Home

Gerechtshof Amsterdam, 27-08-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3645, 18/00036

Gerechtshof Amsterdam, 27-08-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3645, 18/00036

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27 augustus 2019
Datum publicatie
11 november 2020
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2019:3645
Zaaknummer
18/00036

Inhoudsindicatie

Wet waardering onroerende zaken; waardering kantoorvilla met parkeerplaatsen

Uitspraak

kenmerk 18/00036

27 augustus 2019

uitspraak van derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)

tegen

de uitspraak van 22 december 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/5120 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen krachtens artikel 22 van de Wet WOZ met dagtekening 29 februari 2016 de waarde (hierna: WOZ-waarde) van de objecten [locatie 1] 1 (verhuurd; hierna ook: object ‘deel 1’) en [locatie 1] 1 (leeg; hierna ook: object ‘deel 2’) te Haarlem voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op respectievelijk € 1.168.000 en € 762.000 (hierna: de objecten). De beschikkingen zijn bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met aanslagen onroerende-zaakbelastingen (hierna: OZB).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 genoemde waardebeschikkingen en aanslagen. Bij uitspraken van 9 november 2016 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de waardebeschikkingen alsmede de aanslagen OZB gehandhaafd.

1.3.

In haar uitspraak van 22 december 2017 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 31 januari 2018. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij brief van 14 januari 2019 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. A.G. Hendriks. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7.1.

Het Hof heeft het onderzoek heropend met een brief aan de heffingsambtenaar van 11 februari 2019.

1.7.2.

De heffingsambtenaar heeft gereageerd bij brief, met bijlagen, van 21 februari 2019.

1.7.3.

Belanghebbende heeft gereageerd bij brief, met bijlagen, van 1 maart 2019.

1.7.4.

Bij brief van 3 april 2019 is van de heffingsambtenaar een nader stuk ontvangen.

1.7.5.

Bij brieven van 8 april 2019 en van 10 april 2019, met bijlage, zijn van belanghebbende nadere stukken ontvangen.

1.8.

Partijen – de heffingsambtenaar in zijn brief van 3 april 2019 en belanghebbende in haar brieven van 8 en 10 april 2019 – hebben het Hof toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Met de ontvangst van de brief van 10 april 2019 heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“1. Eiseres was op 1 januari 2016 genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak. Ook was eiseres bij aanvang van het belastingjaar gebruiker van een deel van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een vrijstaande Rijksmonumentale kantoorvilla met 20 parkeerplaatsen op eigen terrein. Op het perceel rust de bestemming ‘wonen en werken / rijksmonument’. De oppervlakte van het hoofdgebouw van de onroerende zaak is ongeveer 999 m² en de oppervlakte van het perceel is 7.087 m².

2. Verweerder heeft de onroerende zaak voor de toepassing van de Wet WOZ onderscheiden in twee objecten, een verhuurd deel ter grootte van 672 m² en een onverhuurd deel van 327 m². Verweerder heeft één parkeerplaats toegerekend aan het verhuurde deel en de resterende parkeerplaatsen aan het onverhuurde deel. Verweerder heeft het verhuurde deel gewaardeerd op € 1.168.000 en het onverhuurde deel op € 762.000.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting nog de volgende feiten vast.

2.2.

Bij zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar een op zijn verzoek door [naam 1] , [taxateur] , opgesteld taxatierapport, gedagtekend 23 juni 2017, overgelegd. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“ [naam 1] (…) verklaart persoonlijk extern te hebben opgenomen en gewaardeerd de navolgende omschrijving onroerende zaak, plaatselijk bekend als

[locatie 1] 1

te

Haarlem

Kadastraal bekend alsGemeente : HaarlemSectie en nummer : [nummer]Groot : 7087 m2

Zakelijk gerechtigde : [belanghebbende]Gebruiker : idemZakelijk gerechtigde per 30-12-2016: [belanghebbende] .

En hieraan naar waardepeildatum 1 januari 2015 een waarde in het economische verkeer, zijnde de onderhandse vrije verkoopwaarde, onbezwaard, vrij van huur en gebruik, te hebben toegekend van [locatie 1] 1 (deel 1) € 1.168.000 en [locatie 1] (deel 2) € 762.000 (…).

(…)3. Omschrijving van het objectAlgemeenObject : Rijksmonumentale kantoorvillaBouwjaar : [bouwjaar] .Oppervlakte : 954 m2 kantoor(…)Kwaliteit : Goed.Ontwerp : [naam 2](…)4. Locatie(…) Zeer goed. Aan rand Centrum Haarlem (…)(…)5. BestemmingDe bestemming van onderhavig object is: Gemengd, wonen en werken.6. CourantheidDe courantheid is zeer goed en vergelijkbaar met de vergelijkingsobjecten.[locatie 1] 1 is de mooiste kantoorvilla van Haarlem.”

2.3.1.

Bij het taxatierapport behoort een matrix waarin de oppervlakten en waarden per m2 van negen vergelijkingsobjecten, alle te Haarlem, zijn opgenomen. Bij zijn brief van 21 februari 2019 heeft de heffingsambtenaar deze matrix opnieuw overgelegd en daarbij aangegeven of ter zake van de vergelijkingsobjecten sprake was van leegstand.

2.3.2.

Deze matrix luidt onder andere als volgt:

Omschrijving locatie

Datum transactie

Koopsom

parkeerplaatsen

totale vvo m2 kantoor

verkoop € p/m² kantoor

sprake van leegstand

[locatie 2]

8-8-2016

€ 1.000.000,00

530 m2

€ 1.886

leeg verkocht in slechte staat, daarna verbouwd naar deel woning en kantoor

[locatie 3]

1-3-2016

€ 725.000,00

5 x € 10.000

265 m2

€ 2.547

leeg verkocht in slechte staat, daarna verbouwd naar 2 appartementen en praktijk

[locatie 4]

1-2-2016

€ 1.437.777,00

611 m2

€ 2.353

leeg verkocht als kantoor en daarna verbouwd naar 2 woningen

[locatie 5]

11-3-2016

€ € 1.755.000

6 x € 10.000

480 m2

€ 3.531

leeg verkocht als kantoor en geheel verbouwd naar woning

[locatie 6]

28-12-2015

€ 1.540.000,00

840 m2

€ 1.833

leeg verkocht als kantoor en geheel verbouwd naar woning

[locatie 7]

2-2-2016

€ 1.350.000,00

3 x € 10.000

415 m2

€ 3.180

leeg verkocht als kantoor en geheel verbouwd naar woning

[locatie 8]

31-3-2014

€ 930.000,00

5 x € 10.000

450 m2

€ 1.955

niet geheel duidelijk, was notaris daarna verbouwd naar Hospice

[locatie 9]

28-10-2014

€ 785.000,00

412 m2

€ 1.905

leeg verkocht en na aankoop nieuwe huurder, is nog steeds kantoor

[locatie 10]

1-10-2015

€ 740.000,00

280 m2

€ 2.642

verhuurd verkocht en nog steeds kantoor

[locatie 1] 1 (deel 1) verhuurd

Woz-waarde € 1.168.000

1 x € 10.000 p.st.

672 m2

[locatie 1] 1 (deel 2) leeg

Woz-waarde € 762.000

19 x € 10.000 p. st.

327 m2

totaal € 1.930.000

20 x € 10.000

999 m2

€ 1.731

wonen en werken/ rijksmonument

2.3.3.

Uit de matrix blijkt – dat is tussen partijen niet in geschil – dat het object dat in het taxatierapport als ‘deel 1’ is aangeduid, is verhuurd en dat daaraan één van de in totaal 20 bij het [locatie 1] 1 aanwezige parkeerplaatsen is toegerekend. Het object dat in het taxatierapport als ‘deel 2’ is aangeduid, staat volgens de matrix leeg en aan dit object zijn van de in totaal 20 bij het [locatie 1] 1 aanwezige parkeerplaatsen, 19 parkeerplaatsen toegerekend. De waarde van een afzonderlijke parkeerplaats is, zoals blijkt uit de matrix, gesteld op € 10.000. 2.4. In de brief van het Hof aan de heffingsambtenaar van 11 februari 2019 is onder meer het volgende vermeld:

“Op basis van bestudering van het dossier en het verhandelde ter zitting is het Hof tot de volgende vaststellingen en nadere vragen gekomen:

 Onvoldoende duidelijk is hoe de waarden van de vergelijkingsobjecten zijn ‘vertaald’ in een waarde voor de twee gewaardeerde objecten, in het bijzonder niet, omdat het bedrag van € 1.731, onderaan in de voorlaatste kolom van de matrix (bijlage 1 bij R3) niet is gesplitst in een bedrag voor het object ‘verhuurd’ en het object ‘leeg’;

 De veronderstelling is kennelijk geweest dat er geen gronden zijn om bij de waardering van het object ‘verhuurd’ en het object ‘leeg’ een verschil in aanmerking te nemen tussen de uit de vergelijkingsobjecten afgeleide waarde per m² (het genoemde bedrag van € 1.731);

 Ter zitting heeft mr. Hendriks een stuk getoond uit het hem ter beschikking staande dossier van de heffingsambtenaar, waaruit bleek van een leegstand van het leegstaande object sedert 2013;

 Niet gesteld is dat bij de vergelijkingsobjecten ook leegstand voorkwam;

 De vraag is op welke wijze met de op de peildatum (1 januari 2015) aanwezige leegstand (sedert 2013) van het object (leeg) rekening is gehouden: uit de matrix lijkt te volgen dat deze omstandigheid bij de waardering niet in aanmerking is genomen;

 Onvoldoende duidelijk is waarom aan het object ‘verhuurd’ 1 parkeerplaats is toegerekend en aan het object ‘leeg’ 19 parkeerplaatsen.

Op basis van de informatie waarover het Hof thans beschikt kan het Hof (nog) niet vaststellen of de waarden te hoog zijn vastgesteld en – zo ja – wat de juiste waarden zouden zijn. Het Hof zal de zaak derhalve aanhouden teneinde u in de gelegenheid te stellen om – met inachtneming van de hiervoor vermelde bevindingen – de voormelde onduidelijkheden te verhelderen en – zo nodig – tot een nadere waardevaststelling te komen.

Tot slot merkt het Hof nog op dat de objectafbakening – afgezien van de toerekening van parkeerplaatsen – tussen partijen niet in geschil is. Niettemin zou bij u ambtshalve de vraag kunnen rijzen of (uitsluitend) het verschil in verhuurde staat dragend kan zijn voor het in casu onderscheiden van twee afzonderlijke objecten [locatie 1] 1 . Dit gelet op het bepaalde in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken. Het staat u als bestuursorgaan uiteraard vrij deze vraag in uw nadere beoordeling te betrekken.”

2.5.

In de brief van de heffingsambtenaar van 21 februari 2019 is onder meer het volgende vermeld:

“In de overlegde matrix zijn de verkoopprijzen per m² weergegeven zoals die blijken uit verkooptransacties. De som van de WOZ-waarden van beide objecten minus waarde 20 parkeerplaatsen gedeeld door het totaal aantal m2 verhuurbare vloeroppervlakte = € 1.731,-.Deze waarde per m2 ligt lager dan de gemiddelde verkoopprijs per m2 die blijkt uit de genoemde transacties.

De waarde per m2 is voor beide objecten op hetzelfde bedrag gesteld. Hierbij is van belang dat in het verhuurde deel kantoorruimte [zich] in de kelder bevindt, die minder hoogwaardig is dan de ruimten op de begane grond en de verdiepingen. Een en ander is niet uitgesplitst in de matrix, maar zou voor de ruimten in de kelder tot een lagere waarde per m2 (dan € 1.731,-) leiden en voor de ruimten op de begane grond en de verdiepingen tot een hogere. In het taxatieverslag van [locatie 1] 1 (verhuurd) naar waardepeildatum 1 januari 2016 (…) is dan ook een differentiatie toegepast in de huurwaarden van de verschillende gebruiksruimten. Verder geldt dat het verhuurde deel groter is dan het onverhuurde deel, hetgeen doorgaans leidt tot een lagere waarde per m2.Voor een lagere waarde per m2 voor het verhuurde deel bestaat in het onderhavige geval echter geen aanleiding. In de eerste plaats bevindt zich in het niet-verhuurde deel geen niet-hoogwaardige kantoorruimte (…). Daarnaast wordt steeds wel gesproken van een leegstaand deel, maar deze term behoeft enige nuancering. In het leegstaande deel worden gedurende het jaar kantoorruimten kortlopend verhuurd aan ZZP’ers en andere ondernemers. (…)

In geval van niet-zelfstandige kantoorunits (…) e.d. maakt Cocensus [Hof: Cocensus is een gemeenschappelijke regeling van onder meer de gemeente Haarlem] in overeenstemming met de eigenaar een WOZ-leegstandsobject aan. Hierin zitten de m2 die op 1 januari (toestandsdatum) van een belastingjaar niet verhuurd zijn; dit in verband met de aanslag gebruikersbelasting voor de eigenaar. (…)Bij [locatie 1] 1 is (…) geen sprake van structurele leegstand en uit taxatietechnisch oogpunt geen enkele aanleiding om aan delen van dit object dan lagere waarde toe te kennen (…).Bovendien zijn de vergelijkingsobjecten, met uitzondering van [locatie 10] , eveneens in lege staat verkocht, zodat ook reeds hierom geen aanleiding tot afwaardering bestaat (…).

De verkoopprijs per vierkante meter van de in lege staat verkochte objecten bedraagt gemiddeld € 2.396,-, bij een gemiddelde oppervlakte van € 506 m². De waarde van het leegstaande deel van [locatie 1] 1 bedraagt € 1.731,- per m2, bij een oppervlakte van 327 m2. (…)(…)Met betrekking tot de parkeerplaatsen geldt dat deze zijn getaxeerd volgens opgave door de eigenaar. Mochten er bij het leegstaande deel in werkelijkheid echter geen parkeerplaatsen behoren, dan is de waarde per m2 van dit object te bepalen op € 762.000,- / 327 m2 = € 2.330,-. Gelet op de omstandigheid dat de gemiddelde verkoopprijs van 8 gemiddeld grotere, leegstaande objecten reeds € 2.396,- bedraagt (…) zou ook de omstandigheid dat deze uit de taxatie van [locatie 1] 1 leekstand moeten worden geëlimineerd niet leiden tot de conclusie dat de waarde te hoog is vastgesteld.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de objecten naar te hoge bedragen heeft vastgesteld.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil.

6 6. Beslissing