rol dat de heer [B] vóór zijn indiensttreding bij [Y] niet bij belanghebbende werkzaam was. Deze omstandigheid houdt in dat er in beginsel voor het constateren van een overdracht van goodwill geen ruimte is. Ook in dit verband ziet het Hof vooralsnog geen reden om niet (primair) aan te sluiten bij het [CD]-rapport.

6. De vervangingsreserve.

6.1. In haar pleitnota van 14 november 2006 heeft belanghebbende zich (nader) op het standpunt gesteld dat ter zake van de boekwinst die is behaald bij de verkoop van [bedrijfsmiddelen] aan [Y] een vervangingsvoornemen kan worden gevormd. De boekwinst die hiermee gemoeid is bedraagt volgens belanghebbende ƒ [g] en wordt alsnog afgeboekt op de aanschaffingsprijs van [door belanghebbende aangeschafte andere bedrijfsmiddelen].

6.2. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat er op balansdatum een voornemen tot vervanging bestond ter zake van [in 1999 aan [Y] vervreemde [bedrijfsmiddelen]. Het Hof verwijst op dit punt naar de pleitnota van 15 november 2006 van de inspecteur.

6.[3]. Op grond van de door de inspecteur aangedragen argumenten acht het Hof de aanwezigheid van een voornemen ter zake van de vervanging van de in 1999 vervreemde [bedrijfsmiddelen] niet aannemelijk.

7. Tot besluit

Mede gelet op hetgeen is vermeld onder 1, stelt het Hof partijen in de gelegenheid haar standpunten, met inachtneming van het vorenoverwogene, nader te onderbouwen. Indien deze brief voor partijen aanleiding vormt met elkaar (nader) in overleg te treden en (op onderdelen) een gezamenlijk standpunt te formuleren, dan bestaat daartegen van de zijde van het Hof geen bezwaar.

In elk geval verzoekt het Hof partijen op een termijn van zes weken na dagtekening van deze brief hierop te reageren.”

5.2. In het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2007 is onder meer het volgende vermeld:

“Vervolgens heeft de voorzitter het volgende, (nadere) voorlopige oordeel aan partijen voorgehouden:

1. De prijs van de [bedrijfsmiddelen C] bij vervreemding in september 1999:

Het Hof acht de prijs die in de overeenkomst van september 1999 in aanmerking is genomen, juist.

2. De afwaardering van de resterende [bedrijfsmiddelen C]:

Het Hof is ter zake van de door belanghebbende behouden [bedrijfsmiddelen C] van oordeel dat er (in kwalitatieve zin) voldoende reden is voor een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde. Voor de vraag wat (in kwantitatieve zin) de omvang is van deze afwaardering stelt het Hof belanghebbende in de gelegenheid daarvan nader bewijs te leveren. De mogelijkheid om in plaats van deze mogelijkheid tot het leveren van nader bewijs – op nader voorstel van het Hof – een compromissoire vaststelling van de omvang van de in aanmerking te nemen afwaardering te beproeven is niet (door beide partijen) aanvaard.

3. De vervangingsreserve:

Op dit punt volgt een definitief oordeel bij eindbeslissing, met in aanmerking neming van hetgeen partijen na de vorige zitting nader naar voren hebben gebracht.

4. De lease rentals

Teneinde tot een beslissing te komen inzake de hoogte van de lease rental verzoekt het Hof partijen gezamenlijk één stuk op te stellen waarin uitputtend is aangegeven over welke – voor bepaling van de hoogte van de lease rental van belang zijnde – elementen van het Hof een (deel) beslissing wordt verlangd, met bij voorkeur per element een (beknopte en) definitieve bepaling van het standpunt van partijen (voorzover nodig, met daarin opgenomen passages uit de reeds geproduceerde processtukken). (…)”

5.3. In het proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2008 is onder meer het volgende vermeld:

“De gemachtigde

(…)

Partijen zijn het erover eens dat de factoren 1 tot en met 6 in de bijlage bij de brief van de inspecteur van 17 september 2007 in geschil zijn en dat het Hof daarover een (voorlopige) beslissing neemt. Wij zijn het niet ermee eens dat de inspecteur daar ook nog als factor 7 een vergelijking met de overeenkomst tussen [Y] en [F] BV heeft toegevoegd.

Indien een correctie van de lease rental nodig is dan kan dit tot uiting komen in een jaarlijkse correctie.”

5.4. Na de zitting van 25 juni 2008 heeft het Hof partijen bij brief van 24 september 2008 als volgt geïnformeerd:

“Naar aanleiding van de zitting van 25 juni 2008, waarvan het proces-verbaal is bijgevoegd, bericht het Hof partijen als volgt.

1. Inleiding

1.1. Ter nadere zitting van 25 juni 2008 is aan partijen medegedeeld dat het Hof een voorlopig oordeel zal geven over de in geschil zijnde factoren betreffende de lease rentals ter zake van de verhuur van [bedrijfsmiddelen] door [Y], een in B-land gevestigde en volledig tot de [X]-groep behorende vennootschap (hierna: [Y]), aan [A]).

[A] is een kleindochter van belanghebbende en vormt met haar een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). De door [A] van [Y] gehuurde [bedrijfsmiddelen] zijn voorafgaand aan deze huur in het kader van een sale-lease-back transactie aan [Y] verkocht.

1.2. Naast de hoogte van de tussen [A] (hierna - ook - belanghebbende te noemen) en [Y] (fiscaal) in aanmerking te nemen lease rentals is tussen partijen (onder meer) tevens de hoogte van de verkoopprijs van 27 [bedrijfsmiddelen] (54 zogenoemde [eenheden]) van [bedrijfsmiddel C], als vermeld in ‘Schedule 2’ bij de ‘Equipment purchase agreement [C]’ van 15 september 1999 in geschil. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen de verkoopprijs en de lease rental van een [bedrijfsmiddel] een verband bestaat, zodanig dat gegeven de hoogte van een als zakelijk te beschouwen lease rental ook de hoogte van de als zakelijk te beschouwen verkoopprijs van het desbetreffende [bedrijfsmiddel] kan worden bepaald. Voorts zijn partijen het erover eens dat een eventuele correctie van de lease rental tot uiting kan komen in een jaarlijkse aanpassing daarvan.

2. Voorlopig oordeel over de lease rentals

2.1. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2007 (pag. 4 en 5) heeft het Hof als (nader) voorlopig oordeel (onder meer) het volgende aan partijen voorgehouden:

“1. De prijs van [bedrijfsmiddel C] bij vervreemding in september 1999:

Het Hof acht de prijs die in de overeenkomst van september 1999 in aanmerking is genomen, juist.

(…)

4. De lease rentals:

Teneinde tot een beslissing te komen inzake de hoogte van de lease rental verzoekt het Hof partijen gezamenlijk één stuk op te stellen waarin uitputtend is aangegeven over welke – voor de bepaling van de lease rental van belang zijnde – elementen van het Hof een (deel)beslissing wordt verlangd (…).”

Ter zitting van 25 juni 2008 heeft het Hof het voorlopige oordeel, zoals vermeld in punt 1 op pagina 4 van het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2007, verduidelijkt:

“[H]et Hof heeft (…) bedoeld (…) dat belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in plaats van de boekwaarde van [bedrijfsmiddel C] de prijs van [bedrijfsmiddel D] als referentie-object kan worden gehanteerd. In zoverre volgt het Hof belanghebbende (…) in haar standpunt. Het is niet de bedoeling van het Hof geweest om daarmee impliciet ook al een oordeel te geven over de factoren die de hoogte van de lease rental bepalen. Dat blijkt uit punt 4 op pagina 5 van het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2007.”

Het vorenstaande betekent dat weliswaar kan worden uitgegaan van de prijs van [bedrijfsmiddel D] (ca. f 2 mln. per ‘[eenheid]’; hierna ook: het referentie-object), maar dat de (mede) hierop te baseren prijs van [bedrijfsmiddel C] ook nog afhankelijk is van de ‘vertaling’ van de prijs van het referentie-object in een (fiscaal) in aanmerking te nemen verkoopprijs van [bedrijfsmiddel C] Teneinde tot deze ‘vertaling’ te komen dient de referentieprijs eerst te worden herleid tot een lease rental van het referentie-object. Daarbij spelen diverse – hierna te benoemen – factoren een rol waarover partijen van mening verschillen. Het Hof gaat ervan uit dat indien het over deze factoren een oordeel geeft, partijen kunnen aangeven wat daarvan de gevolgen zijn voor de in geschil zijnde lease rentals en de (fiscaal) in aanmerking te nemen verkoopprijs van [bedrijfsmiddel C]

Naast de lease rentals voor de huur van [bedrijfsmiddel C] zijn – naar het Hof begrijpt – ook de lease rentals van overige door [A] gehuurde [bedrijfsmiddelen] in geschil […]. Het Hof begrijpt dat het geschil ook voorzover het deze [bedrijfsmiddelen] betreft is te herleiden tot een geschil over de hiervoor bedoelde factoren en dat partijen gegeven een voorlopig oordeel van het Hof over die factoren in staat zullen zijn daarvan cijfermatig de consequenties aan te geven voor de tussen hen (overigens) in aanmerking te nemen lease rentals. Voorts gaat het Hof ervan uit dat partijen, gegeven een (voorlopig) oordeel over de hierna nader aangeduide factoren, ook een aansluiting kunnen opstellen tussen de lease rentals en de verkoopprijs van [bedrijfsmiddel C] die met inachtneming van die factoren heeft te gelden (enerzijds) en het belastbare bedrag (anderzijds). Dit laatste uiteraard met vermelding van de cijfermatige invulling van de wederzijdse standpunten op de overige gerezen geschilpunten.

2.2. Hierna volgt een voorlopig oordeel met betrekking tot de zeven factoren die zijn vermeld in het overzicht dat als bijlage bij de brief van de inspecteur van 17 december 2007 is gevoegd.

2.2.1. De in aanmerking te nemen opslag voor overheadkosten

2.2.1.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de lease rental per [eenheid] ter zake van kosten van overhead f 10.000 per [eenheid] in aanmerking moet worden genomen. Belanghebbende baseert dit standpunt op bijlage II, “Toelichting rekenmodel leaserentals en aanschafprijzen”, bij het Business Plan [CD] van 4 februari 1999 (bijlage 12 bij de aanvulling van het beroepschrift; hierna, inclusief de bijlage II: het [CD]-rapport), waarin onder meer het volgende is vermeld:

“1. Inleiding

Een belangrijk onderdeel van de studie van [A] naar de haalbaarheid van het oprichten van leasemaatschappij voor [de bedrijfsmiddelen] ([CD]) is het vaststellen van de waarde van [de bedrijfsmiddelen] en, daarvan afgeleid, de berekening van marktconforme lease rentals. Bij het voor alsnog ontbreken van een goed functionerende tweedehands markt voor [de bedrijfsmiddelen] is gebruik gemaakt van de equivalent cost pricing methode waarbij, uitgaande van gegevens kostprijzen en rentals voor gelijksoortig vrijwel nieuw [bedrijfsmiddel], de rentals voor de oudere [bedrijfsmiddelen] worden berekend door een correctie toe te passen voor verschillen in operationele kosten zoals energiegebruik, onderhoud, personeelsbezetting e.d.

Al deze berekeningen voor [CD] zijn gemaakt op basis van “commerciële” uitgangspunten, dus zonder rekening te houden met […] of garanties van [X].

2. Keuze referentie[bedrijfsmiddel]

Voor het referentie [bedrijfsmiddel] is er de keuze tussen nieuw [bedrijfsmiddel] op basis van offertes van fabrikanten en het meest recente [bedrijfsmiddel] in operatie bij [A] in de contractsector. Gekozen is voor het laatste omdat er bij nieuw [bedrijfsmiddel] geen ervaringscijfers beschikbaar zijn voor operationele kosten en de opgaven van de verschillende fabrikanten nogal uiteen lopen. Voor [bedrijfsmiddelensoort I] is daarom gekozen voor [bedrijfsmiddel C] die gebouwd is in 1996 en 1997 en voor het bedrijfsmiddelensoort II] voor [bedrijfsmiddel], gebouwd in 1992 en 1993.

3. Berekening lease rentals referentie[bedrijfsmiddel].

Voor de berekening van de lease rental voor het referentie[bedrijfsmiddel] is een rekenmodel, [CD]CALC, gebruikt dat op basis van de aankoopprijs, het gewenste rendement op eigen vermogen, de geschatte kosten van vreemd vermogen en overhead de lease rental berekent.

Hierbij zijn de volgende uitgangspunten voor [CD]CALC gebruikt:

(…)

Overhead Betreft een voorlopige inschatting van NLG 4 mln. per jaar bij een

gemiddelde […] van 400 [eenheden]”

2.2.1.2. De inspecteur stelt dat de door belanghebbende geraamde opslag voor overhead veel te hoog is en gaat uit van een opslag van f 5.000 per [eenheid]. De inspecteur verwijst in dit verband naar de overheadkosten die [Y] in haar jaarrekeningen heeft gepresenteerd en stelt dat de geraamde opslag de cijfers voor overheadkosten die in de jaarrekeningen zijn gepresenteerd met meer dan f 500.000 per jaar overtreft.

Belanghebbende heeft de lagere schatting van de inspecteur betwist en stelt dat de cijfers waar de inspecteur zich op baseert (ook die van 1999) ten tijde van de totstandkoming van de desbetreffende overeenkomsten tussen belanghebbende en [Y] nog niet bekend waren.

2.2.1.3. Het Hof stelt vast dat het [CD]-rapport op zichzelf weinig onderbouwing bevat voor de daarin vermelde opslag voor overheadkosten. Nu deze raming bovendien in substantiële mate afwijkt van de bedragen voor overhead die in de jaarrekeningen van de lease-maatschappij zijn verantwoord, acht het Hof het niet aannemelijk dat belanghebbende van een aanvaardbare schatting is uitgegaan. Nu nadere gegevens in het dossier ontbreken en de gegevens uit de jaarrekeningen van beperkte betekenis zijn - in zoverre deze ten tijde van de totstandkoming van de desbetreffende overeenkomsten tussen belanghebbende en [Y] nog niet bekend waren, terwijl de opslag van kosten van overhead toch naar dat moment moet worden bepaald - kan het Hof niet zonder meer uitgaan van het door belanghebbende gepresenteerde bedrag, noch van het door de inspecteur gepresenteerde bedrag. Rekening houdend met hetgeen overigens door partijen is aangevoerd bepaalt het Hof de in aanmerking te nemen opslag voor kosten van overhead in goede justitie op f 7.000.

2.2.2. De in aanmerking te nemen remarketing-, ombouw- en sloopkosten

2.2.2.1. Ter zake van remarketing-kosten dient volgens belanghebbende f 50.000 per [eenheid] in aanmerking te worden genomen, ter zake van ombouwkosten f 150.000 en ter zake van de sloop van het [bedrijfsmiddel] dat aan het eind van de leasetermijn volledig is afgeschreven (de […] en de […]) f 50.000. Belanghebbende baseert dit standpunt op het [CD]-rapport, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Remarketing kosten Kosten voor het afsluiten van een nieuw lease contract.

Juridische kosten, reis en verblijf, evt. makelaarsprovisie

Ombouw kosten Inschatting gemiddelde kosten om het [bedrijfsmiddel] voor een

nieuwe lessee acceptabel te maken. Hiervoor is NLG. 150.000

opgenomen gebaseerd op ervaring van [A] [bedrijfsmiddel]. Dit

bedrag is als volgt opgebouwd: […]: NLG 25.000, wijzigen […]:

NLG. 50.000, […]: NLG 50.000,=.

[…] NLG. 25.000”

Hieraan heeft belanghebbende als gegeven toegevoegd dat in 2005 offertes zijn gedaan voor de lease van [bedrijfsmiddel C], waarbij (mede) is uitgegaan van “een opknapbeurt” van € 300.000 en € 500.000 per [bedrijfsmiddel]. Bij oudere [bedrijfsmiddelen] betreffen deze kosten ook de verwijdering van afvalstoffen, zoals asbest (in het geval van […]). De schattingen uit 1999 zijn volgens belanghebbende “zeer conservatief” geweest. De inspecteur heeft de sloopkosten op f 25.000 geraamd en de remarketing- en ombouwkosten tezamen op, uiteindelijk, f 50.000.

2.2.2.2. De inspecteur heeft de ramingen van remarketing-, ombouw- en sloopkosten gemotiveerd betwist. Tegenover de sloopkosten dienen volgens de inspecteur – die zich te dezen naar eigen zeggen baseert op informatie van de afdeling [bedrijfsmiddel]beheer van [X] – sloopopbrengsten in aanmerking te worden genomen. Voorts acht de inspecteur het niet reëel om voor alle [bedrijfsmiddelen] remarketing- en ombouwkosten in aanmerking te nemen, omdat niet verondersteld mag worden dat alle [bedrijfsmiddelen] aan het eind van de leasetermijn naar andere huurders overgaan en dat daarvoor kosten gemaakt moeten worden. Tevens speelt daarbij een potentieel langere duur van het contract een rol.

2.2.2.3. Ter zake van de sloopkosten en de kosten van remarketing en ombouw kan het [CD]-rapport als zodanig weliswaar in enige mate als bewijs fungeren, maar ook hier geldt dat belanghebbende dit bewijs tegenover de betwisting door de inspecteur niet voldoende nader heeft onderbouwd. Nu het [CD]-rapport in enige mate als bewijs kan fungeren, terwijl de inspecteur daarbij de nodige vraagtekens heeft geplaatst, partijen overigens weinig concreets hebben bijgebracht om tot meer onderbouwde ramingen te komen en belanghebbende heeft erkend dat “in bepaalde gevallen sloop (…) meer opbracht dan het kostte”, zonder dit element overigens te kwantificeren, bepaalt het Hof de in aanmerking te nemen opslag voor kosten van remarketing en ombouw in goede justitie op f 125.000 en voor sloopkosten op f 35.000.

2.2.3. De in aanmerking te nemen algemene risico-opslag

2.2.3.1. Ter zake van een algemene risico-opslag dient volgens belanghebbende 5% van de bruto lease rental in aanmerking te worden genomen. Belanghebbende baseert dit standpunt op het [CD]-rapport, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Voorziening algemene risico’s Debiteuren risico, stilstand, evt. niet te verhalen technische risico’s. Sterk afhankelijk van kwaliteit van lessee en [bedrijfsmiddel]”

Nader heeft belanghebbende gesteld dat het debiteurenrisico wordt veroorzaakt door het percentage […], dat de kredietwaardigheid van een eventuele opvolgende lessee niet bekend is en dat de inschatting van de technische risico’s is gebaseerd op ervaringen van deskundige medewerkers van belanghebbende.

2.2.3.2. De inspecteur acht het ter zake van algemene risico’s in aanmerking genomen opslagpercentage onzakelijk hoog. Bij de bepaling van dit risico dient te worden gekeken naar de specifieke klant, in dit geval [A], voor wie [X1] garant staat, en niet naar […]. In dit verband wijst de inspecteur op het zeer omvangrijke positieve vermogen van [A] in 1999 en het in dat jaar behaalde resultaat. Volgens de inspecteur zouden zakelijk handelende partijen een opslag van hooguit 0,5% hanteren. Voorts heeft de inspecteur – niet weersproken door belanghebbende – gesteld dat de verplichtingen voor onderhoud en reparatie door [A] worden gedragen. De technische risico’s zijn geheel voor belanghebbende.

2.2.3.3. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende tegenover de gemotiveerde weerspreking van de inspecteur niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat ter zake van algemene risico’s een hogere opslag dan 0,5% in aanmerking dient te worden genomen. Voorzover al het [CD]-rapport als zodanig op dit punt in enige mate als bewijs kan fungeren, acht het Hof dit bewijs voor een hoger opslagpercentage niet toereikend.

2.2.4. Het gehanteerde disconteringspercentage

2.2.4.1. Met betrekking tot de voor de berekening van de lease rentals (respectievelijk de fiscaal in aanmerking te nemen verkoopprijs van [C]) gehanteerde disconteringsvoet heeft belanghebbende zich gebaseerd op het [CD]-rapport, waarin terzake de volgende definities zijn opgenomen:

“Rendement eigen Het naar verwachting door investeerders gewenste rendement op vermogen eigen vermogen (voor belastingen)

Kosten v.v. De door de bank in rekening gebrachte rente (zonder [X] garantie!)

Gemengde. Gewogen gemiddelde van de kosten van vreemd en eigen

Kapitaalslasten vermogen

Kapitaalsmix Schatting van het voor de bank maximaal acceptabele financieringspercentag daaruit volgende eigen vermogensbehoefte (gebaseerd op een indicatie van Rabobank dd. 10-12-98).”

In het [CD]-rapport is uitgegaan van een verhouding eigen : vreemd vermogen van 30 : 70 (kapitaalsmix), waarbij de kosten van het vreemd vermogen (voor belasting) op 6% zijn gesteld en waarbij is uitgegaan van een rendement op eigen vermogen (voor belasting) van 15%. Hiervan uitgaande zijn de gemiddelde financieringslasten van de lessor ([Y]) – partijen spreken in dit verband van een ‘disconteringsvoet’ – berekend op 8,7%. De in het [CD]-rapport gevolgde benadering houdt in dat de omstandigheid dat [Y] in [B-land] aan een laag belastingtarief is onderworpen buiten beschouwing is gelaten.

2.2.4.2. De inspecteur heeft tegen de berekening van het disconteringspercentage de volgende bezwaren: (a) belanghebbende houdt geen rekening met de fiscale aftrekbaarheid van de vergoeding voor het veronderstelde vreemd vermogen; (b) belanghebbende rekent feitelijk op maandbasis terwijl zij een disconto van 8,7% op jaarbasis hanteert; (c) belanghebbende houdt geen rekening met de (lage) [B-land] belastingtarieven, en (d) er wordt ten onrechte nog een opslag van 0,75% in aanmerking genomen.

2.2.4.3. Naar het oordeel van het Hof dient voor de bepaling van de in de lease rental door te berekenen financieringslasten van de lessor (de disconteringsvoet) mede rekening te worden gehouden met de fiscale aftrekbaarheid van de door belanghebbende verschuldigde vergoeding voor vreemd vermogen. Voor de beoordeling van het disconteringspercentage dient wat betreft de kapitalisatiegraad van [Y] te worden uitgegaan van de in het [CD]-rapport voorziene verhouding van 30 : 70. De omstandigheid dat [Y] haar activiteiten feitelijk met 100% eigen vermogen heeft gefinancierd dient op grond van de in het [CD]-rapport gehanteerde norm – welke kennelijk en aanvankelijk als reëel te achten uitgangspunt heeft gegolden – buiten beschouwing te blijven. Van de verhouding 30 : 70 dient ook te worden uitgegaan voor wat betreft de invloed op de winst van de vergoeding voor vreemd vermogen, daarbij voorts uitgaande van de belastingtarieven die gelden in het land van vestiging van [Y].

Met de omstandigheid dat [Y] zich fiscaal in een relatief voordelige positie bevindt omdat zij in [B-land] is gevestigd dient naar het oordeel van het Hof bij de bepaling van het disconteringspercentage mede rekening te worden gehouden. Het Hof acht het aannemelijk dat die omstandigheid van invloed is op het concurrerend vermogen van [Y] en dat zakelijk handelende partijen bij de totstandkoming van een sale-lease-back agreement als de onderhavige met die omstandigheid rekening zullen houden.

Nu partijen over de mate waarin met deze omstandigheid rekening dient te worden gehouden weinig concreets naar voren hebben gebracht, stelt het Hof de bij de bepaling van het disconteringspercentage in aanmerking te nemen invloed ervan op 50% van het te dezen relevante fiscale voordeel, te stellen op het verschil van het resultaat van [Y] vóór respectievelijk ná belastingen, voorzover dit resultaat betrekking heeft op de verhuur van [bedrijfsmiddelen] aan [A].

De door belanghebbende gehanteerde opslag van 0,75% vindt naar belanghebbende nader heeft toegelicht niet zijn oorzaak in overheadkosten of algemene risico’s, maar in een opslag voor risico’s die een verstrekker van vreemd vermogen aan [Y] loopt. Het Hof acht deze onderbouwing in beginsel aannemelijk en gaat daar ook verder vanuit, nu de inspecteur (de zakelijkheid van) dit element verder niet heeft weerlegd.

Het Hof verzoekt partijen met inachtneming van de hiervoor vermelde uitgangspunten aan te geven tot welk disconteringspercentage (op jaarbasis) dat leidt en ook dat percentage bij de op de onderhavige brief volgende (nadere) berekening van de lease rentals respectievelijk de verkoopprijs van [bedrijfsmiddel C] in aanmerking te nemen.

2.2.5. De gehanteerde looptijden van de lease

2.2.5.1. Partijen verschillen voorts met elkaar van standpunt waar het betreft de voor de berekening van de lease rentals in aanmerking te nemen leasetermijn van [bedrijfsmiddel C] Belanghebbende gaat voor de berekening van de lease rental ervan uit dat de looptijd van de lease 5 jaren bedraagt. Zij stelt in dat verband dat ten tijde van het sluiten van de verkoop- en leaseovereenkomsten de standaard [activiteit] duur 5 jaren bedroeg. Een verlenging van de leasetermijn was in 1999 niet voorzienbaar. Bovendien bevatten de leaseovereenkomsten met betrekking tot de [andere bedrijfsmiddelen] geen verlengingsmogelijkheid.

Voorts geldt dat artikel 3.3 van de ‘Equipment lease agreement [C]’ van 15 september 1999 weliswaar de mogelijkheid biedt om de lease te beëindigen op voorwaarde dat de lessor een nieuwe lease van tenminste 5 jaren heeft kunnen afsluiten, maar dat kan ook een nieuwe lessee betreffen, aldus belanghebbende.

2.2.5.2. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de looptijden voor [bedrijfsmiddel C] en [bedrijfsmiddel] jaren bedragen en voor de overige [bedrijfsmiddelen] 5 jaren. De inspecteur wijst in dat verband op par. 3.3 e.v. van de genoemde ‘Equipment lease agreement [C]’ (hierna ook: de leaseovereenkomst), op het slot van het ‘Advies van werkgroep [A] [Z] […] en [Y] m.b.t. de sale & lease back contractsector [bedrijfsmiddel]’ (bijl. 4 CvD/tiendagenstuk van 3 november 2006) en een brief van het hoofd van de afdeling [H] van 25 augustus 1999 (als aangehaald op pag. 6 van genoemde CvD/tiendagenstuk).

2.2.5.3. Volgens de ‘Equipment lease agreement [C]’ bedraagt de leasetermijn 5 jaren, maar is voor [A] de mogelijkheid gecreëerd om de lease geheel of gedeeltelijk voortijdig te beëindigen mits de lessor ([Y]), voor een op die beëindiging volgende periode van ten minste 5 jaren en tegen voorwaarden die (naar het Hof begrijpt:) voor de lessor ten minste gelijkwaardig zijn aan die van de leaseovereenkomst, aan een nieuwe lessee heeft verhuurd (par. 3.3). Daarnaast heeft [A] het recht en (indien de lease niet voortijdig is beëindigd op grond van par. 3.3 en [Y] geen nieuwe lease voor een periode van ten minste 5 jaren heeft gesloten), naar believen van [Y], de plicht, om de huur op de overeengekomen voorwaarden voor een periode van 13 jaar te verlengen (par. 3.4 en 3.5).

In het eerdergenoemde ‘Advies van werkgroep [A] [Z] […] en [Y] m.b.t. de sale & lease back contractsector [bedrijfsmiddel]’ is onder meer het volgende opgemerkt:

“Structuur van de lease

Om de onderhandelingen van [A] met de overheid over de juridische claim c.q. de regeling voor verplicht[..]e lease van het [A]-[bedrijfsmiddel] niet te verstoren is de structuur erop gericht vooralsnog de meeste risico’s bij [A] te laten. Dit wordt bereikt doordat [A] en [Y] beiden een verlengingsoptie hebben na afloop van de eerste leaseperiode gerelateerd aan de restlevensduur van het [bedrijfsmiddel].”

In de hiervoor vermelde brief van het hoofd [H] is onder meer het volgende vermeld:

“Door [A] te verplichten het [bedrijfsmiddel] te blijven leasen op het moment dat derden er geen belangstelling voor hebben, blijft [A] in voldoende mate belanghebbende om haar onderhandelings-positie naar […] te behouden.”

Over de op het moment waarop de sale-lease-back overeenkomsten zijn gesloten aanwezige kans dat zich in het bijzonder de in par. 3.5 van de ‘Equipment lease agreement [C]’ voorziene situatie zal voordoen is door partijen weinig nader gesteld of aangevoerd. Wel kan aan het door de inspecteur vermelde Advies en de brief van het hoofd [H] in enige mate het vermoeden worden ontleend dat het toepassen van par. 3.5 destijds als een reële optie diende te worden beschouwd. Dat in dit verband ook betekenis toekomt aan de leasetermijn van [ander bedrijfsmiddel] is niet voldoende aannemelijk gemaakt.

Het vorenstaande brengt het Hof ertoe de leasetermijn van [bedrijfsmiddel C] – in zoverre deze van belang is voor de ‘vertaling’ van de prijs van het referentie-object in een (fiscaal) in aanmerking te nemen lease rental respectievelijk verkoopprijs van [bedrijfsmiddel C] – in goede justitie te bepalen op 7,5 jaren.

2.2.6. De economische levensduur

2.2.6.1. Met betrekking tot de economische levensduur gaat belanghebbende uit van een periode van 25 jaar. Zij baseert dit aantal jaren op – naar zij stelt – ervaringsgegevens, alsmede op het [CD]-rapport waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Afschrijving Lineaire afschrijving over 25 jaar naar nul (4% per jaar). Dit is de

door [X] gemiddeld gehanteerde afschrijvingsduur voor [bedrijfsmiddel] (zie:

jaarverslag 1997, toelichting pag. 37)”

Voorts heeft belanghebbende in dit verband de juistheid betwist van memo’s van de controller van [A], naar welke memo’s de inspecteur heeft verwezen. Bovendien heeft de inspecteur volgens belanghebbende niet op de juiste wijze rekening gehouden met het tijdstip van instroom van […]. Weliswaar komt een economische levensduur van 30 jaar volgens belanghebbende ook voor, maar dan is daar rond het twintigste levensjaar van de desbetreffende unit een zware onderhoudsbeurt aan voorafgegaan. Met de kosten die daarmee verband houden is in het [CD]-rapport geen rekening gehouden. Tegenover de door de inspecteur geconstateerde langere levensduur casu quo hogere restwaarde staan de kosten van het [langdurige onderhoud].

2.2.6.2. De inspecteur gaat uit van een levensduur van 36 jaren voor de […], van 31 jaren voor het [bedrijfsmiddel] en van 30 jaren voor de overige [bedrijfsmiddelen]. De inspecteur baseert zich op memo’s van [L]/[A] van 8 juni 1999 (bijlage 2 bij CvD) en van 14 juni 1999 (bijlage 3 bij CvD).

Met betrekking tot de […] stelt de inspecteur dat deze [bedrijfsmiddelen] in 1999 gemiddeld 28 jaar oud waren en dat zij tussen 1999 en 2001 een grote opknapbeurt hebben gehad. Volgens de inspecteur gaat dit [bedrijfsmiddel] na dat onderhoud ca. 35 jaar mee.

Het […]-[bedrijfsmiddel] heeft volgens de inspecteur aan het eind van de leasetermijn een levensduur van 27 jaar. Het groot onderhoud bij dit [bedrijfsmiddel] zou hebben plaats te vinden bij een leeftijd van 21 tot 24 jaar.

Het […]-[bedrijfsmiddel] was in 1999 gemiddeld ca. 19 jaar oud en zou het groot onderhoud met ca. 23 jaar moeten plaatsvinden. Het groot onderhoud zou plaats hebben te vinden als dit Ca. 23 jaar oud is.

Het […]-[bedrijfsmiddel] was in 1999 gemiddeld zeven jaar oud. Ook met betrekking tot dit [bedrijfsmiddel] gaat de inspecteur uit van groot onderhoud na ca. 10, 15 tot 20 jaar.

Het [bedrijfsmiddel C] zou na 15 tot 25 jaar een grote opknapbeurt behoeven.

Met betrekking tot de bedrijfsmiddeln […] en [bedrijfsmiddel C] concludeert de inspecteur dat de economische levensduur na een grote opknapbeurt zeker 30 jaar bedraagt.

2.2.6.3. Naar het oordeel van het Hof bieden de memo’s van [L] niet zonder meer steun aan de door de inspecteur gestelde economische levensduren. In het memo van 14 juni 1999 van [L]/[A] is immers onder meer het volgende vermeld:

“4. Levensduur [bedrijfsmiddel]

[A] rekent met een economische levensduur van het [bedrijfsmiddel] van 30 jaar. [Y] rekent met 25 jaar. Gezien de onzekerheid met betrekking tot de omvang en de duur van [de activiteiten] komt mij de beperking van de levensduur als redelijk verdedigbaar voor.”

Voorts heeft de inspecteur de stelling van belanghebbende dat in de berekeningen van het [CD]-rapport met de kosten van het [langdurige onderhoud] geen rekening is gehouden, niet, althans niet voldoende, weerlegd. Het Hof acht het aannemelijk dat de door de inspecteur gestelde langere levensduur casu quo hogere restwaarde – zoals belanghebbende heeft gesteld – door de kosten van het [langdurige onderhoud] (meer dan) volledig wordt gecompenseerd. Op grond van deze overwegingen concludeert het Hof dat voor de berekening van de lease rentals een economische levensduur van 25 jaren van het hiervoor vermelde [bedrijfsmiddel] als een aannemelijk uitgangspunt is te beschouwen, wat er verder mag zijn van de door de inspecteur vermelde verschillen tussen de diverse soorten [bedrijfsmiddel] (welke overigens in de notities van [L] geen rol schijnen te spelen).

2.2.7. Leasecontract [bedrijfsmiddel D] met [F] als vergelijkingsmaatstaf

2.2.7.1 De inspecteur heeft ook nog gesteld dat de tussen belanghebbende en [Y] overeengekomen lease rentals te hoog zijn, omdat [Y] ter zake van de verhuur van [bedrijfsmiddel D] lagere lease rentals is overeengekomen met de – niet aan belanghebbende of [Y] gelieerde – exploitant van [activiteit A] [F] BV. In zijn pleitnota van 15 november 2006 (pag. 2) heeft de inspecteur hierover het volgende opgemerkt:

“Het openingsbod van [Y] aan [F] dateert van 30 september 1999 [] en omvatte een leaserental voor [bedrijfsmiddel D] van f 24.750 per [eenheid] per maand en een bijdrage voor onderhoudskosten van f 3850 per [bedrijfsmiddel] (van twee [eenheden]) per maand plus f 0,50 per […]. Gedurende 1999 en 2000 heeft [Y] haar offertes aangescherpt. (…) Uiteindelijk is een leaserental van f 21.486 overeengekomen. (…)

[F] onderhandelde (…) ook met het leasebedrijf van fabrikant [M].”

De inspecteur stelt dat tussen [Y] en [A] niet at arm’s length is gehandeld en dat, indien dat tussen hen beide wel zou zijn gebeurd, dit in een veel lager rendement voor [Y] zou hebben geresulteerd dan is overeengekomen.

2.2.7.2. Belanghebbende heeft zich tegen de vergelijking met het tussen [Y] en [F] BV overeengekomen contract verzet. Belanghebbende acht – naar het Hof haar begrijpt – de overeenkomst met [F] BV onvoldoende vergelijkbaar met de leaseovereenkomst met [A]: de overeenkomst tussen [Y] en [A] betreft niet [bedrijfsmiddel D] , terwijl ook de tijdstippen waarop de te vergelijken rechtsverhoudingen tot stand kwamen te ver uiteenlopen.

2.2.7.3. Het Hof wijst een vergelijking van de tussen [A] en [Y] ter zake van [bedrijfsmiddel C] overeengekomen lease rentals met de tussen [Y] en [F] BV ter zake van [bedrijfsmiddel D] overeengekomen lease rentals niet op voorhand af. Belanghebbende heeft [bedrijfsmiddel D] immers zelf, naar aanleiding van de uitnodiging van [F] BV aan [Y] van 16 maart 1999 om een financieringsvoorstel voor 11 [bedrijfsmiddel D] [bedrijfsmiddelen] te doen, als (nieuw) referentie-object gekozen voor de berekening van de tussen [A] en [Y] te hanteren lease rentals. Dat de lease-overeenkomsten met respectievelijk [A] en [F] BV op verschillende tijdstippen zijn tot stand gekomen behoeft aan de relevantie van de overeenkomst met [F] BV niet in de weg te staan, aangezien de eerste offerte aan [F] BV ook in september 1999 is gedaan en het verschil in tijdstip van totstandkoming van de betreffende leaseovereenkomsten ook weer niet zo erg groot is.

Nochtans is het de vraag wat de toegevoegde waarde van een dergelijke exercitie is ten opzichte van de in het [CD]-rapport gevolgde methode (‘equivalent cost pricing method’), waarmee de inspecteur zich in beginsel heeft kunnen verenigen (10-dagenstuk inspecteur d.d. 3 november 2006, blz. 2) en in het kader waarvan de hiervoor bedoelde factoren zijn beoordeeld. De methode van het [CD]-rapport, aangevuld met het oordeel van het Hof op de onderdelen daarvan waarover partijen het niet eens zijn, biedt een meer gedetailleerde analyse van de overeengekomen lease rentals dan de – in het debat tussen partijen minder uitgewerkte – stelling dat de overeengekomen lease rentals moeten worden vergeleken met die welke tussen [Y] en [F] BV zijn overeengekomen. Dat een vergelijking met de tussen [F] BV en [Y] overeengekomen lease rentals in het onderhavige geval tot een waardevoller inzicht leidt dan de methode van het [CD]-rapport, aangevuld met het oordeel van het Hof inzake de tussen partijen in geschil zijnde parameters, acht het Hof niet aannemelijk. Ten opzichte hiervan kan een vergelijking met de overeenkomst tussen [Y] en [F] BV nog wel in aanvullende zin van betekenis zijn, in zoverre de uitkomst van de (nadere) berekening van de lease rentals volgens het [CD]-model in de tussen [F] BV en [Y] overeengekomen vergoeding bevestiging kan vinden.

3. Overige factoren

3.1. Met behulp van de hiervoor onder 2 behandelde factoren kan een lease rental voor [bedrijfsmiddel D] worden berekend. Vervolgens moet die lease rental worden vertaald in een lease rental van [bedrijfsmiddel C] Voor die vertaling moet rekening worden gehouden met specifieke verschillen tussen [bedrijfsmiddel D] en [bedrijfsmiddel C], te weten met betrekking tot: vast onderhoud, variabel onderhoud, energie, capaciteit (‘acceptabel norm’) en earning power.

3.2.1. Van de onder 3.1 vermelde factoren betwist de inspecteur uitsluitend de door belanghebbende in aanmerking genomen waarde van -/-5% ter zake van de factor earning power (brieven inspecteur van 3 november 2006, pag. 5, en van 17 december 2007, pag. 3). De inspecteur stelt dat de earning power van [bedrijfsmiddel D] en [bedrijfsmiddel C] gelijk is. In dat verband heeft de inspecteur in het bijzonder verwezen naar een brief van meergenoemde [L] van 5 augustus 1999, waarin onder meer is vermeld dat voor het verschil in earning power een correctiefactor variërend van -/-5% tot maximaal +20% mogelijk is. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [bedrijfsmiddel D] een grotere earning power heeft.

3.2.2. Belanghebbende heeft de in aanmerking genomen correctie van -/-5% gebaseerd op de voorkeur voor nieuw [bedrijfsmiddel] casu quo het ‘[...]-concept’ die [opdrachtgevers] in het algemeen zouden hebben en stelt voorts dat de inspecteur dient te bewijzen dat er tussen [bedrijfsmiddel D] en [bedrijfsmiddel C] geen verschil in earning power bestaat.

3.3. Naar het oordeel van het Hof ligt het primair op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat er naast de diverse verschillen tussen [bedrijfsmiddel D] en [bedrijfsmiddel C] waarmee reeds wordt rekening gehouden een verschil in earning power is tussen de beide [bedrijfsmiddelen]. Belanghebbende heeft de door haar op dit punt gestelde correctiefactor van -/-5% - tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur (onder verwijzing naar de hiervoor genoemde brief van [L]) niet voldoende onderbouwd. Partijen dienen op grond hiervan uit te gaan van een correctie voor earning power van 0%.

4. De afwaardering van de [bedrijfsmiddelen C] die bij [A] in eigendom zijn gebleven.

4.1.1. Het Hof heeft belanghebbende in zijn brief van 1 februari 2007 in de gelegenheid gesteld de gronden voor een afwaardering van de [bedrijfsmiddelen C] te onderbouwen.

4.1.2. Belanghebbende heeft in haar brief van 14 maart 2007 gereageerd met een herrekening van de waarde van [bedrijfsmiddel C], gebaseerd op de lease rental van [bedrijfsmiddel D] , met inachtneming van de factoren als vermeld onder 2 (zoals door haar ingevuld), alsmede met enige aanvullende correcties.

4.1.3. Nader heeft het Hof blijkens het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2007 beslist dat er (in kwalitatieve zin) ter zake van [bedrijfsmiddelen C] die bij [A] in eigendom zijn gebleven “voldoende reden is voor een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde.” Voor de vraag wat (in kwantitatieve zin) de omvang is van deze afwaardering is belanghebbende in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren.

4.1.4. Belanghebbende is hierop nader ingegaan in haar brief van 20 november 2007. Maatstaf volgens die brief is “de indirecte opbrengstwaarde van de desbetreffende activa binnen de onderneming van de betreffende belastingplichtige.” Belanghebbende heeft dit uitgewerkt aan de hand van het zogenoemde [bedrijfsmiddel-model]. Uit de gemaakte berekeningen “volgt dat [X] een beter resultaat op de betreffende [activiteit] zou hebben kunnen behalen als zij in staat zou zijn geweest om [bedrijfsmiddel D] in plaats van [bedrijfsmiddel C] [te gebruiken].”

4.2.1. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende moet aantonen dat een mogelijke overnemer van haar gehele onderneming een lagere waarde aan [bedrijfsmiddelen C] zou toekennen dan de boekwaarde. Die lagere waarde wordt begrensd door de verkoopwaarde. In dit verband betwist de inspecteur tevens dat de prijs van [bedrijfsmiddel D] in 1999 duurzaam lager was dan die van [bedrijfsmiddel C]

4.2.2. De opbrengst uit [de activiteit] waarop [bedrijfsmiddel D] wordt ingezet blijft gelijk. De kosten dalen, maar dat leidt niet tot een lagere bedrijfswaarde van [bedrijfsmiddel C] Alleen als de introductie van [bedrijfsmiddel D] ertoe had geleid dat de [inkomsten] voor de [activiteit waarbij] [bedrijfsmiddel C] [wordt ingezet] zouden zijn gedaald (hetgeen – naar wordt aangenomen – niet het geval is), zou een derde voor [die bedrijfsmiddelen] een lager bedrag dan de boekwaarde hebben willen betalen.

4.2.3. Er is geen rekening gehouden met alternatieve gebruiksmogelijkheden van [bedrijfsmiddel C]

4.2.4. In de door belanghebbende gemaakte vergelijkingen is geen rekening gehouden met het capaciteitsverschil tussen [bedrijfsmiddel D] en [bedrijfsmiddel C] (28% ten nadele van [bedrijfsmiddel D] ), aldus, nog steeds, de inspecteur.

4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met het gestelde in haar brief met bijlagen van 20 november 2007 niet aan de op haar rustende bewijslast met betrekking tot de omvang van de gestelde afwaardering voldaan. Zij heeft die afwaardering op een theoretische, modelmatige benadering gebaseerd, waarbij is uitgegaan van een volledige en onmiddellijke vervanging van [bedrijfsmiddel C], terwijl verder niet aannemelijk is gemaakt op welke gronden van deze premisse zou moeten worden uitgegaan. Over het feitelijk functioneren van [bedrijfsmiddelen C] die bij belanghebbende in eigendom zijn gebleven in het kader van de door haar gedreven onderneming, de relatie tussen dat functioneren en het door belanghebbende met de inzet van die [bedrijfsmiddelen] redelijkerwijs voorziene en gerealiseerde resultaat, en – zonder dat sprake is van tijdelijke of incidentele factoren – de invloed daarvan op de (bedrijfs)waarde van die [bedrijfsmiddelen C] is weinig tot niets naar voren gebracht. Hoezeer het op grond van hetgeen meer in het algemeen en in eerdere instantie namens belanghebbende is betoogd aannemelijk werd geacht dat er in beginsel termen aanwezig waren voor een afwaardering van [bedrijfsmiddelen C] naar lagere bedrijfswaarde, is belanghebbende - tegenover de deugdelijk gemotiveerde betwisting van haar standpunt door de inspecteur - niet erin geslaagd om in feitelijke zin een dergelijke afwaardering voldoende (nader) te onderbouwen.

5. Opdracht aan partijen

Ervan uitgaande dat het Hof met het onder 2 en 3 gegeven nadere (voorlopige) oordeel op alle voor de berekening van de lease rentals respectievelijk de verkoopprijs van [bedrijfsmiddel C] tussen partijen gerezen sub-geschilpunten een oordeel heeft gegeven, verzoekt het Hof partijen om op basis van dit oordeel aan te geven tot welke fiscaal in aanmerking te nemen lease rentals respectievelijk verkoopprijs dat leidt. Tevens wordt partijen verzocht om een opstelling waarin duidelijk wordt wat de aansluiting is tussen de ter zake van de lease rentals respectievelijk verkoopprijs in aanmerking te nemen bedragen en het voor het jaar 1999 vast te stellen belastbare bedrag. In deze opstelling kunnen partijen met betrekking tot de overige geschilpunten ‘stelposten’ opnemen, overeenkomstig de op die overige punten door hen ingenomen standpunten en met inachtneming van het onder 4 gegeven nadere (voorlopige) oordeel over de afwaardering van de [bedrijfsmiddelen C].

6. Het Hof verzoekt partijen binnen vier weken aan deze opdracht te voldoen en daarbij aan te geven of zij een nadere zitting gewenst achten.”

5.5. In een brief van 20 november 2008 van [belanghebbende], welke brief mede is ondertekend door de inspecteur, hebben partijen het Hof als volgt geïnformeerd:

“Naar aanleiding van de brief van uw Hof d.d. 24 september 2008 bericht ik u mede namens de inspecteur (…) als volgt.

In onderdeel 5 van de brief wordt door uw Hof een opdracht aan partijen gegeven. O.a. wordt partijen verzocht een opstelling te geven waarin duidelijk wordt wat de aansluiting is tussen de ter zake van de leaserentals respectievelijk de verkoopprijs in aanmerking te nemen bedragen en het voor het jaar 1999 vast te stellen belastbare bedrag. Deze opstelling treft u hierna aan waarbij partijen opmerken dat thans tussen hen over alle elementen van de aanslag overeenstemming bestaat (de genoemde bedragen luiden in guldens).

Voorts merkt belanghebbende op dat zij de aanvulling op de aangifte 1999 waarin zij aangaf (alsnog) een vervangingsreserve te willen vormen voor de boekwinst behaald op het in 1999 vervreemde […] [bedrijfsmiddel], intrekt en aldus afziet van de vorming van een vervangingsreserve. Om deze reden is de vervangingsreserve niet in de opstelling opgenomen. Daarnaast heeft de inspecteur zijn standpunt over de doorbelasting van de hoofdkantoorkosten in 1999 gewijzigd. Om deze reden is ook deze correctie niet in de opstelling opgenomen.

Partijen verzoeken uw Hof overeenkomstig de opstelling uitspraak te doen. Daarnaast verzoeken partijen uitdrukkelijk de uitspraak niet voor publicatie vrij te geven. Wellicht ten overvloede melden partijen tenslotte dat op grond van het voorgaande een nadere zitting door hen niet wordt gewenst.

Belastbaar bedrag volgens aangiftebiljet 1999 [f]

Correcties:

- Overdrachtsprijs [bedrijfsmiddelen] - [h]

- Leaserentals [bedrijfsmiddelen] [i]

- Geen afwaardering [bedrijfsmiddel C] [j]

- Hogere afschrijving [bedrijfsmiddel C] - [k]

(…)

----------------

[l]

Nieuw vast te stellen belastbaar bedrag 1999 [m]”

5.6. Het Hof ziet geen reden partijen niet in hun eensgezind oordeel over het nader vast te stellen belastbare bedrag te volgen en zal dienovereenkomstig beslissen.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is zijn termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding vastgesteld op € 3.220 (= 5 (beroepschrift, conclusie van repliek, zitting, twee nadere zittingen en drie schriftelijke inlichtingen) x € 322 x 2).

7. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van f [m] en een

aftrek elders belast van f [b];

- verstaat dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 273 aan haar

vergoedt;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.220

en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet

vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 11 februari 2009 door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoor¬digheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op die datum in het open¬baar uitge¬sproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.