Ga verder naar content

Gerechtshof Amsterdam, 05-09-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2772, 09/00242

Gerechtshof Amsterdam, 05-09-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2772, 09/00242

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
5 september 2013
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2013:2772
Zaaknummer
09/00242
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht, Algemene wet inzake rijksbelastingen, Besluit proceskosten bestuursrecht, Grondwet

Inhoudsindicatie

Belanghebbende komt op tegen aan hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. In beroep stelt de ontvanger dat deze dienen te worden verminderd tot nihil. Hoogte proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

Uitspraak

kenmerk 09/00242

5 september 2013

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 07/7877 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

De ontvanger heeft met dagtekening 29 september 2007 aan belanghebbende een aanmaning tot betaling van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 verzonden. De aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten voor het verzenden van de aanmaning bedroegen € 6.

Bij uitspraak, gedagtekend 11 oktober 2007, heeft de ontvanger het daartegen gemaakte bezwaar afgewezen en de in rekening gebrachte aanmaningskosten gehandhaafd.

Bij uitspraak van 29 januari 2009, verzonden op 20 februari 2009, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft daarbij de ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ad € 26,20.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 2 april 2009, aangevuld bij brief van 28 mei 2009. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

Op 9 juli 2013 en 11 juli 2013 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. De zaak is daar gelijktijdig met een drietal andere hogerberoepszaken van belanghebbende behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.13 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de ontvanger als ‘verweerder’.

“2.1.. Met dagtekening 14 april 2007 is door eiser een overschijvingskaart opgemaakt voor een bedrag van € 543. De overschrijvingskaart is gesteld ten name van de Belastingdienst Amsterdam en vermeldt als betalingskenmerk: “Sofinr. :[burgerservicenummer]” en onder mededelingen:

“IB 2006 € 538,- + € 5,- heff.rente.” Dit bedrag is door verweerder op 19 april 2007

ontvangen.

2.2.

Met dagtekening 9 mei 2007 is door de Centrale administratie van de belastingdienst een Mededeling Verrekening of terugbetaling aan eiser gestuurd, inhoudend:

“Hierbij deel ik u mede, dat de betaling op de aanslag inkomstenbelastingJpremie volksverz. 2005 nummer [burgerservicenummer].H.50 ten bedrage van € 543 als volgt is verwerkt € 284,00 is afgeboekt op aanslagnummer [burgerservicenummer].H.50 inkomstenbelasting/premie volksverz. 2005 € 259,00 wordt overgeschreven op girorekeningnr 6698775”

2.3.

Op 8 juni 2007 ontvangt verweerder een brief van eiser, waarin hij aangeeft het niet eens te zijn met de verrekening van € 284 op de aanslag IB/PVV 2005 omdat het door hem bestemd was voor de (nog op te leggen) aanslag IB/PVV 2006. Tevens vermeldt eiser het door de belastingdienst teruggestorte bedrag van € 259 wederom over te zullen maken aan de belastingdienst als betaling op het door hem aangegeven bedrag aan IB/PVV 2006. Hij verzoekt de verrekening te herzien en de beide onder 2.2. vermelde bedragen af te boeken op het door hem aangegeven bedrag aan IB/PVV 2006.

2.4.

Met dagtekening (het Hof vult aan: 7 juni 2007) is door eiser een overschijvingskaart opgemaakt voor een bedrag van € 259. De overschrijvingskaart is gesteld ten name van de Belastingdienst Amsterdam en vermeldt als betalingskenmerk: “Sofinr. :[burgerservicenummer]” en onder mededelingen: “IB 2006 € 254,- + € 5,- heff.rente.”

2.5.

Met dagtekening 22 juni 2007 is aan eiser de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 opgelegd ten bedrage van € 560. De laatste vervaldatum van deze aanslag is 22 augustus 2007.

2.6.

Met dagtekening 30 juni 2007 heeft verweerder een Mededeling Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aan eiser gestuurd, inhoudend dat het door eiser overgeschreven bedrag van € 259 is afgeboekt op de voorlopige aanslag IB/PVV 2006 en dat het nog openstaande bedrag van de aanslag € 301 bedraagt.

2.7.

Met dagtekening 1 september 2007 is aan eiser voor laatstvermeld bedrag een betalingsherinnering gestuurd met als uiterste betaaldatum 12 september 2007.

2.8.

Met dagtekening 6 september 2007 stuurt eiser een brief naar verweerder, waarin hij aangeeft dat hij op 14 april 2007 een bedrag van € 543 heeft overgemaakt op de voorlopige aanslag IB/PVV 2006. Tevens verzoekt hij om het eerder door hem betaalde bedrag van € 284, dat is afgeboekt op de voorlopige aanslag IB/PVV 2005, af te boeken op het nog openstaande bedrag van de voorlopige aanslag IB/PVV 2006.

2.9.

Bij brief van 28 september 2007 is eiser aangemaand om uiterlijk 8 oktober 2007 alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Tevens is daarbij een bedrag van € 6 aanmaningskosten in rekening gebracht.

2.10.

Met dagtekening 5 oktober 2007 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten.

2.11.

Bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2007 wijst verweerder het bezwaar van eiser af.

2.12.

Bij brief van 6 februari 2008 heeft verweerder eiser een schikkingsvoorstel gedaan, inhoudend dat de aanmaningskosten worden verminderd tot nihil en dat het door eiser gestorte griffierecht wordt vergoed, onder de voorwaarde dat eiser het beroep intrekt.

2.13.

Bij brief van 13 maart 2008 heeft eiser het schikkingsaanbod afgewezen, waarbij eiser verzoekt om een proceskostenvergoeding op basis van de werkelijk door hem gemaakte kosten.”

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3.

Het Hof voegt hieraan op basis van de gedingstukken in hoger beroep het volgende toe:

Op 9 april 2009 heeft de ontvanger het bedrag van € 6 afgeboekt van het op de voorlopige aanslag 2006 te betalen bedrag. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de ontvanger hierover geschreven: “Hiermee zijn de vervolgingskosten tot nihil verminderd”.

3 Geschil in hoger beroep

Bij het Hof is in geschil of de rechtbank de beschikking aanmaningskosten ten onrechte niet heeft vernietigd. Voorts is, evenals bij de rechtbank, in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding op basis van de werkelijk gemaakte kosten en op een vergoeding van zijn (overige) schade.

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing