Home

Gerechtshof Amsterdam, 10-09-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3266, 18/00277 & 18/00278

Gerechtshof Amsterdam, 10-09-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3266, 18/00277 & 18/00278

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10 september 2019
Datum publicatie
9 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:3266
Zaaknummer
18/00277 & 18/00278

Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep, machtiging verleend?

Uitspraak

Kenmerken 18/00277 en 18/00278

10 september 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[X] , wonende te [Z] , hierna: [X] ,

(gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer)

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AMS 17/1310 en AMS 17/1313 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X]

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 25 mei 2016 en aanslagnummer [aanslagnummer] en met dagtekening 1 juni 2016 en aanslagnummer [aanslagnummer] heeft de heffingsambtenaar naheffingsaanslagen parkeerbelasting vastgesteld. [X] heeft op 4 juli 2016 bij wege van e-mail bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016. [X] stelt dat hij op 7 juli 2016 bij wege van e-mail bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 1 juni 2016.

1.2.

De heffingsambtenaar betoogt op 11 juli 2016 te hebben geweigerd de e-mail van

[X] als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 in behandeling te nemen.

1.3.

De heffingsambtenaar stelt voorts dat hij de e-mail betrekking hebbende op de naheffingsaanslag van 1 juni 2016 niet heeft ontvangen.

1.4.

Bij brieven van 2 januari 2017 heeft [X] de heffingsambtenaar in gebreke

gesteld om een uitspraak te doen op de bezwaarschriften. De heffingsambtenaar heeft deze brieven aangemerkt als bezwaarschriften.

1.5.

[X] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren.

1.6.

Bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2017 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

[X] heeft aanvullende beroepschriften ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat de beroepschriften zich mede richten tegen de uitspraken op bezwaar.

1.8.

Het beroep in de zaak die betrekking heeft op de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 is mede gericht tegen de weigering van de heffingsambtenaar van 11 juli 2016 om de e-mail van [X] als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 25 mei 2016 in behandeling te nemen.

1.9.

Bij uitspraak van 16 mei 2018 heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij het nummer 17/1310 ziet op de procedure inzake de naheffingsaanslag van 25 mei 2016, en het nummer 17/1313 op de procedure inzake de naheffingsaanslag van 1 juni 2016:

“De rechtbank verklaart het beroep in de zaken 17/1310 en 17/1313 niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank verklaart het beroep in de zaak 17/1310 niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de weigering om op het bezwaarschrift te beslissen.

De rechtbank verklaart het beroep in de zaken 17/1310 en 17/1313 voor het overige ongegrond.”

1.10.

De tegen deze uitspraak door [X] ingestelde hogere beroepen zijn bij het Hof

ingekomen op 20 mei 2018. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. [X] heeft een conclusie van repliek genomen, de heffingsambtenaar een conclusie van dupliek. [X] heeft nadere stukken ingediend met dagtekening 1 juni 2019, 4 juni 2019 en 22 juni 2019.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Met kennisgeving aan het Hof is van de zijde van [X] en van de heffingsambtenaar niemand verschenen.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd aan [onderneming]

2.2.

Tot de gedingstukken behoren twee door de gemachtigde overgelegde nagenoeg identieke machtigingen. Eén machtiging (gedateerd 15 februari 2016) meldt als naam van degene die de machtiging geeft “ [machtiging a] ”, en is ondertekend door [X] . Eén machtiging (gedateerd 2 juni 2016) meldt als naam van degene die de machtiging geeft “ [machtiging b] ”, en is ondertekend door [X] .

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de rechtbank de beroepen gericht tegen de uitspraken van 2 juni 2017 (zie 1.6.) terecht ongegrond heeft verklaard, terecht heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar geen dwangsommen verschuldigd is en terecht geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing