Home

Gerechtshof Amsterdam, 30-07-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2177, 19/01574

Gerechtshof Amsterdam, 30-07-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2177, 19/01574

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30 juli 2020
Datum publicatie
26 augustus 2020
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2020:2177
Zaaknummer
19/01574

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. De in beroepsfase overgelegde stukken vormen geen 'op de zaak betrekking hebbende stukken' in de zin van 7:4 lid 2 Awb.

Heffingsambtenaar heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat aan belanghebbende voldoende kenbaar is gemaakt dat op de geparkeerde locatie parkeerbelasting verschuldigd was.

Uitspraak

kenmerk 19/01574

30 juli 2020

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[x] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)

tegen de uitspraak van 17 september 2019 in de zaak met kenmerk AMS 18/6521 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 26 juli 2018 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag

parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 50,30.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van

13 oktober 2018 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. In haar uitspraak

van 17 september 2019 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is per faxbericht bij het Hof ingekomen op 21 oktober 2019. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hen door het Hof op de voet van artikel 8:57 lid 1 Awb geboden gelegenheid te verklaren dat zij op een zitting willen worden gehoord. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De naheffingsaanslag is opgelegd omdat bij controle op 22 juli 2018 om 16.02 uur is gebleken dat voor het parkeren van de auto van belanghebbende met het kenteken [kenteken] ter hoogte van [adres] te [plaats] (hierna; de parkeerplaats) geen parkeerbelasting was voldaan. De parkeerplaats is aangewezen als plaats waar alleen tegen voldoening van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

2.2.

In het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is onder meer het volgende te lezen:

“Vooralsnog beperkt het verweer zich tot een algemene ontkenning van de het belastbare feit alsmede een algemene ontkenning van de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen en een algemene ontkenning van de bevoegdheid van de functionaris die de aanslag

heeft opgelegd. Voorts wordt de juistheid van de kostenraming betwist, alsmede de aanwezigheid van voldoende oplaad- en verkooppunten. Voor het formuleren van de nadere gronden verzoek ik u om eerst wat nadere informatie te verstrekken. Ik verzoek u - onder verwijzing naar art. 7:4 van de Awb - alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, waaronder mede wordt begrepen:

- documentatie waaruit blijk dat de ambtenaar die de naheffingsaanslag heeft opgelegd daartoe ook bevoegd was;

- het aanwijzingsbesluit van de ambtenaar bedoeld in art. artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Gemeentewet;

- documentatie waaruit blijkt dat het de belastingplichtige voldoende duidelijk behoorde te zijn dat parkeerbelasting verschuldigd was (foto’s van de bebording ter plaatse);

- documentatie waaruit blijkt dat de straat waarin het voertuig van cliënt zou zijn

geparkeerd bij aanwijzingsbesluit is vastgesteld;

- documentatie waaruit blijkt dat het hiervoor vernielde (vigerende) aanwijzingsbesluit op juiste wijze is gepubliceerd en door welk bestuursorgaan (raad of college);

- documentatie waaruit blijkt dat de hiervoor vermelde (vigerende) belastingverordening juist is gepubliceerd. (graag eveneens de hyperlink vernielden van de op internet raadpleegbare informatie, niet zijnde een algemene hyperlink als wetaen.overheid.nl);

- documentatie waaruit blijkt dat de gemeentelijke kosten voldoen aan art. 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (een deugdelijke Ramingstabel);

- documentatie waaruit blijkt dat voldoende lokale oplaad- en verkooppunten beschikbaar zijn (als bedoeld in art. la lid 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen);

- een foto het vermeende belastbare feit voor zover aanwezig.”

2.3.

Bij brief van 14 september 2018 geeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende informatie over de naheffingsaanslagen die de gemeente Amsterdam oplegt.

In die brief is onder meer het volgende te lezen:

“De wetgever heeft geen aparte regeling getroffen voor de bebording die op grond van de

Gemeentewet wordt geplaatst. Het is aan de gemeenten zelf overgelaten op welke wijze zij de

parkeerbelastingplicht aanduiden. Wilt u meer weten over de bebording ter plaatse dan kunt u de betreffende locatie bezoeken of via internet de locatie bekijken. Meer informatie over het aantal en de locatie van de parkeerautomaten in de omgeving waar uw cliënten parkeerden vindt u terug onder parkeertarieven op www.amsterdam.nl/parkeer-verkeer u kunt daar zoeken op straatnaam en huisnummer en daarbij de parkeerautomaten aanvinken.”

2.4.

In het kader van de bezwaarfase heeft op verzoek van de gemachtigde van belanghebbende een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden op 1 oktober 2018. Hiervan is een verslag opgemaakt (zie bijlage 6 bij het verweerschrift in beroep). Dat verslag vermeldt onder andere het volgende:

“Tevens geeft u aan dat uw cliënt geen borden en/of andere aanwijzingen heeft aangetroffen waaruit blijkt dat er parkeerbelasting verschuldigd is. Verder stelt u dat de bebording op de locatie niet duidelijk is. U geeft voorts aan dat niet is gebleken dat [adres] ’ een plaats is waar parkeerbelasting verschuldigd is. Er is volgens u niet aan het kenbaarheidsvereiste voldaan.”

2.5.

De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij zijn verweerschrift een bijlage 8 overgelegd ter verduidelijking van de situatie ter plaatse. Het betreft een uitdraai van de Amsterdam City Data (hierna: de Uitdraai).

2.6.

De Uitdraai kent als situatiedatum 2 augustus 2018 (zie pagina 1, rechts onderaan) en bevat allereerst een foto van een parkeerautomaat gelegen aan een weg, te weten de [adres 1] , met aan de linkerzijde een stoep, groen en water en aan de rechterzijde woonhuizen. Verder bevat de Uitdraai twee plattegronden, te weten een uitgezoomde versie (zie pagina 1 van bijlage 8) en een ingezoomde versie (zie pagina 2 van bijlage 8). Op de ingezoomde versie is een rood blokje met kruisje zichtbaar dat is gelegen tussen de [adres 1] en de [adres 2] . Dit rode blokje is aangeduid als ‘parkeerlocatie auto eiser’. Verder zijn op de ingezoomde versie van de plattegrond zeven blauwe blokjes zichtbaar min of meer rondom het rode blokje. Deze zeven blauwe blokjes zijn aangeduid als ‘locatie parkeerautomaten en bebording’.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Allereerst ligt voor de vraag of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase het inzagerecht zoals neergelegd in artikel 7:4, lid 2, van de Awb heeft geschonden.

3.2.

Voorts is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het voor belanghebbende voldoende kenbaar was dat voor het parkeren ter plaatse belasting verschuldigd was (het kenbaarheidsvereiste).

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing