Ga verder naar content

Gerechtshof Amsterdam, 31-10-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4152, 12/00717

Gerechtshof Amsterdam, 31-10-2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4152, 12/00717

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31 oktober 2013
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2013:4152
Zaaknummer
12/00717

Inhoudsindicatie

Immateriële-schadevergoeding (IMSV). De redelijke termijn van 2 jaar voor de bezwaar- en beroepsfase geldt vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur tot aan de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak. De spanning en frustratie die belanghebbende ondervindt in de procedure met betrekking tot het geschil dat hem en de Belastingdienst verdeeld houdt en waardoor belanghebbende immateriële schade lijdt eindigt immers met de uitspraak in de hoofdzaak. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in de onderhavige zaken sprake is van een zodanige samenhang dat deze meebrengt dat één gezamenlijk bedrag aan schadevergoeding dient te worden vastgesteld. Het standpunt van belanghebbende dat de reactie in eerste aanleg van de Raad voor de Rechtspraak namens de Staat over het IMSV-verzoek te laat is verzonden en derhalve buiten beschouwing moet worden gelaten, vindt geen steun in het recht. Belanghebbende is gelet op de gang van zaken in het onderhavige geval – waarin tussen partijen geen geschil bestaat omtrent de van belang zijnde feiten – niet benadeeld door het achterwege blijven van een nadere zitting in eerste aanleg.

Uitspraak

Kenmerk 12/00717

31 oktober 2013

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

tegen

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummers AWB 10/384, 10/385, 10/386, 10/387 en 12/1220 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

- de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak,de Minister, alsmede

- de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Hoorn, de inspecteur.

1 Procesverloop

1.1.

Op 29 februari 2012 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in vier beroepsprocedures van belanghebbende gericht tegen vier uitspraken op bezwaar van de inspecteur van respectievelijk 2 januari 2010 (zaaknummers 10/386 en 10/387) en 31 maart 2010 (zaaknummers 10/384 en 10/385).

1.2.

In die uitspraak is door de rechtbank het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

1.3.

De Minister en de inspecteur zijn in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De Minister heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en bij brief van 19 april 2012 een schriftelijke uiteenzetting gegeven inzake het verzoek. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 2 mei 2012. De inspecteur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven inzake het verzoek bij brieven van 2 april 2012 en 11 juni 2012.

1.4.

De rechtbank heeft op 3 september 2012 een nadere uitspraak gedaan op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft daarbij de inspecteur veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding ten bedrage van € 7.500, de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.000, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 163,88 en de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld tot een bedrag van € 163,88.

1.5.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 september 2012. De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Deze is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013. Gelijktijdig en met instemming van partijen zijn ter zitting behandeld de hogere beroepen van belanghebbende betreffende de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1999, 2000, 2003 en 2004 (met als kenmerken 12/00299 t/m 12/00302), het hoger beroep van belanghebbende inzake de aanlag IB/PVV 2006 (kenmerk 12/00303) en het onderhavige hoger beroep van belanghebbende inzake haar verzoek tot vergoeding van immateriële schade in de procedure over de jaren 1999, 2000, 2003 en 2004 (met als kenmerk 12/00717). Al hetgeen in één van deze zaken is vermeld of verklaard, wordt eveneens geacht te zijn vermeld of verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin, alsmede in het hierna opgenomen citaat van de uitspraak van de rechtbank, aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Verweerder heeft op 25 oktober 2002 het bezwaarschrift van eiseres ontvangen tegen de navorderingaanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) 1999. Op 31 maart 2010 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaar.

2.2.

Verweerder heeft op 23 december 2003 het bezwaarschrift van eiseres ontvangen tegen de navorderingaanslag ib/pvv 2000. Op 31 maart 2010 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaar.

2.3.

Verweerder heeft op 15 januari 2007 het bezwaarschrift van eiseres ontvangen tegen de navorderingaanslag ib/pvv 2003. Op 2 januari 2010 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaar.

2.4.

Verweerder heeft op 22 november 2007 het bezwaarschrift van eiseres ontvangen tegen de navorderingaanslag ib/pvv 2004. Op 2 januari 2010 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaar.

2.5.

Bij de uitspraak van 29 februari 2012 heeft de rechtbank de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de rechtbank de Minister en de inspecteur voor de juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade. Voorts is de door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding in geschil. In hoger beroep is niet meer in geschil het antwoord op de vraag of er sprake is van een geldig mandaat aan de Raad voor de rechtspraak om in deze procedures op te treden namens de Staat.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing