Home

Gerechtshof Amsterdam, 22-05-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1991, 13/00464

Gerechtshof Amsterdam, 22-05-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1991, 13/00464

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22 mei 2014
Datum publicatie
4 juni 2014
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2014:1991
Formele relaties
Zaaknummer
13/00464

Inhoudsindicatie

De vraag of het pand tot het bedrijf van belanghebbende behoort, wordt ontkennend beantwoord. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van omzetbelasting.

Uitspraak

Kenmerk 13/00464

22 mei 2014

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

maatschap [A], [B] en [C] te[P], belanghebbende,

gemachtigde: mr. W.A.P. Nieuwenhuizen.

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 07/3752 van de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost Brabant/ kantoor Oss, de inspecteur

en

belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft bij beschikking met dagtekening 16 april 2004 over het tijdvak van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2004 naar aanleiding van de aangifte van belanghebbende teruggaaf verleend voor een bedrag van € 911 aan omzetbelasting.

1.2.

De inspecteur heeft het door belanghebbende gemaakte bezwaar bij uitspraak van 20 juli 2007 afgewezen.

1.3.

Bij uitspraak van 27 februari 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, aan belanghebbende aanvullende teruggaaf van € 4.914 verleend, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 805 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

1.4.

Het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch heeft op 4 december 2009, onder nummer 08/00286 uitspraak gedaan en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (de Hoge Raad).

1.6.

Bij het arrest van 15 april 2011, nr.10/00275, ECLI:NL:HR:2011:BQ1213, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding naar Gerechtshof Arnhem verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest, gelast dat de Staat aan belanghebbende de in cassatie betaalde griffierechten vergoedt ten bedrage van € 447 en de Staatsecretaris van Financiën veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

1.7.

Het gerechtshof te Arnhem heeft op 5 juni 2012, nummer 11/00318 uitspraak gedaan en daarbij de uitspraak van de rechtbank vernietigd, de uitspraak op bezwaar vernietigd, teruggaaf van omzetbelasting van € 50.043 verleend, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.529,50 en gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 433 vergoedt.

1.8.

De Staatssecretaris heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

1.9.

Bij het arrest van 9 augustus 2013, nr.12/03439, ECLI:NL:HR:2013:194, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond verklaard en het geding naar Gerechtshof Amsterdam verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.10.

Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brief van 26 augustus 2013 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest van de Hoge Raad in te dienen. De inspecteur heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 23 september 2013. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 4 december 2013. De griffier heeft bij brief van 9 december 2013 onder toezending van een afschrift van de reactie van de wederpartij, partijen meegedeeld dat de schriftelijke behandeling is gesloten.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 augustus 2013, nr. 12/03439, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen:

“4.2. Het middel betoogt – onder verwijzing naar de hiervoor in onderdeel 1 vermelde uitspraken van de Rechtbank en het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch - dat het Hof zich onvoldoende van de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft gekweten door na cassatie een onderzoek niet mogelijk te achten naar de door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in de bestreden uitspraak onbehandeld gelaten en door de Inspecteur weersproken stelling van belanghebbende dat zij de afnemer van het pand was dan wel dat het pand tot haar bedrijf behoorde als bedoeld in artikel 6, lid 2, letter a, van de Zesde richtlijn, zodat zij recht op aftrek heeft van alle ter zake van de bouw van het pand in rekening gebrachte omzetbelasting.

(…)

4.3.2.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gecasseerd en zonder een nader omschreven opdracht verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak. In de beslissing van de Hoge Raad om het geding te verwijzen kan niet anders besloten liggen dan het oordeel dat de beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere behandeling niet zijn komen vast te staan, alsmede dat het hier geen punt van ondergeschikte aard betreft.

4.3.3.

Aangezien het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in onderdeel 4.1 van zijn uitspraak kenbaar heeft gemaakt dat het bij de verdere behandeling veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat het pand een investeringsgoed van belanghebbende vormde, alsmede in aanmerking nemend dat na cassatie geen andere geschilpunten dan dit geschilpunt tussen partijen overbleef, heeft het Hof, gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen, de verwijzingsopdracht onjuist uitgevoerd. Het had de stelling van belanghebbende dat sprake was van een tot haar bedrijf behorend investeringsgoed alsnog dienen te onderzoeken. Bij de behandeling van die stelling mocht het Hof geen betekenis toekennen aan de in onderdeel 3.3.3 van het hiervoor in onderdeel 2 vermelde arrest van de Hoge Raad als ‘vaststaand’ aangeduide omstandigheden, aangezien - anders dan in dat onderdeel valt te lezen - ervan moet worden uitgegaan dat in deze overweging wordt voortgeborduurd op de veronderstelling van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch dat het pand een investeringsgoed van belanghebbende vormde. Een andere lezing van het arrest verhoudt zich ook niet met de beslissing van de Hoge Raad tot verwijzing van het geding, waarin ligt besloten dat voor de vaststelling van de juistheid van de stelling van belanghebbende een feitelijk onderzoek is vereist, een onderzoek waarvoor in cassatie geen plaats is. Het middel slaagt derhalve.

4.4.

Gelet op het hiervoor in 4.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de stelling dat het pand tot het bedrijf van belanghebbende behoort in de zin van artikel 6, lid 2, letter a, van de Zesde richtlijn.”.

3 Feiten

3.1.

De Hoge Raad is in de onderdelen 3.1.1.tot en met 3.2.1. van zijn sub 1.6. vermeld uitspraak van de navolgende feiten uitgegaan.

“3.1.1. Belanghebbende exploiteert een champignonkwekerij. Twee van haar drie vennoten hebben in de periode mei 2002 tot en met februari 2004 op grond die bij beiden in eigendom was, gezamenlijk een pand laten bouwen bij de kwekerij. De voor de bouw verschuldigde bedragen zijn gefactureerd aan die vennoten (of aan één van hen), betaald door belanghebbende en afgeboekt op de kapitaalrekeningen van de beide vennoten. “

3.1.2.

Het pand is opgeleverd in maart 2004 en vervolgens gedeeltelijk voor bewoning door laatstbedoelde vennoten en gedeeltelijk voor de onderneming van belanghebbende in gebruik genomen.

3.1.3.

Belanghebbende heeft de ter zake van de bouw van het pand in 2002 en 2003 in rekening gebrachte omzetbelasting niet in de aangiften met betrekking tot tijdvakken in die jaren in aftrek gebracht.

3.1.4.

Belanghebbende heeft bij bezwaar met betrekking tot de aangifte over het onderwerpelijke tijdvak om teruggaaf van de hiervoor in 3.1.3 vermelde omzetbelasting verzocht. De Inspecteur heeft die teruggaaf geweigerd.”

3.2.

Het Hof vult voormelde feiten als volgt aan.

3.2.1.

Belanghebbende, zijnde een maatschap van drie vennoten, is ondernemer in de zin van artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Tot 1 januari 2006 waren de vennoten in belanghebbende : [A], [B] en [C]. De maatschap is als belastingplichtige geregistreerd bij de Belastingdienst en heeft als zodanig onder de wettelijke voorwaarden recht op aftrek van belasting.

3.2.2.

Het echtpaar [A] en [B], hierna echtpaar [AB], is eigenaar van de bedrijfsgebouwen en ondergrond die door belanghebbende worden gebezigd. Het echtpaar stelt de bedrijfsgebouwen tegen betaling van een vergoeding per jaar ter beschikking aan belanghebbende, de maatschap. Met ingang van 1 mei 2004 is door het echtpaar [AB] geopteerd voor belaste verhuur van de bedrijfsgebouwen aan belanghebbende.

3.2.3.

Het pand, het woonhuis dat bij het echtpaar [AB] in eigendom is en waarvoor voor de bouw aan hen facturen met berekening van omzetbelasting zijn uitgereikt, is buiten de verhuur aan belanghebbende gebleven. Er is voor het pand geen huurovereenkomst met belanghebbende gesloten en er is voor het (gedeeltelijke) gebruik van het pand door belanghebbende geen bedrag vastgesteld, bedongen. Het gebruik door belanghebbende van het pand betreft het gebruik van een werkkamer, kantoorruimte. Van inbreng in de vennootschap is geen sprake.

3.2.4.

De inspecteur neemt het standpunt in dat hij niet terugkomt op zijn bij de rechtbank gemaakte afspraak. Daarbij is hij met belanghebbende overeengekomen dat belanghebbende over het eerste kwartaal 2005 een bedrag van € 4.914 met betrekking tot de bouw van het pand in aftrek kon brengen. De inspecteur heeft met dagtekening 26 maart 2010 voor dat bedrag teruggaaf verleend.

4 Geschil in hoger beroep

5 De overweging van de rechtbank

6 Beoordeling van het geschil

7 Kosten

8 Beslissing