Home

Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2538, 19/01538 & 19/01539

Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2538, 19/01538 & 19/01539

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22 september 2020
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2020:2538
Zaaknummer
19/01538 & 19/01539

Inhoudsindicatie

Is de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001 naar har aard in strijd met artikel 1 van het EP? Leidt de vermogensrendementsheffing ten aanzien belanghebbende tot een individuele en buitensporige last en is deze op die grond in strijd met artikel 1 EP? Is ten aanzien van de tweede woning de juiste waarde gehanteerd?

Uitspraak

kenmerken 19/01538 en 19/01539

22 september 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 19 augustus 2019 in de zaken met kenmerk HAA 18/2177 en 18/2178 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 september 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.936 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 144.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 september 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag opgelegd in de ib/pvv berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.534 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 138.

1.3.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 5 april 2018, de aanslagen gehandhaafd.

1.4.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 augustus 2019 de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

De tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 1 oktober 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 17 juli 2020 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020. De hoger beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de hoger beroepen in de zaken met kenmerk 19/01540 en 19/0541 van [Y] , de echtgenote van belanghebbende. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiser, geboren op [geboortedatum] is gehuwd met mevrouw [Y] . Ter zake van het vermogen in box 3 is bij eiser in 2015 een forfaitair rendement van vier percent van € 3.600 oftewel € 144 in aanmerking genomen. De belasting hierover bedraagt € 43. Er is geen belastingrente in rekening gebracht. De bij de echtgenote van eiser in aanmerking genomen belasting ter zake van de vermogensrendementsheffing bedraagt € 5.533.

2. De daadwerkelijk in 2015 totaal ontvangen rente ter zake van de spaartegoeden bedraagt volgens de bij verweerder bekende gegevens € 2.189 + € 885 (ten name van de echtgenote) = € 3.174.

3. Ter zake van het vermogen in box 3 is bij eiser in 2016 een forfaitair rendement van vier percent van € 3.450 oftewel € 138 in aanmerking genomen. De belasting hierover bedraagt € 41. Er is geen belastingrente in rekening gebracht. De bij de echtgenote van eiser in aanmerking genomen belasting ter zake van de vermogensrendementsheffing bedraagt € 5.080.

4. De daadwerkelijk in 2016 totaal ontvangen rente ter zake van de spaartegoeden bedraagt volgens de bij de verweerder bekende gegevens € 1.970 + € 738 (ten name van de echtgenote) = € 2.708.

5. Daarnaast is in 2015 en 2016 een forfaitair rendement ter zake van onroerend goed bij de vermogensrendementsheffing in aanmerking genomen. Het onroerend goed waarop de vermogensrendementsheffing van toepassing is, betreft het pand [adres] te [Q] (2015 en 2016). Van een eventuele huuropbrengst is niets bekend. De woning is in eigen gebruik als uitvalsbasis voor het verlenen van mantelzorg. De waarde vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken is tussen partijen niet in geschil en staat onherroepelijk vast.

6. Op 31 maart 2016 heeft eiser de papieren aangifte ib/pvv voor het jaar 2015 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 122.936 en bestaat uit een inkomen in box 1 van € 122.936. In box 3 is wel een vermogen vermeld van € 450.998. Hiervan heeft eiser echter niets toegerekend aan zichzelf.

7. Verweerder heeft ten aanzien van eiser een voorlopige aanslag vastgesteld met een teruggave, gebaseerd op de (eerste) aangifte van 31 maart 2016, nu geen sprake is van een inkomen in box 3.

8. Op 11 augustus 2017 is door verweerder een “tweede aangifte” inkomstenbelasting 2015 ontvangen. Hierin zijn dezelfde elementen opgenomen als in de eerste aangifte, echter is van de grondslag in box 3 nu € 3.600 toegerekend aan eiser. Het nu aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 123.080. Dit betreft € 122.936 box 1 inkomen en € 144 (4% van € 3.600) box 3 inkomen.

9. De definitieve aanslag ib/pvv 2015 is vastgesteld met dagtekening

15 september 2017. Het verzamelinkomen is overeenkomstig de “tweede aangifte” vastgesteld op € 123.080.

10. Op 30 maart 2017 heeft eiser de papieren aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2016 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 124.672 en bestaat uit een inkomen in box 1 van € 124.534. In box 3 is een vermogen vermeld van € 475.699. Hiervan heeft eiser echter een bedrag van € 3.450 toegerekend aan zichzelf. Hetgeen resulteert in een voordeel van € 138 (4 % van € 3.450). Daarover is ter zake van de vermogensrendementsheffing een bedrag van € 41 geheven.

11. De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2016 is vastgesteld met dagtekening

22 september 2017. Het verzamelinkomen is overeenkomstig de aangifte vastgesteld op € 124.672.”

Partijen hebben tegen deze feiten geen bezwaren aangevoerd, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep zijn de volgende punten in geschil:

1. Evenals voor de rechtbank de vraag of de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) naar haar aard in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

2. De vraag of de vermogensrendementsheffing ten aanzien van belanghebbende leidt tot een individuele en buitensporige last en op die grond in strijd is met artikel 1 EP.

3. De vraag of voor de vermogensrendementsheffing van de tweede woning de juiste waarde is gehanteerd.

4 Oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 6. Kosten

7 7. Beslissing